De intocht van de vreemdeling

,,Ze kwamen per vliegtuig of reisden in aftandse Mercedessen. Met een door het boerenleven gevormde blik stelde men vast dat het hier goed toeven was. Het was hier groen, de koeien en schapen zagen er dik en weldoorvoed uit.''

De cultureel antropoloog Hans Werdmölder beschrijft hoe de vreemdeling, die eerst gastarbeider heette en nu allochtoon, zich in Nederland nestelde. ,,Vanuit ons geloof in de ware tolerantie hebben we jarenlang de ogen gesloten voor de realiteit.''

Wie herinnert zich nog de familie Spoor uit de jaren zeventig? Onze Nederlandse Spoorwegen beschouwden alle reizigers nog als één grote, gezellige en vooral oer-Hollandse familie. Op affiches werd een beeld geschetst van dat ideaal. Kinderen schoten pijltjes naar de hoofden van hun medepassagiers, die daar lachend en minzaam op reageerden. Tieners zaten op een bankje met elkaar te vrijen, een bejaard echtpaar stak gezellig een stickie op en de conducteur liet in een olijke bui zijn pet van zijn hoofd afslaan. Kortom, zo'n echt Hollands gezin was een vrolijke boel, kinderen en ouderen hadden overal lak aan. De gezagsdrager liet met zich dollen en had daar zelf reuze schik in. Dat waren nog eens mooie tijden. Maar hoe zouden de vreemdelingen naar ons gedrag hebben gekeken? Als een extravagante demonstratie van onbeschaafd en respectloos gedrag? Of als Nederlandse folklore, restanten van de flower-powercultuur uit de jaren zestig?

Halverwege de jaren zeventig nestelden de gastarbeiders zich met hun gezinnen in de Nederlandse samenleving. Het feit dat men zijn gezin liet overkomen, betekende voor velen nog niet een bewuste, definitieve keuze voor Nederland. In Nederland was iets, dat daar niet was. Werk, welvaart, een fantastisch gezondheidssysteem, goede voorzieningen en een hoog niveau van onderwijs. Het nadeel van het kille, koude regenachtig klimaat nam men op de koop toe. Ze kwamen per vliegtuig of reisden in aftandse Mercedessen. In Marokko en Turkije stond Nederland bekend als het land van melk en honing. Met een door het boerenleven gevormde blik stelde men vast dat het hier goed toeven was. Het was hier groen, de koeien en schapen zagen er dik en weldoorvoed uit. In dit land wilde men graag zijn kinderen laten opgroeien, zodat ze later als automonteur of als ingenieur terug zouden keren naar hun eigen land.

Integratie met 'recht op behoud van de eigen culturele identiteit' vormde de slogan in onze benadering van de etnische minderheden. Het principe van tolerantie nam daarbij een centrale plaats in, het kwam erop neer dat mensen elkaar moesten 'verdragen', ook al waren ze anders van geloof, ras of sekse. Zowel groepen als individuen moesten met elkaar kunnen samenleven, ook al leefden zij volgens opvattingen en waarden die wijzelf niet deelden, soms zelfs veroordeelden. Bepaalde migrantengroeperingen hingen de moslimreligie aan, die in zijn leer heel andere opvattingen verkondigt over de fundamentele gelijkheid tussen man en vrouw. Maar wie waren wij om dat af te keuren? Dit was het ideaal. Toch bleek dat deze vorm van tolerantie, als een dwingende norm, onze kritische vermogens sterk heeft ondermijnd.

Er was niettemin werk aan de winkel. We stelden vast dat deze nieuwe migranten op het terrein van onderwijs, werk en welzijn grote achterstanden hadden. Hier was een beschavingsoffensief op zijn plaats. We stelden onszelf als doel dat de gastarbeider 'medeburger' zou moeten worden, niet beseffend dat de migrant aan dit proces van inburgering wel eens een heel andere invulling zou kunnen geven. Ons ideaal was en bleef een multiculturele samenleving met wederzijdse integratie en interculturele leerprocessen.

Iedereen die meende dat de etnische minderheden zich zouden moeten aanpassen aan onze Nederlandse cultuur of de Nederlandse identiteit, zoals de hoogleraar staatsrecht Couwenberg ooit verkondigde, kreeg het deksel op zijn neus. Zij werden uitgemaakt voor racist. Inburgeringscontracten of verplichte taallessen waren in die tijd nog uit den boze, want elke verplichting van onze kant was in strijd met onze tolerante norm. Het zou immers kunnen worden uitgelegd als een wens tot eenzijdige integratie, of erger nog assimilatie.

Toppunt van tolerantie of cultureel masochisme was het moment dat de vreemdeling ons een spiegel voorhield. Enige jaren geleden was bij Sonja Barend - als verpersoonlijking van het tolerante Nederland - de Antilliaanse schrijfster van kinderboeken, Sonja Garmers, te gast. In de dialoog tussen de beide Sonja's kwam er een beschrijving van de Nederlanders naar voren, die er niet om loog. Nederlanders waren onhartelijk, eigenwijs, krenterig, niet gastvrij, soms op het botte af, en ook nog los van zeden. Persoonlijk herken ik daar wel wat in.

In plaats van dit alles stilletje op ons te laten inwerken, werd de kritiek van de schrijfster door het Hollandse publiek met een open doekje ontvangen. Zó tolerant waren we, dat we ongezouten kritiek op onszelf met gejuich en applaus ontvingen. Maar, oh wee, wanneer een blanke, Nederlandse moeder haar kind van school haalde, omdat haar dochter het nog enige blanke kind was in een klas vol met Surinaamse, Marokkaanse en Turkse kinderen. In hetzelfde tv-programma werd deze moeder door Sonja ongenadig de les gelezen. De argumenten van de moeder deden er niet toe. Ditmaal toonde het publiek van Sonja weinig clementie.

De vreemdelingen kregen ook hun eigen woordvoerders, die zich hadden verenigd in het Nederlands Centrum voor Buitenlanders (NCB) of in het Komité Marokkaanse Arbeiders Nederland (KMAN). Deze woordvoerders, en in hun spoor de Nederlandse zaakwaarnemers, kregen er maar niet genoeg van ons in te prenten dat het hier ging om kansarme, uitgebuite mensen. Vanuit een christelijk schuldbesef en sterk engagement met de derde wereld, konden zij rekenen op onze onvoorwaardelijke solidariteit. Hadden wij ze immers niet zelf naar Nederland gehaald?

Maar wanneer sloeg de ware tolerantie om in valse tolerantie? De politicus Ed van Thijn heeft er ooit aardige dingen over gezegd. Tolerantie was volgens Van Thijn een mentaliteit, een way of life, van een pluriforme, multiculturele samenleving, waarin geen enkele groep kan of wil domineren en waarin wederzijds respect heerst. Hij voegde er echter aan toe dat tolerantie bestond bij de gratie van een samenstel van checks and balances. Tolerantie moest van dag tot dag bevochten worden.

Tja, dat klonk mooi. In de praktijk van alledag werd het principe van tolerantie uitgelegd als de pragmatische spelregel: als jij mij mijn gang laat gaan, dan leg ik jou ook niets in de weg. Zo werd, onder het mom van tolerantie, jarenlang een situatie gecreëerd waarin de overheid het niet zo nauw nam met de wetten en regels van de democratische staat. Het begon met het dulden of gedogen van onschuldige wetsovertredingen, het oogluikend toestaan van nieuwe terrasjes in de publieke ruimte, het gedogen van de verkoop van kleine hoeveelheden hasj, enzovoort.

De gevaren aan deze vorm van tolerantie, werden zeker onderkend. Van Thijn, toen nog burgemeester van Amsterdam, riep het zelfs uit tot een 'brandende kwestie' in een rede in 1984. Immers, het gevaar was niet denkbeeldig dat de echte, ware tolerantie slachtoffer zou worden van deze valse tolerantie. Daarbij had Van Thijn vooral oog voor de zwakke positie van de vreemdelingen in Amsterdam, want hier was juist ware tolerantie geboden. Ongunstige elementen zouden garen kunnen spinnen met negatieve berichtgeving over de vreemdeling. Racisme, stigmatisering en vreemdelingenhaat lagen op de loer. Bovendien zou ongepaste berichtgeving over de 'criminele vreemdeling' gemakkelijk kunnen leiden tot het creëren van een eigen werkelijkheid.

Het is de tragiek van de verdediger van de ware tolerantie dat hij oogkleppen op had, zodra sprake was van negatieve berichten over minderheden. Daarmee liep Van Thijn in zijn eigen val. Hij begroef zich in de ware tolerantie, maar schiep hiermee ongewild de voorwaarden voor de valse tolerantie. Hij vergat dat van de kant van de etnische minderheden wel degelijk stappen in onze richting moesten worden gezet, dat het van belang was om de Nederlandse taal te leren en onze mores en zedes te respecteren. In feite kwam het principe van verdraagzaamheid neer op onverschilligheid en lankmoedigheid.

Eind jaren tachtig kwamen de eerste barsten in ons zelf verkozen tolerante imago. De Rushdie-affaire maakte ons duidelijk dat ook vreemdelingen niet tolerant hoeven te zijn. Met enige ontsteltenis constateerden we dat sommige lieden zich ontpopten als intentionele moordenaars en het recht op vrije meningsuiting en godsdienstvrijheid aan hun laars lapten. Enkele voormannen van moslimorganisaties in Nederland mochten, als gebaar van verzoening, aan de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, Van Dijk, een koran aanbieden. Er was duidelijk behoefte aan een correctie van het beeld dat de islam zou staan voor intolerantie. Voor sommige intellectuelen betekende de Rushdie-affaire echter een koude douche. Het zou de start zijn voor de sloop van het ene na het andere taboe rond het beeld van de 'goede vreemdeling'.

Eind 1988 onthulde Het Parool een interne stadhuisnotitie over vermeende Marokkaanse jeugdbendes, die de binnenstad van Amsterdam onveilig zouden maken. De hoeders van de ware tolerantie, oud-burgemeester Ed van Thijn en Hedy d'Ancona voorop, trachtten een dijkbreuk te voorkomen in het zorgvuldig opgebouwde imago van tolerantie ten aanzien van minderheden. Weliswaar werd voortaan niet meer over Marokkanen gesproken maar over Noordafrikanen('naffers'), maar daarmee waren de problemen niet opgelost. De valse tolerantie bleef domineren en verhinderde het echte integratieproces.

Zo vertelde een Marokkaanse jongen mij het verhaal dat hij oprecht verbaasd was dat hij zo gemakkelijk zijn schooldiploma had gekregen. ,,Als je in Marokko één dag spijbelt, dan kun je naar je diploma fluiten. Maar als je in Nederland een half jaar hebt gespijbeld, krijg je alsnog je diploma.''

De negatieve publiciteit over de etnische minderheden was niet meer in te dammen. Anderhalf jaar later zou politiecommissaris E. Nordholt, fungerend als het kwade geweten van Van Thijn, in Het Algemeen Dagblad groot alarm slaan over de groeiende criminaliteit van jonge buitenlanders. Negen van de tien overvallen, straatroven en inbraken werden door jongere, al dan niet illegale allochtonen, gepleegd.

De angst van veel mensen om in de rechtse, reactionaire hoek te worden gezet, begon ook langzaam te slijten. Gangmaker in het politieke debat was VVD-leider Bolkestein, die de banvloek uitsprak over het ideaal van 'aanpassing met behoud van culturele identiteit'. Voortaan mocht je zeggen dat etnische jongeren crimineler waren dan autochtone Nederlandse jongeren en dat onze traditionele zachte aanpak weinig effect sorteerde, maar in één adem moest daarbij worden vermeld dat het de schuld was van onze maatschappij. Nieuwe waarschuwingen volgden elkaar in snel tempo op. Van Thijn waarschuwde voor het gevaar van rassenrellen, wanneer het gebrek aan werkgelegenheid voor allochtonen, zoals de vreemdeling inmiddels was gaan heten, voort bleef duren.

De migrant zelf gaf de voorkeur aan zijn isolement. In gedachten verbleef hij in Marokko of Turkije, maar fysiek was hij, meestal op basis van een uitkering, in Nederland. De gemeenschappen van migranten kregen steeds meer de kenmerken van etnische enclaves. Men ontmoette elkaar in de koffie- en theehuizen en in de moskee. Thuis werd de schotelantenne gericht op het moederland.

Inmiddels bleef de vreemdeling dringen aan onze poorten. Genood en ongenood. De schok was groot toen we ons ineens realiseerden dat het er zovelen waren. Een oproep van burgemeester Van Thijn aan alle illegale bewoners van de vernielde flats in de Bijlmer om zich te melden, leidde tot een ware stormloop van illegalen. Een foto uit 1992 liet ons een lange rij vreemdelingen zien, die zich verzamelden bij de Amsterdamse Herengracht. Het gerucht had zich verspreid dat alle illegalen in Amsterdam zouden worden gelegaliseerd. Zelfs bij de regering begon het besef te groeien, dat veel illegale vreemdelingen in ons huis te gast waren. Er was behoefte aan ferme woorden. De boodschap van de regering aan asielzoekers luidde daarom: wie geen goede redenen heeft voor asiel, moet snel vertrekken.

In 1994 meldden zich 70.000 vluchtelingen aan de poorten van de Nederlandse staat. De indruk werd gewekt dat Nederland overspoeld werd door vreemdelingen. In de media woedde de 'vol-is-vol' discussie. De verspreiding van een gerucht dat vreemdelingen die zich vóór 1 april 1994 zouden melden, tegen betaling van duizend gulden in aanmerking kwamen voor een verblijfsvergunning, deed Nederland weer even wakker schudden. In NRC Handelsblad zagen we een foto met daarop lange rijen mannen, verzameld voor de loketten van de Amsterdamse vreemdelingenpolitie. De vreemdeling was niet meer alleen, nee, op de foto zagen we een lange kronkelende rij wachtende, zwarte en Arabische mannen. Het beeld van de onbeheersbare horden die wilden meeëten uit onze welvaartsruif, drong zich aan het publiek op. Ook bij Tweede-Kamerleden begon langzaam het besef door te dringen dat loze woorden niet meer op hun plaats waren. De bestaande gedoogpraktijk van illegale vreemdelingen, met als toetssteen de zogeheten zes-jaarnorm, werd in 1995 omgezet in een circulaire.

In 1997 kregen de samaritanen van de PvdA de mogelijkheid hun stellingen weer te betrekken. De affaire van de 'witte' illegaal Gümüs, die niet precies voldeed aan de zes-jaarnorm van onafgebroken verblijf, bracht heel Nederland in beroering. Amsterdamse politici, voor het merendeel van PvdA, GroenLinks of D 66, verdrongen zich achter het spandoek 'De familie Gümüs moet blijven'.

Dank zij de aandacht van de media leerden we het illegale Turkse gezin Gümüs wat beter kennen. De kleine kleermaker uit De Pijp, trotse eigenaar van De Zilveren Schaar, paste precies in het door ons gewenste beeld van de sympathieke, hard werkende vreemdeling. Weliswaar verbleef hij illegaal in Nederland, maar hij en zijn gezin vormden het toonbeeld van integratie. Daar wilden we ons graag voor inzetten. Het actiecomité 'Gümüs moet blijven' kon dan ook rekenen op veel steun en sympathie. Met deze kleine, sympathieke vreemdeling konden wij ons beeld van tolerantie en humaniteit weer wat oppoetsen. In de ingezonden-brievenrubriek van Het Parool werd keer op keer benadrukt dat Gümüs geen crimineel was, maar een brave burger. 'Op zo'n moment schaam ik mij Nederlander te noemen en te wonen in een 'beschaafd' land', merkte een briefschrijfster op. Oud-burgemeester Van Thijn verbond zelfs zijn partijlidmaatschap aan het lot van het gezin Gümüs.

Opvallend detail was dat Gümüs op weinig mededogen kon rekenen vanuit zijn eigen achterban. Men gêneerde zich voor hem, want liep hij niet een beetje te koop met zijn zieligheid?

Het effect van de legale en illegale drukmiddelen nam zienderogen af, zodat illegale vreemdelingen nu naar het middel van de hongerstaking grijpen om hun doel te bereiken. Het trieste schuilt hierin, dat een groep wanhopige mensen er kennelijk alles voor over heeft om een geldige verblijfsstatus te bemachtigen. Vanuit hun perspectief is dit volkomen te begrijpen, want inmiddels heeft men heel goed in de gaten dat Nederlanders gevoelig zijn voor morele chantage. Geef ze ongelijk.

De jaren zeventig en tachtig, ook de jaren van de bloei van het cultuurrelativisme en het hoogtepunt van de ware tolerantie, hebben de etnische minderheden uiteindelijk niet veel goeds gebracht. Vanuit ons geloof in de ware tolerantie hebben we jarenlang de ogen gesloten voor de realiteit. Een te grote verdraagzaamheid zou wel eens kunnen leiden tot een toestand, die alleen met onverdraagzaamheid kan worden opgelost. Het cultuurrelativisme is ontaard in een valse tolerantie, terwijl het ideaal van de multiculturele samenleving niet meer blijkt te zijn dan een beleefdheidsfrase. Een vals cliché, zou blijken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden