De imams willen een debat

Na de aanslagen in Londen steken Britse moslimleiders de hand in eigen boezem. De moslimgemeenschap is verantwoordelijk voor het radicalisme in eigen kring, zegt leider Iqbal Sacranie. Maar veel gewone moslims voelen niets voor een debat.

De scheidslijn binnen de Britse moslimgemeenschap loopt dezer dagen dwars over de drempel van de moskeeën. Neem de moskee aan de Londense Bow Road. Binnen zal imam Kutubuddin Ahmed Shikder vandaag, in het vrijdaggebed, de fatwa voorlezen die de imams van zo’n 500 Britse moskeeën deze week hebben uitgevaardigd. Ze veroordelen in die fatwa het geweld.

Buiten, op de stoep, staan dagelijks jongeren van Hizb ut-Tharir, een radicale internationale groepering, folders uit te delen. ’Lieve broeders en zusters, de waarheid spreken is geen terrorisme. Het is een plicht om te vertellen over de onbeschofte invasie en bezetting van Afghanistan en Irak’, staat daarin.

Binnen, eerder deze week, vertelt imam Shikder dat deze moskee vredelievend en orthodox is. Ze wordt bezocht door Bengalen die vaak al tientallen jaren in deze Oost-Londense buurt wonen. „Radicale elementen kennen we hier niet”, zegt Shikder. Buiten verkondigen op hetzelfde moment de jongeren dat de aanslagen helemaal niet zijn gepleegd door moslims, maar door de regering-Blair zelf.

De vredelievende imam staat onder druk sinds 7 juli, en des te meer sinds de nieuwe aanslagen van gisteren. Net als andere moslimleiders in Londen kreeg hij een racistische scheldbrief. Zijn moskee is ongeschonden gebleven. Bij de moskee enkele kilometers verderop zijn twee dagen na de aanslagen de ramen ingegooid.

Sommige gematigde moslimleiders in het land richten zich nu kritisch tot de eigen achterban en roepen die op de radicalisering te bestrijden. Zeker sinds duidelijk is geworden dat het op 7 juli om terroristen ging die niet uit een ver land kwamen, maar om Britse moslims, die in hun eigen land uit moorden gingen.

Secretaris-generaal van de Britse moslimraad Iqbal Sacranie noemde de moslimgemeenschap ’in zekere zin verantwoordelijk’ om een herhaling van ’7/7’ te voorkomen. Hij was niet de enige. Labour-parlementariër Shahid Malik van het kiesdistrict Dewsbury, waar een van de vier daders vandaan kwam, verklaarde zich volop te willen inzetten om de radicalisering in zijn eigen kiesdistrict tegen te gaan.

Imam Shikder doet op zijn manier ook iets om terreur tegen te gaan.

„Het recht in eigen hand nemen, zoals de daders van de aanslagen hebben gedaan, mag niet.” Zo zegt imam Shikder het ook in zijn preken, tijdens de goedbezochte gebedsdiensten.

Hij voegt eraan toe dat hij wel begrijpt hoe het werkt in het hoofd van een jonge moslim. ,,Onze derde generatie gaat nu naar de universiteit, en daar gaan de ogen open. De jongeren zien wat er misgaat voor moslims in de wereld.” Hij noemt het rijtje landen dat iedere zelfbewuste moslim kan opdreunen: „Kosovo, Bosnië, Tsjetsjenië, Kashmir, Somalië, Oost-Timor. En Palestina en Irak niet te vergeten. Daar werden en worden moslims bedreigd, vervolgd, vermoord. Die studenten zien dat er met twee maten wordt gemeten: westerse regeringen mogen meer dan moslims. En dan, my dear, krijgen ze de kern van het probleem door: de westerse landen en de Verenigde Naties regeren de wereld.’’

Waarom Oost-Timor in het rijtje thuishoort, verduidelijkt hij niet; de slachtoffers van dat drama waren overwegend christenen.

Maar al toont de imam zich nog zo begripvol voor de motieven van de radicalen, bereiken doet hij hen niet meer, zegt hijzelf. Shikder: ,,We kunnen proberen mensen met dergelijke ideeën naar de moskee te halen. Alleen: daar komen ze niet. Die ideeën doen ze elders op.’’ Zoals van de Hizb ut-Tharir, misschien, die pal voor zijn voordeur staat te folderen? Kan hij die niet simpelweg wegsturen? Shikder haalt de schouders op. ,,Dat is zo’n klein links clubje... Bovendien is er vrijheid van meningsuiting; ik kan ze niets verbieden.”

De oproepen van enkele moslimleiders aan de Britse moslimgemeenschap om de oorzaak van het terrorisme ook in eigen kring te zoeken, lijken aan de basis niet gehoord te worden. In het Londense East End zegt de dertiger Mohammed Holil, vrijwilliger in het islamitisch centrum aan Whitechapel Road naast de grote East London Moskee: ,,We vinden het heel erg, maar we gaan ons niet verontschuldigen.’’

In deze moskee komen vooral Pakistaanse moslims. Ook drie van de daders van 7 juli waren oorspronkelijk Pakistanen. Holil, legt, net als enkele andere moslims in de buurt, in het gesprek de nadruk vooral op het slachtofferschap van de moslims: van racisme, van hetzes in de media, van de Britse buitenlandse politiek. Volgt het rijtje van Kosovo tot Irak.

En vergeet de werkloosheid niet, zegt Holil. „De daders kwamen uit Leeds. Veel jonge moslims zijn daar werkloos. Hoe goed ze ook zijn opgeleid, het kost hen daar erg veel moeite om in de blanke gemeenschap te worden toegelaten. Dat valt in Londen wel mee.’’

Holil, vader van twee kinderen, is niet bezorgd. ,,Radicalen zijn hier in East End geen groot probleem. „Hoogstens een op duizend moslims is radicaal.” De kans dat die ene net voor een bloedbad kan zorgen, wijst hij luchtig van de hand.

Zo optimistisch is imam Shikder van de moskee aan Bow Road niet. ,,De volgende keer dat er een aanslag wordt gepleegd kan het een Bengaal uit deze buurt zijn, jazeker’’, zegt hij. Bengalese jongeren voelen zich net als Pakistanen gefrustreerd, menen dat de islam in de wereld niet de positie krijgt die die toekomt. Hun eigen kansen op de Britse arbeidsmarkt vinden ze al even frustrerend, en dat wordt gestaafd door de feiten: meer dan 40 procent van de Bengaalse jongemannen is werkloos, tegen 12 procent van de witte mannen van dezelfde leeftijd.

Dat de oproep van moslimleider Sacranie om de hand ook in eigen boezem te steken door de moslimgemeenschap zo weinig wordt opgepikt, „verbaast” Tariq Modood. Het stelt deze politicoloog en socioloog van de universiteit van Bristol, schrijver van diverse boeken over multicultureel Groot-Brittannië, racisme en moslims, ook teleur.

„We kunnen niet doen alsof we al genoeg doen, dat is niet waar, en het is gevaarlijk. Er zijn meer dan vijftig mensen omgekomen’’, zegt hij geëmotioneerd. „We moeten veel explicieter zijn over wat er is gerechtvaardigd als het gaat om de strijd tegen onrecht. Veel moslims zijn boos over wat hun geloofsgenoten overal ter wereld wordt aangedaan’’ – hij noemt het rijtje Kosovo, Palestina, Irak – ,,en daar moeten we iets aan doen, dat is duidelijk. Maar dat wil niet zeggen dat alles maar geoorloofd is. We zijn daarover te onduidelijk gebleven.”

In moskeeën en jeugdcentra zullen imams en jongerenwerkers degenen die afdwalen moeten terugroepen, betoogt wetenschapper Modood. Moslimleiders moeten in het openbaar geweld afkeuren, of dat nou tegen Britse soldaten in Irak is of tegen hun medeburgers in Londen. ,,Ook al maken ze zichzelf met die boodschap niet populair. De huidige leiders zijn te voorzichtig geweest, uit angst de achterban te verliezen.”

Nasar Meer (25) houdt zich aan de Universiteit van Bristol bezig met een proefschrift over moslims in de Britse samenleving. Hij vreest dat moslims de neiging hebben de gelederen te sluiten nu er kritiek op ze komt en aangescherpte antiterreurwetten op stapel staan. Dat verklaart volgens hem de reactie van Holil, Shikder en anderen.

Het gevoel dat moslims overal ter wereld slachtoffer zijn, versterkt nog die neiging de gelederen te sluiten. „Het is nu eenmaal zo dat de gewelddadige dood van moslims elders in de wereld jonge islamitische Britten enorm bezighoudt, en zij winden zich op over het gebrek aan aandacht daarvoor.”

Uiteindelijk zijn het de ouders die de grootste bijdrage kunnen leveren aan de strijd tegen terreur. Het gezin, zegt socioloog Modood, is de plek waar duidelijke grenzen tussen wat wel en niet mag binnen de islam moeten worden gesteld. ,,Veel ouders zullen dat nu ook wel gaan doen. Dat moet dan echter wel van jongs af aan, niet op latere leeftijd, want dan kan het te laat zijn.’’ Onheilspellend is in dat verband dat de ouders van de daders van 7 juli onthutst hebben gereageerd. Kennelijk kon in hun familie een kind onopgemerkt radicaliseren.

Op scholen zou debat kunnen helpen tegen radicalisering, denkt Modood. „Klagen mag, ook over discriminatie van Aziaten op de werkvloer en over de oorlog in Irak. Dan komt er tenminste een open discussie.’’

Rabia Wodud (32), Brits-Bengaalse, zou het fijn hebben gevonden als de school van haar vier kinderen een thema-avond over de nasleep van de aanslagen zou hebben georganiseerd. Maar ze ziet het er voorlopig niet van komen, de leerkrachten hebben het te druk met de laatste dagen voor de vakantie. Boven een kopje thee in haar huiskamer vertelt Wodud over de vrouwengroep in het buurthuis in Bromley-by-Bow in East End.

Elke donderdagochtend wordt er gepraat over opvoeding, zorg, religie en andere onderwerpen die Aziatische moeders aangaan, en zij vertaalt voor degenen die geen Engels kunnen. De donderdag na 7/7 kwam er nauwelijks iemand opdagen, zegt Wodud. Ze denkt omdat ze bang waren voor extreem-rechtse acties. De aanslagen en de gevolgen voor moslims in de buurt zijn het gesprek van de dag. Maar Wodud denkt niet dat het onderwerp ’Opvoeding na 7/7’ gauw op de agenda van de vrouwengroep zal komen.

De oudste zoon, Arman van tien, komt verlegen naast haar zitten. Hij was nogal geschrokken, toen hij op school hoorde van de aanslagen. Maar zijn grootste ergernis was die dag dat de zwemles niet doorging omdat de bus niet reed. Hij wil piloot worden, of advocaat. ,,Joh, dat wist ik niet”, zegt zijn moeder.

Maakt ze zich zorgen over de toekomst van haar kinderen, in een wereld waarin zij verleid kunnen worden zich in te zetten voor heilige oorlog? ,,Ik denk niet zo aan de toekomst. Wat gebeurt, gebeurt. Maar ik zal mijn zoon zeggen dat hij, wat hij ook worden wil, door moet studeren en zich niet moet laten afleiden.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden