'DE HOOFDSTROOM BLIJFT: AU, SELECTIE'

Helemaal boven in Nederland, op Schiermonnikoog, ziet A. D. de Groot (81) het gelaten aan: hoe Nederland zich opmaakt voor een nieuwe ronde in een oude onderwijsdiscussie: die over de selectie van studenten. Want na twee decennia trouwe dienst begint het Nederlandse systeem van 'gewogen loting' uit de mode te raken. In de jaren zestig en zeventig was De Groot, de psycholoog die de Nederlandse zielkundige aan het testen,tellen en meten zette, in dat debat een zeer omstreden personage. “We kunnen in Nederland ontzettend slecht leven met de gedachte dat iets onrechtvaardig is. De angst om iemand af te wijzen is hier endemisch.” Een portret.

ESTHER HAGEMAN

Tegenwoordig gaat de boot afhouden hem gemakkelijker af. Wie een gesprek wil, moet eerst maar een briefje schrijven, waarover het moet gaan. Wie dat briefje schrijft, moet het nog eens even toelichten. Pas dan gaan we een datum bepalen. “Ik heb er in onderwijskwesties misschien wel reden toe, maar ik heb zo weinig zin om me een oude, teleurgestelde man te tonen”, zegt hij over die terughoudendheid om over onderwijskwesties nog iets te zeggen.

Met 'in ruste zijn' heeft het in elk geval niets te maken: zijn nieuwste boek is net uit, en hij is alweer bezig te schrijven aan het volgende. Perception and memory in chess heet dat nieuwste boek. Daarmee is De Groot terug waar hij in de jaren dertig begon: bij het schaakspel.

Hij was student wiskunde, maar je had in die jaren nog de tijd. Dat is, van alle veranderingen in het hoger onderwijs, volgens De Groot het grootste kwaad. In zijn tijd kon je nog gerust vier, vijf jaar nemen voor het kandidaats-examen, om ondertussen veel te schaken.

De Groots jongste boek is eigenlijk deel twee van zijn proefschrift uit 1946, 'Het denken van den schaker'. Daarin legden schaakmeesters uit welke overwegingen ze tijdens hun zetten allemaal maakten. Deel twee gaat over de waarneming: de oogbeweging van de schaker is gemeten. “Ik had dat boek al veel eerder kunnen schrijven, maar 1968 kwam er tussen. De studentenrevolutie was net uitgebroken toen ik terug kwam van een sabatical in de Verenigde Staten, waar ik de eerste hoofdstukken had geschreven. Meer dan twintig jaar heeft het op de plank gelegen. Tot ik in 1991 een brief kreeg van een jonge Zwitser, Fernand Gobet. Die had gehoord dat ik ongebruikt materiaal had liggen, en wilde dat hebben. Gelukkig heb ik nee gezegd. Gobet kwam, las mijn oude hoofdstukken en zei: ik wil dat boek afmaken. Dat hebben we samen gedaan. Ja, ik ben eerste auteur. Het was mijn oude onderzoek en bovendien ben ik duidelijk de senior: 48 jaar ouder dan hij.”

Behalve de pet van schaker heeft De Groot er nog twee. Hij begon weliswaar als schaker en als student wiskunde, “maar ik voelde wel dat ik in geen van beide ècht goed zou worden. Bovendien wilde ik het onderwijs in.” Hij stapte na zijn kandidaats over op zijn eigenlijke liefde: psychologie. Dat was toen nog geen aparte studierichting, maar onderdeel van wijsbegeerte.

In de psychologie werd De Groot een exacte jongen die het gezicht van het vak ingrijpend zou veranderen. Hij belichaamt er een naoorlogse trendbreuk. Vóór De Groot was psychologie een vak vol onbewezen, filosofische speculaties. Vanaf De Groot werd het een vak waarin getest, geturfd, gemeten en gewogen moest worden voor je iets mocht beweren. De psychologie werd onder De Groot, vanaf 1950 hoogleraar, een empirische wetenschap. In 1961 verscheen zijn boek 'Methodologie. Grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen'. Generaties psychologiestudenten werden door dat boek uit de droom geholpen dat het vak alleen maar beschouwend, of gemakkelijk, zou zijn. Wereldwijd gezien dragen de Nederlandse psychometrici nog steeds veel bij aan de ontwikkeling van het vak - en dat is met De Groot begonnen, schreven de methodologen Van der Heijden en Sijtsma dit voorjaar nog in Statistica Neerlandica.

Maar er is inmiddels ook kritiek. De universitaire psychologie test, turft, meet en weegt weliswaar, maar denkt nog maar zo zelden na. Komende herfst is in Groningen aan dat probleem een lezingencyclus gewijd. De Groot, een beetje gekwetst: “Mijn naam wordt nu soms genoemd als die van een boosdoener. Ik zou geprobeerd hebben van de psychologie een Amerikaanse, empiristische wetenschap te maken, wordt er dan gezegd. Die kritiek vind ik onzin. 'Methodologie' was geen Amerikaans boek. Het was een heel Europees boek. Lever geen nattevingerwerk, zorg dat je tests meten wat je wilt weten en niet iets heel anders, dat was de boodschap. Die was toen nodig, want de psychologie heeft lang bestaan uit mooie ideeën en leuke visies. Het was een zeer on-exact vak, al was er op zich wel een streven naar exactheid. Dat heb ik destijds geprobeerd op te voeren. Inmiddels is het vak methodologie op de universiteit niet meer wat het was. Het heet nu meestal 'methoden en technieken', en die studieboeken staan vol tabellen en formules. In mijn boek stonden er twee. Dus tegenwoordig doe ik niks anders dan de alfa-kant van het vak benadrukken. Maar de mensen blijven praten over de De Groot die ik tot 1965 ben geweest.”

Met 'de alfa-kant van het vak' doelt onder meer op zijn werk over intuïtie, maar ook op zijn Forum-theorie, een geesteskind dat in 1971 werd geboren, maar waarover hij alsnog aan een publicatie werkt. Wat voor doel dient wetenschap nu eigenlijk? Kennis te produceren die waar is, nieuw en nuttig. Maar wat 'waar' is, wordt volgens De Groot vooral in de gammawetenschappen nog maar zelden tussen vakgenoten (het 'forum') uitgediscussieerd. 'Waar' is een vergruisd begrip geworden: elke onderzoeker produceert zijn eigen waarheidjes.

De Groot: “Neem nou de psychoanalyse. Die is nu zo onderhand meer dan honderd jaar oud. Wat vindt de wetenschap er nou eigenlijk van, vraag je je dan af. Antwoord: niks. Want iedereen vindt iets anders. In de gammawetenschappen praten en werken de scholen gerust langs elkaar heen. Het streven om het er onderling over eens te worden wat 'waar' is, is zoek.”

“Eén verklaring daarvoor is, dat gammawetenschappen nou een keer gaan over bijzonder ingewikkelde verschijnselen. Maar een tweede verklaring is: het is veel leuker om op eigen houtje aan je eigen onderzoek te werken, aan je eigen model te sleutelen, dan om het met elkaar te bepraten. En toch is dat fout. Als de wetenschap ophoudt te zoeken naar een gezamenlijke waarheid, dat niet eens meer probeert, dan doet hij z'n werk niet.”

Halverwege de jaren zestig begon De Groot in het onderwijsbeleid een rol te spelen die eigenlijk veel wegheeft van zijn rol in de psychologie. Het begon ermee dat hij in 1966 'Vijven en zessen' schreef, een onderzoek naar de manier waarop leraren cijfers geven. Die hebben elk eigen methoden die sterk verschillen en ook niet erg stabiel zijn. 'Gelijke prestaties, gelijke cijfers' geldt alleen per leraar, en dan nog alleen per jaar en per klas.

In plaats van dat nattevingerwerk was het hoog tijd voor preciezere, objectievere beoordeling. Het oordeel van een leraar heeft per slot van rekening flinke consequenties. De Groot was dan ook een belangrijke motor achter het ontstaan van het Cito, het instituut waar - onder meer - de toets aan het eind van de basisschool vandaan komt. Hij was ook mede-oprichter van de stichting voor onderzoek van het onderwijs, SVO. Je zou De Groot de vader van de multiple choice kunnen noemen, de verwekker van de Cito-toets aan het eind van groep acht, de geestelijk vader van het leerlingvolgsysteem; van alles wat in het onderwijs neigt naar objectief en kwantitatief.

Soms is er dus heel goed geluisterd naar wat De Groot vond, zei en adviseerde. Soms ook niet - en die ervaringen blijken de grootste indruk op hem te hebben gemaakt. “Naar deskundigen wordt hier nauwelijks geluisterd”, heeft hij daar eens over gezegd. Dan had hij het over het onderwerp waarover hij in de jaren zeventig een mikpunt van zware kritiek werd: de selectie voor het hoger onderwijs. Als je wilt selecteren, vond De Groot, doe dat dan op grond van de prestaties. Dat is één. In beginsel moet ook niet de leverancier van kandidaten, de school, de beslissing nemen, maar de instelling die ze opneemt: de universiteit. Dat was twee. Die universiteit kan dan ook de verantwoordelijkheid op zich nemen om de studenten - mits die gewoon hard werken - over de eindstreep te loodsen. Dat is drie: het zogeheten 'expeditiemodel'. Ideaal is als die selectie door de instelling zelf gebeurt in een proefjaar. Dat is vier. Maar er is weinig of niets van terechtgekomen. 'Selectie is geweld', riepen de protesterende studenten destijds.

De boot was vooral aan toen De Groot, in het kielzog van intelligentie-onderzoekers als Cyril Burt en Arthur Jensen, beweerde dat intelligentie grotendeels erfelijk is, zodat er in economisch zwakke milieus dus geen vijver vol met slimme jongeren zou zijn. En wanneer die ongebruikte reserve toch maar gering is, hoeft niemand bang te zijn voor selectie, en zeker niet voor een proefjaar. Als vangnet moest er een Open Universiteit komen, waar iederéén kon studeren. (Die kwam er in werkelijkheid ook wel, alleen bleek die een andere groep te trekken dan bedoeld: de mensen die al een hogere opleiding hadden gedaan, die aan de OU een tweede opleiding volgen).

Maar 'intelligentie is erfelijk' was vroeg in de jaren zeventig zacht gezegd een onpopulair standpunt. Half Nederland viel over De Groot heen. De gewogen loting kwam er en deed decennia lang dienst. Tot er dit jaar georganiseerde weerzin tegen ontstond. In de Kamer kreeg minister Ritzen van onderwijs de vraag om eens naar iets anders uit te kijken. In de samenleving ontstond er een comité van de boze ouders van uitgelote kinderen. De Erasmusuniversiteit beloofde een uitgeloot meisje met een extreem hoog examengemiddelde van 9,6, Meike Vernooy, ook zonder loting toe te laten tot de studie geneeskunde. Maar de universiteit haalde bakzeil toen Ritzen liet weten dat de wet dat verbiedt. Sindsdien zette Ritzen een andere vermaarde psycholoog, P. Drenth, op de klus om de voors en tegens van verschillende toelatingsmethodes nog eens op een rijtje te zetten.

“Ik ben er destijds helemaal pessimistisch van geworden. Onderwijsbeleid is zó afhankelijk van modes, van toevalligheden, van een nieuwe minister, van geld,” zegt De Groot nu, terugblikkend op de commotie van toen. “Het is hoopvol dat het tandengeknars over die gewogen loting nu eindelijk eens naar buiten komt. In stilte is het er natuurlijk altijd geweest.”

“Maar ik blijf pessimistisch, ondanks die upsurge van tegenstand van dit jaar. Want de hoofdstroom in het Nederlandse denken over onderwijs is toch: au, selectie. Iedereen die in het debat van toen een rol speelde heeft nu opnieuw een stuk in de kranten geschreven: Hofstee, Warries, Van Kemenade. Ze vinden gewogen loting nog steeds de allerbeste methode. We kunnen in Nederland namelijk nog steeds ontzettend slecht leven met de gedachte dat een beslissing 'onrechtvaardig' zou kunnen uitpakken. De angst om iemand af te wijzen is hier endemisch. We zijn ook nog steeds bang dat selectiefouten vooral de mensen met weinig geld treffen.”

Is De Groot daar dan niet beducht voor? “Natuurlijk is de hamvraag hoe je goed selecteert, hoe je de twee valkuilen voorkomt: dat je niet-begaafde jongeren toch toelaat, en vooral: dat je begaafde jongeren ten onrechte niet toelaat. Vooral voor dat laatste zijn we bang. Maar als je een beetje een vent bent of een stevige meid, dan vind je je weg ook wel wanneer je wordt uitgeselecteerd. Daar heb je in mijn model dan die Open Universiteit voor. We moeten er niet zo sentimenteel over doen.”

“In de kern is de discussie over selectie helemaal geen technische discussie, maar een ideologische. Je zou op zich vrij verantwoord kunnen selecteren, maar we doen het in Nederland niet want de cultuur kan het niet aan. Examencijfers zeggen wel wat, maar niet zo heel veel over iemands latere prestaties. Maar in Nederland gebruiken we dat feit nota bene om de voorspellingskracht van die cijfers nog verder te verzwakken door die loting. De meeste landen zijn er wat flinker in, maar wij niet. Het voordeel is dat wie uitgeloot is niemand de schuld kan geven. Het systeem is niet alleen inefficiënt - zie Meike Vernooy - maar ook laf.”

“Het beste zou zijn: een afsluitend examen voor het voortgezet onderwijs, zonder toelatingsrecht, en een eigen toelatingstoets van de universiteit. Alleen de conservatoria en dergelijke hebben dat. Akkoord, misschien zitten daar wat schoonheidsfoutjes aan: soms wordt iemand wel op het ene maar niet op het andere conservatorium toegelaten. Maar de hoofdlijn is eerlijk.”

“Nederland kan de gedachte niet aan dat goed onderwijs de verschillen tussen mensen nu eenmaal groter maakt, en niet kleiner. Als 'goed onderwijs' is: veel tijd besteden aan echt leren, en 'slecht onderwijs' is een situatie waarin de kinderen veel slabakken, dan zal de groep die het snelst leert meer profijt trekken van goed onderwijs dan de zwakkere groep. Als je logisch nadenkt, dan is dat zo. Maar dat feit ziet iedereen over het hoofd. Die natuurkundige manier van denken was niet toegestaan. En dat is-ie nog niet.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden