DE HOVENIER VAN HET LICHTPALEIS AAN DE AMSTEL NEEMT AFSCHEID

Al tien jaar draagt Jan Hofstra bij speciale gelegenheden een krom gebogen zilveren kopspeld op zijn revers. Waarschijnlijk weten maar weinig mensen dat alleen technici die al een kwart eeuw achter het voordoek van het theater werkzaam zijn, de Zilveren Krommert van de Vereniging van schouwburg- en concertgebouwdirecties mogen dragen. Jan Hofstra, na 32 jaar de scheidende 'lichtregisseur' van Het Nationale Ballet, heeft al recht op de Gouden Krommert. “Eigenlijk verkeer ik al vanaf mijn vijftiende in de ban van het belichten.”

Sinds 1960 laat hij dansers en acteurs in zijn strijklicht met de eer strijken. Nu hij met de vut gaat heeft Het Nationale Ballet, zijn vaste werkgever sinds 1963, een voorstelling aan hem opgedragen en hem na afloop in een bad van applaus, bloemen en zijn eigen licht gezet. Het alarmsysteem in de zekeringskasten ging er bijna van piepen.

Een terecht eerbetoon, want niet alleen in de balletwereld is Jan Hofstra een begrip geworden. Geen theaterdienst in Nederland die hem niet kent. Behalve werkpaard is hij een wandelende encyclopedie; hij weet als geen ander hoe HNB reilde en zeilde, en behoort met Reuven Voremberg en Toer van Schayk tot de laatste der Mohikanen, die nog door Mevrouw Sonia Gaskell zelve zijn aangenomen.

Tot zijn eigen favoriete balletten van al die honderden die hij uitlichtte, rekent hij de 'Romeo en Julia' (1967) van Van Dantzig-Van Schayk, met hun 'Zwanenmeer' (1988) als goede tweede. Maar ook Van Manen-klassiekers als 'Adagio Hammerklavier', 'Grosse Fuge' en 'Vijf Tango's' zijn hem dierbaar. Met evenveel nostalgie memoreert hij het dierenballet 'Jungle' of de Balanchine-balletten 'Symphonie in C' en 'Four Temperaments'. Balletten op moderne plingplong-muziek doen hem minder. Toch was het juist de combinatie van modern en klassiek ballet die hij altijd zo leuk vond.

Zaterdagavond neemt hij bij het feestje ter afsluiting van dit seizoen afscheid, maar niet om op zijn lauweren te gaan rusten. Binnenkort moet hij twee Van Manen-balletten in Bonn, Rome en Nice belichten. Van artistiek leider Wayne Eagling en Dick Hendriks ontving hij al een brief, dat hij als stand by nodig zal blijven. Er is immers niemand meer die de tientallen belichtingsschema's van het oudere repertoire van Het Nationale Ballet kent. Voor de aanstaande herinstudering van 'Voor tijdens en na het feest' van Toer van Schayk en 'Ramifications' van Rudi van Dantzig is hij al onmisbaar verklaard.

Geboren in 1935, dus hartje crisis, werd hij er tijdens de oorlog door zijn ouders op voedselstrooptochten gestuurd. In zijn ouderlijk huis nabij de Wilhelminabrug in Leiden vlogen kogels door de ramen en leerde hij hoe bloembollen smaken. “Dit nooit meer”, wist hij. Zijn hele leven bleef hij de sociaal-democratische gedachte trouw, al twijfelt hij soms wel aan de regeldrift en beschermingsdrang, waardoor onze maatschappij steeds meer wordt geplaagd.

Als jongetje van vijftien werd hij in 1950 monteur bij Cino-techniek, een Amsterdams verhuurbedrijf van filmapparatuur. Na zijn opleiding aan de Technische School tot elektricien en instrumentenmaker en een avondcursus in radiotechniek maakte hij ontwikkelapparatuur voor de film- en fotodienst van het leger en werkte met 35 mm-camera's voor de Polygoon-journaals.

Na elf jaar stapte hij samen met zijn vrouw Riet over naar de wereld van theater en revue. Toen het impresariaat voor reclameshows in Bilthoven stuk liep, ondanks “de hartstikke goeie ploeg mensen”, kreeg hij de tip, dat ze bij Het Nationale Ballet in de schouwburg aan het Leidseplein een belichter nodig hadden. En zo is het gekomen.

Zijn opus magnum is ongetwijfeld het ontwerp, de organisatie en de aanschaf van het lichtplan in het Amsterdamse Muziektheater. Aanvankelijk was hij onder het directoraat van Sonia Gaskell en later Rudi van Dantzig niet alleen de man, die nog met de hand de antieke straalkachel-weerstandenkast met schuifweerstanden bediende; hij was ook belast met het laden en lossen van decors en rekwisieten, met de geluidskwaliteit en met alles wat bij voorstellingen zowel binnens- als buitenshuis moest gebeuren.

Hij werd dus een stressbestendige duizendpoot, die bovendien heel weinig thuis bij zijn vrouw en zoon in Soest kon overnachten. Hoe vaak nam hij niet genoegen met de 'potenkist', de kist waarin de linnen toneelpoten zo'n heerlijk, naar theater ruikend nestje vormden.

Er werd toen nog niet in blokken geprogrammeerd, en per voorstelling werden andere balletten uit de kast gehaald. Achteraf was het gekkenwerk. Maar ach, hoeveel generatiegenoten die als tiener en twintiger aan de wederopbouw werkten, denken dat niet? Hofstra behoort tot de generatie die met het arbeidsethos van 'niet praten maar poetsen' ouder werd.

“Neemt niet weg dat ik best van ouwehoeren houd, hoor! Bij zijn speech wees Dick Hendriks daar nog fijntjes op.” Tot vakbondswerk heeft hij zich nooit geroepen gevoeld. In zijn werk zag hij, zeker na de verhuizing naar het Waterlooplein, hoe efficiency tot een enorme versnippering in specialismen leidde.

Zijn sollicitatie en eerste maanden bij Gaskell in 1964 zal hij niet licht vergeten. “Mevrouw had de gewoonte met van alles tegelijk bezig te zijn, gaf je daardoor een gevoel van minderwaardigheid. Vooral dansers hield ze verschrikkelijk onder de plak. Die kropen en sidderden echt voor haar. Na drie maanden ben ik tegen haar uitgevallen waar anderen bij waren. Ik pakte dus mijn biezen, maar zocht haar de volgende dag wel op, om mijn excuses aan te bieden. Maar ik zei haar ook, dat ik geen woord van mijn verwijten terug nam. Ze keek me aan, stotterde dat ze helemaal niet wilde dat ik ging en dat we het moesten uitpraten.”

“Heel gek, maar vanaf dat moment werd ik ook een soort vertrouweling van haar. Tijdens buitenlandse tournees bestempelde ze mij tot de bewaker van de geldbuidel van haar groep. Ik deed dat, zonder te weten hoeveel er in zat. 'Jij moet mee', zei ze altijd, als ze belangrijke besprekingen moest voeren.”

16 april 1979, de dag dat tot de bouw van het Muziektheater op het Waterlooplein werd besloten, was ook voor hem een mijlpaal. Een jaar later stapte het Ballet voor de lichtstanden over op een reiscomputer. Op reis hoefde dan alleen nog een schijfje meegenomen te worden. Sindsdien werd de lichtkast driemaal vervangen voor een kleinere en lichtere met de nieuwste snufjes, en ontpopte Hofstra zich als de deskundige en spreekbuis op belichtingsgebied.

In overleg met de Opera, de andere vaste bespeler van het Muziektheater, zorgde hij voor een repertoire-instelling, naar Amerikaans en Engels voorbeeld. Hierdoor wordt het podium (18 meter breed en 14 meter diep) in 25 afzonderlijk te belichten vlakken verdeeld. Daar zijn in totaal meer dan 400 schijnwerpers mee gemoeid. “De meeste toeschouwers realiseren zich niet, onder welke verblindende druk de dansers op het toneel bewegen.” Hofstra's lichtplan biedt als voordeel dat Ballet, Opera en gastgezelschappen gemakkelijk alternerend kunnen optreden, zonder dat alles telkens helemaal herbouwd hoeft te worden.

Hoewel het gezelschap hem in staat stelde in alle grote theaters zijn licht op te steken, bleef de lichtdeskundige zelf honkvast. Na dertig jaar kan hij als vut'er de vele vruchten van die investering plukken. Zelf zag hij het als een groot voorrecht om voor dit ene gezelschap te mogen blijven werken. De drie huis-choreografen (Van Dantzig, Van Schayk, Van Manen) beseften bijtijds maar al te goed de betekenis van die trouw, en wisten hem met de opzet van de gigantische Technische organisatie Muziektheater (TOM) ecxlusief voor Het Nationale Ballet te behouden.

Met de ingebruikname van zijn eigen lichtplan gingen Hofstra's creatieve gaven dus niet verloren in het managen van de nu 33 man sterke belichtingsdienst. Hij werd lichtontwerper, al prefereert hij zelf de titel 'lichtregisseur'.

Sinds kort houdt hij zich ook met exposities bezig. Hij ontwierp de belichting van de nieuwe Zuidvleugel van het Rijksmuseum en ook de Jan Steen-expositie zal binnenkort in zijn licht (met geheimhouding van de verborgen lichtbronnen) te zien zijn.

Hofstra, de hovenier van het lichtpaleis aan de Amstel, kan binnen een halve minuut alle stoppen laten doorslaan en de zekeringskasten van het transformatorhuis in brand zetten. Door hem hangt er het dubbele wattage in huis van wat je mag laten branden.

Zo'n man had al lang de erepenning van de stad Amsterdam moeten hebben. Een door het rijk bekostigde sprinkler-installatie in zijn eigen huis, met kasten vol lichtschema's van balletten (1 bladzijde per 1 minuut) zou evenmin een overbodige luxe zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden