De imam als haarlemmerolie/Op naar een moslim-variant van de zuilvorming?

In 1980 bemoeit de overheid zich voor het eerst met imams: in de kwestie van toelating (Circulaire van 10 juni 1980 AJZ 1334/E-633-A-360), d.w.z. dat de huisvesting en het levensonderhoud door de ontvangende organisatie moet zijn geregeld, maar: tegen de komst van de betrokken imam mogen geen bezwaren bestaan op grond van de openbare orde of nationale veiligheid en in eigen land moet een voorlopige verblijfsvergunning zijn verstrekt. (Aantasting godsdienstvrijheid: overheid niet langer neutraal)

ABDULWAHID VAN BOMMEL

Vreemdelingencirculaire B-11, nr. 6.6. spreekt overigens over 'Godsdienstleraren', waarmee diapositief dezelfde verwarring ontstond als bij de opleiding leerkrachten islamitisch godsdienstonderwijs aan de Hogeschool Holland Diemen.

In 1986 is er opnieuw sprake van overheidsbemoeienis: Hoge Raad 30 mei 1986 stelt imams gelijk met priesters, rabbijnen en dominees, dit is een blijk van erkenning en gelijkwaardigheid.

De Nederlandse overheid kan echter niet bemiddelen bij arbeidsgeschillen van geestelijken met hun besturen, waarmee de arbeidsrechtelijke afhankelijkheid van moskeebesturen nog wordt versterkt: - het aanvragen van ontslagvergunning is voor een moskeebestuur niet nodig, de imam heeft geen recht op: kinderbijslag; WW, WAO en ziektewetuitkering. De imam wordt hiermee praktisch uitgesloten van de Nederlandse sociale zekerheid.

De juridisch-maatschappelijke positie van de imam is al jaren een bron van zorg. Voordat over de opleiding wordt gedebateerd zou men eens aan het andere eind van de lijn moeten kijken? Vooral binnen de Marokkaanse moslimgemeenschap is er vaak sprake van vrij willekeurige ontslagprocedures tussen moskeebestuur en de imam. Normaal kan de directeur van het gewestelijk arbeidsbureau daarbij ingrijpen of bemiddelen, nu zullen de imams aansluiting moeten zoeken bij een bedrijfsvereniging of vakbond, of er zelf een moeten oprichten.

Een imamopleiding in Nederland wordt in 1983 door de Commissie Waardenburg en in 1993 door Mulder-van Dam van het CDA wenselijk geacht in het kader van het integratieproces. Vanuit het ministerie van onderwijs vergaderde de Onderwijsraad met IOT, Turkse Ambassade, Hogeschool Diemen en later met moslimorganisaties en stelde een projectgroep imamopleiding in. Begin 1995 zegt staatssecretaris Netelenbos op middelbare scholen een opleiding tot imam te willen realiseren. Pas toen begon Bolkestein (in Trouw 4 februari 1995) te kraaien. Kort daarna vonden ongeveer tegelijkertijd drie initiatieven plaats. Islam in West-Europa, een doctoraalopleiding islamologie aan de Rijks Universiteit Leiden, de Stichting Bijzondere Leerstoel Islam mede op initiatief van het Amsterdams Centrum Buitenlanders en de HBO-opleiding leraar islamitisch godsdienstonderwijs aan de Hogeschool Holland in Diemen.

Voordat november 1996 het verslag met aanbevelingen en conclusies van de rondetafelbijeenkomsten rond het thema 'De rol van de moskeeën bij het integratieproces in de Nederlandse samenleving' onder de titel: 'Vertel mij eens, wat bedoelen jullie met integratie?' van de Stichting Leerstoel Islam verscheen en nadat in het voorjaar van 1996 'Verslagen van rondetafelgesprekken integratiebeleid van de kant van de directie coördinatie integratiebeleid minderheden' het licht zag, vond er een discussie plaats over overheidsbemoeienis met imamopleidingen die van het NRC Handelsblad naar Trouw bewoog. Kort samengevat werd de discussie begonnen en afgesloten door de heren Koningsveld en Shadid die erop wezen dat alle pleidooien voor een Nederlandse imamopleiding van politici, ambtenaren en theologen een nogal paternalistisch karakter hadden. Zonder dat moslims erom vragen worden er stappenplannen en onderzoeken naar een draagvlak voor een Nederlandse imamopleiding geëntameerd en voor de zoveelste keer werd aangedrongen op een gezaghebbend 'kerkelijk' lichaam door en voor moslims.

Als derde punt van overheidsbemoeienis werd aangevoerd dat de imam ten dele doorgeefluik voor het Nederlandse integratiebeleid zou worden. Er werd duidelijk gemaakt dat het godsdienstig leergezag van de islam de individuele verantwoordelijkheid van de moslimgelovigen voor de inhoud van hun geloofsbeleving niet weg neemt. Al met al lijkt het een vrij onzinnige veronderstelling te denken dat de imam als haarlemmerolie de constipatie op het gebied van integratie zou verhelpen. Alles op een imamkaart zetten lijkt slecht beleid.

In zekere zin is de moskee - vooral voor jongeren - een doodlopende straat geworden. Als je mensen niet opleidt tot gelovend individu, tot mensen die vanuit zichzelf geloven, dan overleeft het geloof niet. In die zin zou de functie van de imam juist gedecentraliseerd moeten worden. Kennis van de islam moet over de hele 'gemeente' worden verspreid, zodat men bewust zijn/haar eigen keuzen kan maken.

Een isolationistische islam heeft geen boodschap voor Nederland. Ook voor moslims is het belangrijker een bewustwordingsproces binnen de Europese liberaal-democratie door te maken, dan alleen maar hun eigen dingen in de moskee te doen. Als dat niet gebeurt loop je kans dat die veel afgebeelde (nogal plomp beminarette) moskee in Zaanstad over tien jaar een exotische supermarkt is.

In die zin is de opmerking dat integratie niet via de moskee zou (kunnen) gaan weer paternalistisch. Misschien gaan we onvermijdelijk op een islamitische variant van emancipatie via tijdelijke zuilvorming af, om tot een nieuwe Nederlandse moslimidentiteit te komen. Maar hebben we daar nou imams bij nodig?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden