Review

De houten marionetten van Milo Anstadt

Maatschappelijke engagement moge in de Nederlandse literatuur momenteel slechts met een zaklantaarntje te vinden zijn, in het oeuvre van Milo Anstadt is het vurig verzet tegen de ondergang van het avondland nooit gedoofd. In zijn jongste roman, 'De wankele rechtsgang van Albert Kranenburg', zoekt hij in toon en opzet meer aansluiting bij cultuurpessimisten als Aldous Huxley, Oswald Spengler en Menno ter Braak dan bij zijn egomane tijdgenoten.

Als journalist voor Vrij Nederland en de Vara stak Milo Anstadt al nimmer iets onder stoelen of banken. Voor wie zijn autobiografische boeken 'Jonge jaren, Polen - Amsterdam 1920-1940' en 'De verdachte oorboog' een beetje kent, valt die strijdbare houding te begrijpen. Anstadt ontvluchtte als joods jongetje met zijn familie de armoede van Polen en kwam naar Nederland. Die tocht was in zeker zin tevergeefs. Met de inval van de Duitsers in mei 1940 haalde de geschiedenis het gezin Anstadt op een verschrikkelijke manier in.

Ondanks het scherpe oog voor misstanden dat Anstadt in die en latere tijden ontwikkelde, vertonen zijn boeken een behoorlijke intellectuele afstand ten opzichte van zijn eigen alter ego. In 'De verdachte oorboog' (de titel verwijst naar een vermeend kenmerk van het joodse ras) beschreef hij zichzelf niet als ik-figuur, maar als een 'hij'. “Hij die zich de vrijheid permitteerde gegevens te selecteren en gedragingen van meer dan vijftig jaar geleden aan een moreel oordeel te onderwerpen, was feitelijk een ghostwriter”, schreef Anstadt in het nawoord.

In zijn nieuwe roman toont Milo Anstadt op het eerste gezicht nog meer distantie dan in zijn autobiografische boeken. Hij heeft een fictieve hoofdpersoon in leven geroepen, de officier van justitie Albert Kranenburg. Toch wordt ook Alberts karakter getekend door Anstadts verpletterende vermogen tot doemdenken én relativeren.

Eigenlijk is dat, de verhouding tussen afstand tot en betrokkenheid met de wereld, het wezenlijke thema van deze roman. Steeds raakt Albert Kranenburg verzeild in nieuwe politieke discussies, die hem prikkelen de grenzen van zijn denkwereld af te tasten.

De gesprekken beginnen als Albert in de jaren zeventig rechten gaat studeren en wordt geconfronteerd met de cynische opvattingen van zijn leermeester Giso. Later komen daar de discussies bij met zijn beste vriend, de joodse schrijver David Ascher, die een zeer moeizame verhouding heeft tot zijn eigen achtergrond.

Na een dikke tweehonderd bladzijden vol geladen gesprekken en de zelfmoord van David, komt Albert via Giso terecht in een groepje intellectuelen dat zich zorgen maakt over de toekomst van de rechtstaat in Nederland. Deze club van bezorgden heeft veel weg van het Comité van Waakzaamheid, dat Menno ter Braak in 1936 oprichtte om luid en duidelijk tegen de filosofie en de daden van de Nationaalsocialisten te protesteren.

Albert komt uiteindelijk - in het heden, dus zonder de directe dreiging van een fascistische dictatuur - tot de conclusie dat hij niet afzijdig kan blijven, maar zijn donkere ideeën over criminalisering wereldkundig moet maken. Voor zijn eigen comité van waakzaamheid schrijft hij een uitvoerig essay over misdaad en macht:

“Misdaad moge dan iets van alle tijden zijn, de aard en de omvang die het verschijnsel in de wereld van vandaag aanneemt, zijn geheel nieuw. Dit probleem beangstigt en schokt ons meer dan al die andere dreigingen, die verder weg lijken te zijn. Het is het wijdverbreid onbehagen over de ontwikkeling van de criminaliteit dat mij motiveert een beeld van een mogelijke toekomst te schetsen. Mijn scenario heeft geen wetenschappelijke pretentie. Het is in de eerste plaats een waarschuwing en berust op de verbeelding, zoals die ook de grondslag vormde van de romans van Huxley en Orwell. Ik ga uit van de principiële onmogelijkheid de toekomst langs rationele weg te doorgronden. Wat er overblijft is intuïtie; wanneer die werkzaam is ontstaan profetieën die - soms - bewaarheid worden.”

De overdaad waarmee dit soort bevlogen passages in de roman een plaats krijgen, moet de urgentie van Anstadts engagement aantonen, maar is tegelijk de achilleshiel van de roman. De schrijver heeft namelijk verzuimd van alle over elkaar heen buitelende maatschappelijke dilemma's literatuur te maken. “Het noodlot sloop op kousenvoeten Alberts bestaan binnen”, staat er, vrij aan het begin van de roman. Maar anders dan Anstadt wil suggereren, verloopt de trieste en louterende ontwikkeling van zijn hoofdpersoon langs voorspelbare lijnen der geleidelijkheid.

Vanzelfsprekend is Albert als officier van justitie niet alleen iemand die criminelen voor de rechter daagt, maar is hij ook degene die wordt berecht - door het leven zelf. Het verhaal van Albert Kranenburg is één grote intellectuele en menselijke beproeving. Geboren in een rijk gezin, gezegend met een goed stel hersens en met de wind in de zeilen van de carrière worden hem gedurende de roman allerlei zekerheden afgenomen, wat hem - om in het politieke jargon te blijven - zijn positie doet heroverwegen.

Het is jammer dat de stijl, waarin het boek is geschreven, identificatie met Alberts wankele Werdegang onmogelijk maakt. Anstadt raffelt het verhaal hier en daar af ten faveure van de essayistische passages.

Zo blijven Albert en de andere personages houten marionetten aan de hand van de politieke filosofieën van de schrijver. Dat wreekt zich vooral in de dialogen en in de stroeve overgangen tussen alinea's, die in een betoog wellicht minder zouden opvallen dan in een roman. Een zin als “Albert was Abma erkentelijk voor zijn uiteenzetting” kom je in proza gelukkig nog maar zelden tegen. Evenmin is het aannemelijk dat iemand bij zichzelf plechtstatig vaststelt: “Gelukkig ben ik God niet.” Maar ja, bij Anstadt ziet iemand er dan ook niet jong uit, maar heeft zonder een spoortje ironie “patent op het behoud van een jeugdige verschijning”.

Weinig fijnzinnige en jargonmatige zinsneden als “de daaruit voortvloeiende slachtofferrol van het Joodse volk” of “gebondenheid aan ideologische overtuiging” doden de laatste restjes spanning in de roman van Milo Anstadt. Zelfs de schietpartij uit de hoge hoed van de schrijver kan het boek niet redden. Het noodlot zwelt niet tergend aan, noch knijpt het je de keel dicht, zoals in de romans van Huxley en Orwell die Albert Kranenburg met zoveel waardering noemt.

Voor dat tragische, wurgende effect is 'De wankele rechtsgang van Albert Kranenburg', hoe politiek oprecht en met verstand van zaken Anstadt zich ook toont, te houterig geschreven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden