Review

De industrie groeide zelfs na 1940, door Duitse orders

De Nederlandse economie heeft gedurende de oorlogsjaren natuurlijk een terugslag ondervonden. Maar dat gebeurde veel later dan meestal wordt aangenomen - niet in 1940 maar vanaf 1942 - en het was veel minder ernstig dan eerdere berekeningen lieten zien en dan past in de herinneringen van de oorlogsgeneratie.

Klemanns conclusies zijn opzienbarend: Het productieapparaat is veel minder beschadigd uit de oorlog te voorschijn gekomen dan tot nu toe werd gesteld, het industriële apparaat was zelfs gegroeid. In feite werd de industrialisatie van Nederland in 1940 weer opgepakt, toen door de openstelling van de Duitse afzetmarkt de orders bij Nederlandse bedrijven binnenstroomden.

In de landbouw, het transport, de handel of het bankwezen vormde de oorlog nauwelijks een factor van betekenis.

Tijdens de oorlogsjaren zijn er bovendien tal van aanzetten gegeven om te komen tot een betere sociale zekerheid voor werknemers en werden er moderne fiscale maatregelen doorgevoerd.

Aan deze stellingen ligt een veelomvattende studie van de Nederlandse economie in de oorlogsjaren ten grondslag. De auteur, Hein Klemann, die zijn sporen verdiend heeft in het empirisch onderzoek op het bedrijfstakniveau, is tot nieuwe berekeningen gekomen van de productie tijdens en na de oorlog.

De inspiratie voor dit veeleisende rekenwerk komt uit Klemanns opvatting dat ,,de cijfers betreffende het economische leven van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, zoals het CBS die in 1947 publiceerde, van geen kanten deugden'. Volgens de CBS-cijfers stortte de economie al direct na de bezetting met ongekende snelheid in, waardoor in 1944 het reëel nationaal inkomen tot 60 procent van het niveau van 1938 gedaald, en de fysieke productie gehalveerd zou zijn.

De miraculeuze verdwijning van de vooroorlogse werkloosheid in de loop van 1941 werd door het CBS aan de arbeitseinsatz (tewerkstelling in Duitsland) geweten, terwijl de imposante stijging van de productie ná de oorlog voor het gemak aan een economisch wonder werd toegeschreven. Er was maar één manier om de discrepantie tussen de cijfers van het CBS en de waarneembare werkelijkheid te overbruggen, namelijk door zelf nieuwe en betrouwbare cijfers te fabriceren. Klemann en zijn medewerkers zijn voor die immense taak niet teruggeschrokken en alleen al hiervoor verdienden ze alle lof. Dit boek bevat het zeer leesbare verslag van hun bevindingen die zich uitstrekken over zes sectoren waarin de economie is opgedeeld.

Minstens zo fascinerend, maar niet altijd even bevredigend zijn de hoofdstukken waarin de economische uitbuiting van Nederland door Duitsland in detail in kaart gebracht wordt, alsook de verarming van Nederland die daarvan het gevolg was. De productie en het productieapparaat mogen dan redelijk op peil gebleven zijn - over de eerste oorlogsjaren spreekt Klemann zelfs van hoogconjunctuur - maar voor wie was de productie bestemd en hoe werd die betaald?

Vanaf de eerste dag van de bezetting, 15 mei 1940, zagen de Duitse autoriteiten Nederland als een land dat steun moest verlenen aan de Duitse eindoverwinning, op het materiële en het immateriële vlak. Over de materiële kant van de zaak valt niet te twisten, de cijfers spreken duidelijke taal: ,,De Nederlandse economie is intensief geëxploiteerd.' Over de hele oorlogsperiode gerekend bedraagt de omvang van die exploitatie meer dan een derde van de totale productie. Vóór 1942 was het deel van de productie dat zonder enige reëele betaling naar Duitsland gehaald werd, minder dan een derde, daarna bedroeg het meer dan veertig procent met een top van bijna vijftig procent in 1943. Het deel van het nationale inkomen dat ter beschikking van de Nederlandse volkshuishouding kwam, daalde dus drastisch. Met alle gevolgen vandien.

Interessant is de vergelijking die Klemann maakt met de oorlogslasten die andere landen moesten opbrengen. Deze vergelijkingen hebben uiteraard alleen betekenis in relatieve zin, de oorlogslasten gerelateerd aan de omvang van het nationale inkomen respectievelijk de bevolking. Dan blijkt dat Nederland er in vergelijking met de direct oorlogvoerende landen (aan beide zijden) nog redelijk is afgekomen. Maar in vergelijking met andere door Duitsland bezette landen in West-Europa steekt Nederland er - mét Noorwegen - bovenuit. Klemann is over de achtergronden van die intensievere exploitatie niet expliciet. Wel vermeldt hij terloops 'dat er zelfs aanwijzingen zijn dat die exploitatie in dit land wel erg soepel verliep'.

Dat de wijze waarop Nederland zich economisch op de oorlog had voorbereid hier mee te maken heeft, is wel duidelijk. Voor alle belangrijke industriële sectoren werden tussen 1937 en 1939 'Rijksbureaus' ogericht, die in geval van oorlog moesten toezien op de distributie van grondstoffen, de productie en de verdeling van eindproducten.

In mei 1940 waren de regelingen hiervoor afgerond. De omvang van de voorraden was geïnventariseerd, en er waren aanzienlijke voorraden van de belangrijkste grondstoffen aangelegd. Die waren opgeslagen binnen de Vesting Holland. De productie moest in geval van oorlog doorgang kunnen vinden. ,,De kolossale grondstoffenvoorraden die Nederland had aangelegd vielen in mei 1940 in Duitse handen.'

Maar niet alleen de voorraden vielen in Duitse handen, die volledig opgetuigde Rijksbureaus vormden voor de Duitse bezetter een ideaal instrument om de Nederlandse industrie in de door hen gewenste slagorde te plaatsen. Klemann schrijft over deze zaak op nogal onderhuidse wijze het volgende: ,,Met de doelstelling van de Nederlandse Rijksbureaus het bedrijfsleven zoveel mogelijk intact te laten leek dit Duitse streven aanvankelijk niet in strijd. Wel was deze politiek in strijd met de andere doelstelling van deze bureaus namelijk om de bevolking zo goed mogelijk van het noodzakelijke te voorzien.'

Dat de bevolking het gelag heeft moeten betalen is wel duidelijk, maar ook in dit opzicht meent Klemann dat de cijfers laten zien dat het tot september 1944 met de verzorging in veel opzichten wel meeviel. Het beeld van de behoorlijke voedselvoorziening mag dan in geen enkel opzicht overeenkomen met de collectieve herinnering aan de oorlog - evenmin als dat geldt voor een in de kern ongeschonden gebleven economie - de bevolking kreeg tot de Hongerwinter van 1944-1945 een 'behoorlijk rantsoen'.

Een internationale vergelijking laat zien dat dit rantsoen gemeten in calorieën in gunstige zin afstak tegen wat de inwoners van andere door de Duitsers bezette landen in West-Europa ter beschikking stond, al was het in vergelijking met de vooroorlogse praktijk schriel. In niet geringe mate is dit toe te schrijven aan de consumptie van aardappels in Nederland: ,,Doordat de boeren in het landbouwseizoen 1941-1942 gedwongen werden hun productie in ieder geval ten dele aan te passen aan de basisbehoeften van de bevolking, was in de eerste vier maanden van 1943 de legale aardappeltoewijzing al hoger dan de vooroorlogse consumptie.' Ook de visconsumptie steeg boven het vooroorlogse niveau, en zorgde voor een, overigens bescheiden, aanvulling op de voortdurend magere brood-, boter- en vleesrantsoenen. Zij voorkwam dat aardappelen de maaltijden volledig gingen bepalen.

Het vezelrijke maar vetarme rantsoen betekende voor velen een gedwongen vermageringskuur en zorgde voor een chronisch hongergevoel. Het weerstandsvermogen tegen kwalen werd er door verminderd. Maar van ernstig gebrek, dat de gezondheid ondermijnde, valt tot de Hongerwinter in de statistieken niets terug te vinden. De spijsvertering paste zich aan, evenals het huishoudelijk gebruik van voedingsmiddelen, dat efficiënter werd.

'Nederland 1938-1948' geeft een helder en overzichtelijk beeld van het wedervaren van de Nederlandse economie in oorlogstijd. De hieraan ten grondslag liggende investering in historisch speurwerk is indrukwekkend. Klemann had zich kennelijk voorgenomen het bestaande beeld bij te stellen. Daarin is hij dankzij de vloed van nieuwe informatie op overtuigende wijze geslaagd.

Een minder overtuigende indruk maakt het laatste deel van het boek dat de verarming van Nederland tijdens de oorlogsjaren tot onderwerp heeft en in veel mindere mate op eigen onderzoek is gebaseerd. Het hoofdstuk waarin het beleid van de hoogste ambtenaar op economisch gebeid aan Nederlandse zijde, Hirschfeld, behandeld wordt, roept zelfs de vraag op waarom het is opgenomen, want het valt buiten de opzet van het boek en werpt geen nieuw licht op de zaak.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden