De horde vormde een couveuse

“Op de drijvende eilanden werden de mensenhoofden opmerkelijk groot, de vrouwen opmerkelijk mooi, de kinderen opmerkelijk infantiel, de eigen doden opmerkelijk onvergetelijk.” Honderdduizend jaar vóór Athene ontstonden de eerste politieke samenlevingen: gezellig en klein, als vlotten op een lege zee. Vervolgens kwam het tijdvak van kustscheepvaart, waarin men koers zette naar riskante verten vanuit een groots visioen. Het derde tijdperk is dat van superveerboten, die onbestuurbaar een zee van drenkelingen doorkruisen. De ethicus Frits de Lange over het nieuwe essay van de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Peter Sloterdijk: In hetzelfde schuitje. Proeve van een hyperpolitiek; De Arbeiderspers; 92 blz. ¿24.90 Dr. F. de Lange is hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen.

Maar stel dat het waar is dat de wereld een dorp is geworden, wie regeert dan dat dorp? Is de democratie wel oprekbaar tot wereldschaal? De vraag naar de politiek vormt de vergeten achilleshiel van menige optimistische globaliseringsutopie. We willen best allemaal een wereldsamenleving, maar gruwen van de idee van een wereldregering. Toch vormt de vraag wie de macht zal hebben in het Dorp Wereld een blinde vlek in het doorgaans ver achter de horizon reikend oog van multinationale managers en Internetfreaks.

Die lacune wenst de Duitse filosoof Peter Sloterdijk op te vullen in zijn essay In hetzelfde schuitje, dat net in vertaling is verschenen. Een boek dat wellicht meer vragen oproept dan beantwoordt, maar dat desondanks een welkome steen in de vijver werpt van het zorgeloze globaliseringsoptimisme.

Sloterdijk is een omstreden denker, even verguisd als bewonderd. Voor de een is hij de nieuwe Nietzsche, voor de ander een buitenaardse gasthoogleraar. Hij brak in 1983 door met zijn Kritik der zynischen Vernunft, een originele cultuuranalyse waarin hij het failliet van de Verlichtingscultuur constateert en als alternatief voor haar cynisme een lans breekt voor een speelse, hondse vorm van denken en leven die niet Plato of Kant tot filosofisch model kiest, maar de spotlustige Diogenes in de ton.

Nadien volgden onder meer nog een pleidooi voor een westerse levenswijze in het teken van de oosterse gelatenheid (Eurotaoïsme) en een essay over Europa, waarin hij een krachtige Europese politiek voorstaat, die zich heroriënteert op haar culturele wortels, opdat Europa meer zal worden dan een dependance van Verenigde Staten.

De toon in al zijn werk is profetisch en apocalyptisch, de stijl barok en zwaar Duits. De lezer wandelt een donker bos binnen, en stuit slechts af en toe op een beetje blauwe lucht of een straaltje zon. Maar plezier houdt men ondanks dat altijd aan Sloterdijk over, want zijn stijl is een feest.

In hetzelfde schuitje gaat over politiek. Als we onder politiek de kunst verstaan om mensen bijeen te houden met het oog op hun gemeenschappelijk welzijn, dan zouden we haar - met een knipoog naar Bismarck - beter de kunst van het onmogelijke kunnen noemen. Het bijbelverhaal van de torenbouw van Babel documenteert de doem tot mislukking van elke poging tot duurzame eenheid. In de ogen van Sloterdijk verdedigt het verhaal de stelling “dat de stad wel moet mislukken opdat de tribale samenleving kan floreren”. En dat in juist een tijd waarin de eerste hoogculturen ontstaan, die op gang zullen brengen wat we later 'wereldgeschiedenis' zijn gaan noemen.

Een tijd ook, waarin de basis wordt gelegd voor de Griekse filosofie, die voor het eerst het begrip 'mensheid' zal ontwikkelen. Van meet af aan zit daarin volgens Sloterdijk de paradox van de politiek besloten die in het verhaal van Babel wordt blootgelegd: wij vormen met diegenen een geheel, met wie we geen geheel vormen. Wat we 'samenleving' noemen is een onmogelijke constructie of, zoals Kant het omschreef, een vorm van ungesellige Geselligkeit.

Dat we voor die onmogelijkheid blind zijn geworden, komt doordat we denken dat de politiek eerst met het staatsmanschap van de burgers in de Griekse stadstaat (polis) begint. Maar dan laten we de strijd om de politiek beginnen bij wat als haar eerste grote overwinning mag worden beschouwd: de vaardigheid om nuchter en koel in grotere menseneenheden te denken en te handelen. Dat vereist de zelfbeheersing en het abstractievermogen van een speciale getrainde klasse van “politieke atleten die het samen zijn in het groot van jongsaf aan als een soort mentaal gewichtheffen oefenen”, en die kwamen niet uit het niets voort.

Deze gekweekte homo politicus is het product van een eeuwenlange voorgeschiedenis, die tot ver in de duistere oorsprongen van de homo sapiens terugreikt. Sloterdijk wil het spoor van die geschiedenis terugvolgen. De politiek begint volgens hem niet pas in Athene, maar zo'n honderdduizend jaar eerder, in de oerhorde, aan het prille begin van de menselijke evolutie. Sloterdijk verdeelt de geschiedenis in drie perioden, die hij het label meegeeft van achtereenvolgens de 'paleopolitiek', de 'klassieke politiek' en de door hem zo gewenste 'hyperpolitiek', het tijdvak waar we nu nodig aan moeten beginnen. Door zo het tijdsperspectief tot in de prehistorie op te rekken, lukt het hem te laten zien dat we aan een andere vorm van politiek toe zijn dan die we de laatste 2500 jaar gewend waren.

Het eerste tijdperk van de paleopolitiek, aldus Sloterdijk, werd gevormd door oude jagers- en verzamelaarsculturen, die domineerden totdat zij werden afgelost door de lokale imperiums en koninkrijken die het tweede tijdperk kenmerkten. Het Griekse denken gaf deze politiek haar sindsdien klassiek geworden vorm. Het industrialisme luidde vervolgens het einde van deze, en het begin van de derde vorm van politiek in, de 'hyperpolitiek', die zichzelf zal moeten bewijzen in de wereldwijde communicatiegemeenschap die nu door techniek en markt wordt geschapen.

Om deze driefasentheorie van de mensheid in beeld te brengen, vergelijkt Sloterdijk de eerste periode met vlotten, waarop kleine groepen mensen door reusachtige tijdruimten drijven; de tweede is dan het tijdvak van kustscheepvaart, waarin men koers zet naar riskante verten vanuit een groots visioen; de derde is het tijdperk van superveerboten, die vrijwel onbestuurbaar vanwege hun kolossale afmetingen een zee van drenkelingen doorkruisen. Dat laatste beeld voorspelt weinig goeds, en laat al blijken dat Sloterdijk de kansen voor zijn gewenste hyperpolitiek vooralsnog nogal laag inschat.

De paleopolitiek (van het Griekse palaios, oud, lang geleden) voert ons terug naar de tijd dat de eerste mensen zich aaneensloten tot kleine horden, om te kunnen overleven te midden van een weinig genereuze natuur. Politiek had toen nog niets met de luxe vraag naar de kwaliteit van leven van doen. De kunst van het mogelijke bestond hierin dat er in een wereld van schaarste en vol risico's telkens nieuwe mensen uit de aanwezige oudere tot leven werden gewekt. Paleopolitiek is het wonder van de herhaling van de mens door toedoen van de mens. Het is de kunst om zich in kinderen te herhalen.

De oerhorde fungeerde daartoe als een moederlijk, warm nest, dat met behulp van een soort emotioneel broeikaseffect de leden van de groep door ritmiek, muziek, rituelen en taal aan elkaar smeedde. De horde vormde zo een couveuse, een kweekplaats voor de mens die buiten de groep niet kon bestaan. Ruimte voor individualiteit was er binnen deze broedplaats niet. Maar zo ontwikkelde zich de homo sapiens, binnen het organisme van de horde, tot de biologische buitenstaander die hij nu is: “Op de drijvende eilanden van de oude kleine groepen werden de mensenhoofden opmerkelijk groot, de huid opmerkelijk dun, de vrouwen opmerkelijk mooi, de benen opmerkelijk lang, de stemmen opmerkelijk gearticuleerd, de seksualiteit opmerkelijk chronisch, de kinderen opmerkelijk infantiel, de eigen doden opmerkelijk onvergetelijk.”

In een meeslepende vertelling, ongetwijfeld een mengeling van Wahrheit und Dichtung, schetst Sloterdijk hoe de kleine groep voor de oermens een soort psychologische globe vormde, een sociale uterus, die als een veilige stolp de grenzen trok tussen het eigene en het vreemde, het vertrouwelijke en het gevaarlijke.

Zo ontstond de mens die wij kennen en zijn: inlevingsvermogen, gevoelens van liefde, nieuwsgierigheid, wijsheid en waakzaamheid werden allengs zijn deel. Maar paleopolitiek bleef de kunst van het mogelijke in het klein - de kunst om klein te blijven, omwille van het hoogste goed, de voortgang van het bezielde leven.

De klassieke politiek leerde echter gaandeweg in het groot te denken. De horden verenigden en vestigden zich, de samenleving werd veelvormiger en complexer. De agrarische samenleving kreeg een stedelijke cultuur als haar pendant. Zij vroeg zich niet alleen af hoe zij de eigen groep kon beschermen tegen de buitenwereld, maar ook hoe het mogelijk is om als groep deel uit te maken van een groter geheel. Vandaar ook dat toen in de Griekse oudheid de eerste staten werden gevormd, de filosofen de kosmos ontdekten.

De Stoa smeedden toen voor het eerst het begrip 'mensheid' en gaven de mens daarmee een plaats onder de wijde sterrenhemel. Niet de horde, maar het universum werd zijn nieuwe thuis. De Griekse burger hield zich dan ook bezig met grote dingen, ta megala, en zag het als zijn grootste politieke deugd om maat te houden. Staatsburgerschap wordt vanaf dat moment het zoeken naar het juiste midden. Voor de Grieken was dat zelfs een synoniem voor humaniteit. Die deugd vereist koele nuchterheid en strenge tucht, een stoïcijnse levenswijze.

Als politiek dier, de zoon politikon van Aristoteles, wordt men dus niet geboren, men wordt ertoe gemaakt met behulp van een harde opvoeding. Voor de klassieke politiek zijn de mensen dan ook niet gelijk: sommigen zijn bestemd om te heersen, anderen om overheerst te worden. Al te clement met de menselijke natuur kan men daarbij niet zijn; politiek is een zaak van snoeien en snijden. Een goede staatsman is als een boer die laat groeien en bloeien, maar hij is tegelijk een soort volkschirurg, die het mes weet te hanteren.

Vanaf toen werd mens-zijn dus meer dan overleven alleen, althans voor de heersende klassen. Alles wat wij inmiddels gewoon zijn bij 'cultuur' te denken, kreeg toen de kans zich te ontwikkelen. Maar we moeten wel oog hebben voor de tragiek van de klassieke politiek die daaraan ten grondslag ligt: er deden zich weliswaar aan vrijgestelden fantastische ontwikkelingskansen voor, een luxe waarbij individualiteiten naar hartelust hun eigen mogelijkheden konden verfijnen. Deze verfijning kon echter alleen tot ontwikkeling komen door een fundamentele sociale tweedeling: enerzijds de filosofisch getrainde enkelingen die het geheel leren te overzien, geprivilegieerden die nergens meer bij horen; anderzijds de gewillige massa die opgaat in het genotzuchtig najagen van eigenbelang en niet verder hoeft te kijken dan zijn neus lang is.

De klassieke politicus behoort tot de eerste mensensoort. Hij waant zichzelf een wereldburger, een kosmopoliet, die denkt in termen van groot, groter, grootst. Maar hij is niet de enige en dat wordt zíín tragiek. De politieke elite van de ene staatsgemeenschap betwist voortdurend de grootheid van de andere. Vandaar dat hoogontwikkelde culturen voortdurend imperiale oorlogen voeren met andere hoogontwikkelde culturen. Voor wie de wereld vanuit zijn eigen perspectief verdeelt in centrum en periferie, kan het niet anders of hij plaatst zichzelf in het centrum en anderen in de periferie. Macht duldt geen concurrentie. Die denkwijze heeft ons tenslotte heel wat conflicten en een bloedige twintigste eeuw opgeleverd, die het failliet van de klassieke politiek demonstreert.

Staten blijken monsters te zijn die om mensenoffers vragen, als men ze hun gang laat gaan - Thomas Hobbes gaf het al aan met z'n Leviathan. Nationale grootheidswaan heeft daarom zo langzamerhand alle geloofwaardigheid verloren. Zo'n zes miljard mensen in meer dan honderdnegentig nationale staten leven vandaag als verweesde veelheden in een ontzaglijk wereldlandschap naast elkaar, zonder dat ze het politieke symbool bezitten dat hen het gevoel geeft bij elkaar te horen. De eenheidsgedachte van een wereldregering of de superioriteitsidee van een nationale grootmacht is niet in staat hen aan elkaar te binden.

Hoe nu politiek bedrijven in een planetaire samenleving, die ondertussen wel economisch en technologisch steeds meer tot een grote stofwisselingsgemeenschap samenklontert? Moet deze superbeschaving niet door een superregering worden geregeerd?

Sloterdijk gruwt van deze gedachte, en stelt een andere, nieuwe vorm van politiek voor, de hyperpolitiek. Hyper is Grieks voor: meer dan, maar ook voor: in plaats van. Zo moet de hyperpolitiek in plaats komen van, en tegelijk méér zijn dan de centraliserende machtspolitiek van het klassieke tijdvak. Of hyperpolitiek mogelijk zal zijn en hoe zij eruit zal zien? Sloterdijk is daar somber over en trekt liever de profetenmantel aan. We horen dus niet van hem hoe het wel moet, maar des te meer hoe het niet moet. Eigenlijk, zo begint hij dan weinig opwekkend, zijn we als homo sapiens ook helemaal niet op een mondiale taak berekend: wij blijven psychologisch en moreel achter bij de hoge eisen die de technologische wereldsamenleving ons stelt. Wij zijn als mens gewoon een maatje te klein voor de grote wereld.

Er worden steeds grotere eisen gesteld aan de kunst van het bij-elkaar-horen, maar de eerste politicus die “de staatsatletiek van de mondialiteit” onder de knie heeft gekregen, moet nog geboren worden. Het gestuntel in het Europa na Maastricht wijst op de verwarring die er in dit opzicht heerst. Politiek bedrijven heeft veel weg van een chronische bijna-kettingbotsing op een mistige autosnelweg. Plezier aan het bij elkaar horen is er niet bij; wij jagen achter elkaar aan en doen er ondertussen alles aan om conflicten te vermijden.

Er zullen, zo vermoedt Sloterdijk, dan ook steeds meer verzetsbewegingen tegen de grootschaligheid ontstaan, die op het niveau van het lokale en individuele wraak zullen nemen tegen het mondiale. De huidige scepsis over de Europese gemeenschap kan daarvan een kleine voorbode zijn. Velen zullen zich radicaal afwenden van elke vorm van politiek met een vijandig soort onverschilligheid. Anderen zullen zich vastbijten in regionale en etnische identiteiten en in een regressie naar voren hysterisch de wapens grijpen voor het voeren van burgeroorlogen. Het voormalig Joegoslavië kan dan overal komen te liggen.

Moet er dan niet snel een nieuwe overkoepelende symbolische structuur geschapen worden die het samenleven in de globale samenleving wel weet te sturen en te stimuleren? Sloterdijk denkt van niet en raadt dat ook ten sterkste af. Fascisme en communisme hebben in onze eeuw laten zien welke totalitaire systemen kunnen ontstaan als men kleinschalige ervaringen met bijvoorbeeld klasse of volk op grote schaal wil realiseren. Hyperpolitiek zal daarom een politiek van kleine gemeenschappen moeten worden. Zij zal de paleopolitiek voortzetten, maar dan met andere, moderne middelen. Als de grote ordeningen in gruzelementen vallen, dan kan de kunst van de saamhorigheid alleen vanuit kleine ordeningen opnieuw opbloeien.

Als ik Sloterdijk hier goed begrijp, wil hij in de 21ste eeuw de oerhorde weer rehabiliteren, al is het dan wel in een beschaafde vorm. Hij voert een pleidooi voor geciviliseerde cultuurcellen waarin de medemenselijkheid wordt geoefend en bewaard. Kleine groepen in een onherbergzame cultuur, vitale vertel- en leefgemeenschappen, die net als in de Boccaccio's veertiende eeuw te midden van de rondwarende Zwarte Dood toch met elkaar een Decamerone weten te scheppen.

Wie zullen dat zijn, deze redders van de beschaving? Als we Sloterdijk moeten geloven, zullen dat de hyperindividualisten kunnen zijn die nu nog op hun luxe eenpersoonsappartementen in de steden wegkwijnen. Zij vormen voor Sloterdijk het decadente zinnebeeld van de laatste mens, die tegelijk weer de eerste van een nieuwe tijd zou kunnen worden. Enerzijds vormen deze op zelfontplooiing gerichte levenskunstenaars de bekroning op duizenden jaren cultuurontwikkeling en strijd om de kunst van het samenleven; anderzijds weigeren ze gehoor te geven aan datgene waar het bij de oerhorde ooit mee begon: de hardnekkige wens zich in een ander voort te planten. De steriele postmoderne appartementenbewoner verstaat zichzelf liever als de laatste mens, die bezig is met laatste dingen.

Maar zo kan de honderdduizend jaar geschiedenis toch niet eindigen? Sloterdijk besluit zijn boek dan ook met een constatering, die tegelijk het karakter van een wanhopige oproep draagt: “Daarom is hyperpolitiek - wat ze verder ook zijn moge - de eerste politiek voor de laatste mensen.” Het weidse mondiale perspectief waarmee het essay opende, lijkt zich zo aan het slot te verengen tot het niveau van het grachtengordeldilemma kind of carrière. Het is de ironische illustratie van Sloterdijks eigen waarschuwing, dat we ons eigen kleinschalige samenleven maar beter niet model moeten laten staan voor de grote wereld. Alsof de enige hoop voor de global village vanuit een luxe penthouse-op-drie-hoog-met-dakterras zou moeten komen.

En daarmee kom ik dan ten slotte bij de les in bescheidenheid die we uit dit stormachtige essay kunnen meenemen, als de wind van het betoog weer is geluwd: hoe gevaarlijk denken in het groot ook alweer is, allereerst voor politici, maar ook voor filosofen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden