De honger is over, maar thuis is het nog onveilig

Honger en angst voor de fundamentalisten van Al-Shabaab dreven tienduizenden Somaliërs naar buurland Kenia. De Kenianen deden een poging de milities van Al-Shabaab terug te dringen, maar de situatie werd er niet veiliger van. Trouw bezocht vluchtelingen in het grensgebied. 'We zijn moe van het komen en gaan.'

De hongerkampen rondom Beled-Hawo in het zuiden van Somalië aan de grens met Kenia zijn omgeven door groene velden. Koepelhutjes opgebouwd uit takken, doeken en plastic staan met honderden tussen bomen, struiken en gras. Een geitje knabbelt gretig aan verse blaadjes. Kinderen rennen rond met jerrycans om water te vinden, een vrouw hakt en snijdt in de kop van een dode koe voor de avondmaaltijd.

Na hevige regenval in het Oost-Afrikaanse land is aan de droogte en de hongersnood, ook volgens de Verenigde Naties, voorlopig een einde gekomen. Grote modderplassen op de zandwegen zijn stille getuigen van de hemelse watervloed die ook veel problemen opleverde. Zo ligt een gedeelte van het kamp er verlaten bij. Van de hutten staan alleen de geraamtes nog, met hier en daar een stukje plastic dat aan een tak is blijven hangen. De bewoners zijn naar een ander gedeelte van het kamp gegaan of verblijven in de stad, want de overlevenden van de hongersnood verlaten het ontheemdenkamp van Beled-Hawo nog niet, uit angst voor nieuwe droogte, onderdrukking en oorlog.

Die angst is terecht, zeker wat betreft nieuwe conflicten. In oktober viel Kenia Somalië binnen om zijn eigen grenzen te beschermen tegen de extreem-islamitische beweging Al-Shabaab. Maar door de inval zijn de grensgebieden alleen maar wettelozer en gevaarlijker geworden en is hulpverlening in de kampen bijna niet meer mogelijk.

Ook in de kampen rondom Beled-Hawo is er weinig hulpverlening. westerse hulporganisaties hebben al hun mensen, ook hun lokale medewerkers, uit het gebied gehaald. Slechts een paar Somalische niet-gouvernementele organisaties werken nog in de kampen. Volgens de douanebeambte van het dichtstbijzijnde vliegveld - een stoffige landingsstrook van gemalen steen in het Keniaanse grensstadje Mandera - gaan "mensen met een witte huid als warme broodjes over de toonbank". "Ze zijn erg gewild", vertelt hij. Voor ontvoerde buitenlanders zou een miljoen dollar aan losgeld worden betaald.

Ook in het ontheemdenkamp bij Beled-Hawo lopen buitenlanders risico, al lijkt het hele kamp bevolkt door vrouwen en kinderen. Militairen van de Somalische overgangsregering (TFG) hebben alle mannen het kamp uitgedreven om ontvoeringen uit het kamp te voorkomen.

Met veel machtsvertoon rijdt een pick-up met een tiental militairen door het kamp tussen de hutjes door. Een jongen die nog in het kamp is, probeert in de achterbak te springen, in de hoop dat hij in het leger misschien een dagloon kan verdienen. Hardhandig wordt hij weggewerkt en bijna ontstaat een handgemeen dat door een lokale hulpverlener wordt voorkomen. Volgens hem behoorde de jongen in het verleden tot een andere militie dan de militairen in de auto, en willen ze hun loon niet met nog meer mensen delen.

Het incident illustreert de instabiele situatie aan de grens die is ontstaan nadat Kenia, met goedkeuring van de Verenigde Naties, Somalië binnenviel om Al-Shabaab de genadeslag toe te brengen. Al-Shabaab controleerde sinds 2006 een groot deel van het Oost-Afrikaanse land en haalt vooral het nieuws door de wrede manier waarop ze de islamitische wet handhaven. De organisatie hakt handen af als straf, is voor genitale verminkingen van vrouwen en stenigt wetsovertreders. Daarnaast heeft de organisatie banden met het wereldwijde terreurnetwerk Al-Kaida, en zou het toeristen en hulpverleners ontvoeren op Keniaans grondgebied. Dat laatste was voor Kenia de directe aanleiding voor de inval. Het land wil zijn grenzen beschermen. Al-Shabaab ontkent echter verantwoordelijk te zijn voor de ontvoeringen.

Maar paradoxaal genoeg heeft de invasie van Kenia de onveiligheid juist vergroot. Al-Shabaab is weliswaar als machthebber verdreven uit het grensgebied bij Beled-Hawo, maar Keniaanse en Ethiopische militairen, milities, krijgsheren, bandieten en slecht georganiseerde en ongedisciplineerde militairen van de Somalische TFG, hebben het ontstane machtsvacuüm opgevuld. En ook al is Al-Shabaab als machthebber verdreven, de extremisten zijn nog niet verdwenen. Ze laten nog geregeld van zich horen: ze plegen aanslagen op Keniaanse militairen en jagen op iedereen die te maken heeft met vaak westerse hulpverlening in de kampen.

Dat ervaart ook een Somalische vertaler die uit veiligheidsoverwegingen niet met zijn naam in de krant wil. Hij moet zich gedeisd houden, omdat hij heeft gewerkt voor het VN World Food Programme dat tijdens de hongersnood voedsel distribueert. Soms is alleen gezien worden met een westerling al genoeg voor Al-Shabaab om de jacht te openen, zo blijkt uit het verhaal van een lokale hulpverlener. Hij moest zijn collega een maand missen omdat die een paar dagen met een Europeaan had gewerkt. Al-Shabaab maakte jacht op de man, die alleen via lange omwegen terug naar Kenia kon reizen.

Ook voor kampbewoners zelf is het niet veilig. Tijdens de Keniaanse invasie moest de 28-jarige Rahma Isaac zich verschuilen langs de grens. "De oorlog heeft grote invloed op ons leven", zegt ze. "Als Al-Shabaab terugkomt, gaan we de grens over naar Kenia of Ethiopië", zegt ze. Isaac is met haar vier kinderen naar het kamp gekomen. Nu is ze zwanger van de vijfde. Zittend op een bed van lege voedselblikken met stukken karton als matras, trekt ze met haar wijsvinger een verticale lijn langs haar keel, waarmee ze aangeeft dat er lange tijd geen eten doorheen is gegaan. In haar woonplaats Waajid, tweehonderd kilometer van het kamp, voorzag ze met haar man in hun levensonderhoud met een boerenbedrijfje. Ondanks het oorlogsgeweld om en in het kamp, en het gebrek aan hulp, wil Rahma Isaac het kamp niet verlaten. "We gaan niet terug naar de boerderij. We kunnen die plaats niet vertrouwen en we zijn moe van het komen en gaan."

De droogte die de hongersnood veroorzaakte leek in eerste instantie de hulpverlening ten goede te komen: Al-Shabaab leek bereid westerse hulpverleners permanent toe te laten, onder druk van Somaliërs die stelden dat de beweging de eigen mensen liet vallen. De hulporganisaties verspreidden zich over het grootste gedeelte van Zuid-Somalië. Maar nu is Al-Shabaab al weer weken bezig om kampen te sluiten. Sinds eind vorige maand is zestien hulporganisaties de toegang tot de kampen in Somalië ontzegd. Volgens Al-Shabaab om Somaliërs niet afhankelijk te maken van voedselhulp. Daarnaast beschuldigt Al-Shabaab hulporganisaties van spionage voor Kenia. Hulporganisaties ontkennen, maar het Keniaanse leger geeft toe dat het voedsel uitdeelt in ruil voor informatie over Al-Shabaab. Volgens de woordvoerder van het leger, majoor Chirchir, is dit onderdeel van moderne oorlogsvoering.

Een lokale hulpverleningsorganisatie in Beled-Hawo deelt nog wel maandelijks voedselhulp uit in de kampen, ondanks het gebrek aan veiligheid en ook al heeft de regen de grond weer vruchtbaar gemaakt. Een medewerker geeft toe dat het beter zou zijn als mensen teruggaan naar hun woonplaats om daar te zaaien en te oogsten.

De twintigjarige Bibiba Aden is een van de kampbewoners die al lange tijd voedsel krijgt. Met haar twee kinderen is ze vanwege de droogte naar het kamp gekomen. Haar man is achtergebleven om te zorgen voor zijn blinde moeder. Het is lang geleden dat ze hier arriveerde, vertelt ze. Hoe lang, weet ze niet meer. In haar woonplaats kapte ze bomen, die ze verbrandde tot houtskool dat ze verkocht op de markt. Maar Al-Shabaab verbood haar om te kappen omdat door de droogte de bomen niet meer groeiden. Heel veel mensen gingen naar de grens met Kenia, vertelt ze, en die mensen volgde ze. Om te overleven at ze huid van dieren, meestal van dode kamelen. Ze moet er nu om lachen, maar vooral uit schaamte. Ook al is de droogte over, Aden peinst er niet over om terug te gaan naar haar woonplaats in de regio Bay, tweehonderd kilometer van Beled-Hawo. "Al-Shabaab vertelt me wat voor kleding ik aan moet. En als ik me zelf niet helemaal bedek, slaan ze me."

Het permanente verblijf in de hongerkampen, zorgt voor grote financiele problemen bij de Somaliërs, stelt Abdullahi Abdi, hoofd van de in Kenia gevestigde Somalische organisatie Northern Aid. "Doordat er geen voedsel is verbouwd en veestapels grotendeels zijn uitgestorven, was er tijdens de voedselcrisis geen eten, en is het eten dat er nu wel is twee keer zo duur geworden", zegt hij. De regens hebben het leven van de ontheemden in eerste instantie verslechterd, maar nu gaat het langzaam beter, meent hij. "De beesten die nog leven, zien er weer goed uit, maar het kost tijd om melk te produceren, jonkies te krijgen en zo de veestapel te laten groeien."

Het gebrek aan geld en hulp treft ook de veertigjarige Helema Garambo. De dove vrouw is moeder van zes kinderen. De honger dreef haar naar het kamp. Haar man vertrok naar de stad om te bedelen. Het gezin heeft geld nodig om medicijnen voor hun doodzieke dochter te kunnen kopen. Het meisje is door een insect gebeten, maar welke weet haar moeder niet. Naar de enige kliniek in het kamp gaan heeft weinig zin omdat daar al maanden geen medicijnen meer te krijgen zijn, weet een andere kampgenoot.

Even verderop zit Salade Isaac die met haar 63 jaar een van de ouderen is in het kamp. Ze is moeder van negen kinderen en heeft meer dan tien kleinkinderen (een aantal meisjes niet meegerekend, want als die zijn uitgehuwelijkt, tellen ze niet meer als haar kind). Ze hurkt buiten haar hut in de schaduw en vertelt dat ze voor de tweede keer in haar leven in het kamp is om eten te vinden. "Ik leef mijn hele leven al buiten de dorpen en steden om de eindeloze oorlogen te ontlopen. Alleen als ik bijvoorbeeld nieuwe kleren nodig had, ging ik naar de stad, die ik dan zo snel mogelijk weer verliet." Ook zij wil in het kamp blijven. Een terugkeer naar het boerenleven, driehonderd kilometer bij het kamp vandaan, ziet ze niet zitten. "Daar moest ik twee en soms drie dagen lopen om water te vinden. Hier niet."

Tientallen jaren strijd en onveiligheid
Al twee decennia kent het Oost-Afrikaanse land Somalië geen centrale overheid. Overgeleverd aan krijgsheren, strijdende clans, bandieten en buitenlandse troepenmachten, is het land verworden tot een permanent strijdveld. Langdurige droogte in grote delen van het land leidde afgelopen zomer tot hongersnood. Hulp kwam massaal op gang, maar wordt in Somalië bemoeilijkt door een gebrek aan veiligheid. In de gebieden waar de extreem-islamitische organisatie Al-Shabaab aan de macht is, komt de hulp maar mondjesmaat binnen. Het wereldwijde terreurnetwerk Al-Kaida probeert het gat op te vullen door voedsel uit te delen in ruil voor steun aan Al-Kaida en Al-Shabaab, zo meldde de Britse krant The Guardian. Vorige maand verklaarden de Verenigde Naties dat de hongersnood voorbij is, maar de situatie nog erg fragiel.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden