De intimiteit van de tweede persoon enkelvoud

Uit de jubileumbundel voor Gerrit Komrij, die eind maart 65 werd, blijkt dat de eerste Dichter des Vaderlands in zijn vroege werk zorgvuldig de ik-vorm vermeed.

Vier jaar geleden verscheen Gerrit Komrij’s meest recente dichtbundel, ’Spaans benauwd’. Het mooiste gedicht daarin begint zo: ’Ik ben zelfs degene niet/Die ik voorwend niet te zijn’.

Het is een exemplarische Komrij-regel, zal straks duidelijk worden. In de bundel komt de dood regelmatig om de hoek kijken: ’Kalmeer – het is afgelopen,/Het zwart heeft je lijf omhuld – /Straks stijgt uit de afvalhopen/De rook op – oefen geduld.’

In weerwil van die cynische berusting liet Magere Hein de eerste Dichter des Vaderlands op 30 maart jongstleden gewoon zijn 65ste partijtje vieren en vroeg De Bezige Bij dichter/redacteur Victor Schiferli een keuze te maken uit Komrij’s tot nog toe verschenen bundels. Het levert een verjaardagscadeau van 65 gedichten op dat iedere poëzieliefhebber in zijn boekenkast moet hebben staan.

Alle gedichten in ’Er is geen vrijheid in de zandwoestijn’ zijn vormvast. Daarmee bedoel ik dat ze min of meer rijmen en alle bestaan uit een overzichtelijk aantal strofes. Ieder gedicht past met gemak op een pagina. Wat verder opvalt – en ook door Schiferli in de inleiding bij het boek wordt aangehaald – is dat Komrij in zijn eerdere werk zorgvuldig vermeed vanuit de ik-persoon te dichten, om toch maar vooral niet als romanticus te boek te staan. Meerdere dichters hadden hier toentertijd overigens een handje van, maar er waren er niet veel die het aandurfden om met als enige harnas dat woordje ’je’, vol verdriet de dood van een kat te bezingen. ’Ze merkte niet meer hoe je naar haar terugkeek./Ze kneep haar ogen toe en legde haar kop/Plat over haar voorpoten heen. Even streek/je haar huid nog glad en hield toen verslagen op.’ Het verdriet is bijna kitsch, zo groot. Maar juist dat schuren langs de grens van het betamelijke maakt Komrij een durfal van een dichter. Daarom moet deze bundel in de Billy van iedere poëzieliefhebber staan.

Nog even over dat ’je’. Het valt me al een tijd op dat coaches in het betaald voetbal vragen over de zojuist gespeelde wedstrijd vaak in de je-vorm beantwoorden. „Je komt met 3-0 achter”, zeggen ze, „en dan moet je iets forceren en achterin één-op-één gaan spelen.”

Het rare is dat iedereen begrijpt dat de coach met dat ’je’ zichzelf in relatie tot zijn spelers aanduidt maar er tegelijkertijd in slaagt de hete aardappel van de verloren wedstrijd van zich af te schuiven. Hij maakt de luisteraar middels dat ’je’ een beetje medeplichtig. Zoals ik me bij het lezen van het gedicht van Komrij ook kon voorstellen zelf de huid van de stijf wordende poes glad te strijken, om daarna van illusies beroofd vast te stellen dat strelen zinloos is geworden. Dichten in de tweede persoon enkelvoud schept een band.

Het acht jaar geleden gepubliceerde gedicht ’Contragewicht’, hieronder afgedrukt, is wél vanuit de eerste persoon geschreven. Het is, zoals vaker in het oeuvre van poëziefanaat Komrij, een ode aan de dichtkunst, want net als Slauerhoff lijkt Komrij te willen uitroepen: „alleen in mijn gedichten kan ik wonen.” En zoals J.C. Bloem ooit verzuchtte: ’denkend aan de dood kan ik niet slapen/en niet slapend denk ik aan de dood’, zo lanceert Komrij hier een net zo onmogelijke tegenstelling. Hij wil niet zijn waar hij heen gaat, maar hij wil ook niet blijven waar hij is.

In deze poëzie, die gispt en gorgelt in een korset van rijm en ritme, wordt bij voortduring een omlaag gehouden duim getoond aan de eerste persoon enkelvoud. Door de ik te tooien met een pseudoniem (’je’). Door de ik van zichzelf te vervreemden in de regel in het gedicht hieronder: ’steeds minder denk ik wat ik hardop zeg’, een variatie op het ’ben zelfs degene niet/die ik voorwend niet te zijn’ uit het begin van deze bespreking. En door in een ander gedicht, ook in deze bloemlezing, op het eigen spiegelbeeld in te hakken: ’Er hangt een hoge spiegel in de gang./Vooruit, ik kijk me zelf nog maar eens aan/En voor het monster dat ik daar zie staan//Ben ik –voorspelbaar- elke dag weer bang.’

Daarom heb ik deze bundel in mijn boekenkast staan. Als Gerrit Komrij in de spiegel kijkt, kijkt hij naar mij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden