DE HONDEN IN DE STAD ETEN ALLES OP

Vijftig miljoen harde Hollandse guldens liggen te wachten om het binnenland van Suriname te herstellen. Er is niet eens zoveel voor nodig om bijvoorbeeld de Aukaners in Oost-Suriname weer een redelijk bestaan te geven. Maar laat Nederland liever geen geld sturen, zegt de Granman in Drietabbetje. “Want geld verdwijnt in de stad. Daar zitten de honden die alles opeten.”

BART KAMPHUIS

Uitbundig plantengroen overwoekert het guesthouse aan de rivieroever, het logeergebouw is in gebruik genomen door hagedissen, slangen en andere natuurlijke habitat. Een enkele graffiti op de vervallen houten huizen herinnert nog aan het hoofdkwartier dat Ronnie Brunswijk met zijn jungle-commando hier tijdens de binnenlandse oorlog vestigde. Na die onduidelijke guerrillastrijd werd 'Stoelie' nooit meer wat het was. De Prinses Beatrixschool en het internaat voor kinderen uit nabij gelegen dorpen zijn door hetzelfde lot getroffen als het guesthouse. Het groots opgezette Johannes King zendingshospitaal, dat een spilfunctie moet vervullen voor de gezondheidszorg in de wijde omgeving, draait nauwelijks meer. In de kliniek staan slechts lege bedden.

Niet dat er geen zieke mensen zijn die behandeling nodig hebben. Dagelijks meren korjalen aan met vooral veel malariapatiënten. De lange reis wordt meestal slechts beloond met een paar 'calpolletjes', tabletten die de koorts enigszins drukken en de pijn verminderen. Het hospitaal heeft een tekort aan ongeveer alles. Om de zaak goed te laten functioneren zijn zeker één arts en vijftien gezondheidswerkers nodig. De riante dokterswoning aan de rivieroever staat echter al jaren leeg. In het ziekenhuis probeert zuster Bea met twee collega's te redden wat er nog te redden valt. Ze weet nog goed hoe het tijdens de oorlog, die verder stroomafwaarts werd gevoerd, eigenlijk allemaal veel beter was dan nu, in vredestijd. Want het verval begon toen de buitenlandse hulporganisaties zich terugtrokken, nadat de binnenlandse oorlog vier jaar geleden afliep. Stoelie viel weer onder verantwoordelijkheid van Paramaribo. Zuster Bea: “Tijdens de gevechten hadden we voldoende medicijnen, er was genoeg personeel. En er was licht en water. Nu krijgen we bijna niets meer uit de stad. Geen medicijnen, geen materialen. De ene collega na de andere gaat weg. Ze zoeken naar een beter bestaan. Veel van de patiënten die hier komen, kunnen we niet helpen en moeten we wegsturen.” Maar de gezondheidswerker blijft nog op Stoelie. “Want ik moet mijn mensen blijven helpen. Als het daar niet voor was, zou ik al lang weggaan.” Voor deze inspanning krijgt ze een salaris van omgerekend minder dan twee Nederlandse tientjes per maand. “Daarvan kan ik niet eens een zak rijst kopen. Ik overleef door steun van mijn man en familie.”

Terwijl zuster Bea en haar twee collega's 's ochtends water sjouwen van de rivieroever naar het hospitaal en 's avonds bij lantaarnlicht de rapporten optekenen, voorziet even verderop een grote generator de politiepost van elektrisch licht, gekoeld bier en stromend water. Het ministerie van justitie en politie in Paramaribo wil er alles aan doen om het de op Stoelie geposteerde agenten naar de zin te maken. Paramaribo vindt het rustige en bijna uitgestorven eiland bij uitstek geschikt als startplaats van de missie “terugkeer van orde en gezag in het binnenland.” Uit de verdragsmiddelen voor het project “herstel rechtsstaat en democratie”, dat Nederland en Suriname graag aanhalen als voorbeeld van hoe het ontwikkelingsgeld wel goed wordt besteed, werd een gloednieuw politiebureau gefinancierd. Tussen de lege en vervallen huizen staat het er als een vlag op een modderschuit, strak in de lak en voorzien van moderne communicatieapparatuur.

De radioboodschap die “post Stoelie” tweemaal daags aan Paramaribo verstuurt, luidt bijna altijd “geen bijzonderheden.” Commandant Breidel begint zijn dagrapporten op de schrijfmachine steevast met een inspectietocht langs de inventaris, zodat de korpsleiding in de stad ieder geval weet dat de 2 (twee) nietmachines op Stoelie nog niet zijn verdwenen. Voor het interview in keurig uniform gekleed, somt de politiecommandant de instructies op die hij van zijn superieuren in de stad meekreeg. “Indien wij moeten optreden tegen een crimineel, wordt er eerst contact gemaakt met het traditioneel gezag van de dorpskapiteins of de Granman. Zij zorgen dan voor de aanhouding, waarna de crimineel aan ons wordt overgedragen. Tegen illegale Braziliaanse goudzoekers treden we niet op, in afwachting van opdrachten uit Paramaribo.” Zo staat het ook, in nog ambtelijker taal, op het papier dat pontificaal op de muur is geprikt in het kantoor onder het woonverblijf van de agenten. Maar heeft de politie, met deze voorzichtige gedragslijnen, wel eens een boef in de kraag gevat? “Nee”, zegt agent Hardley, in een al even smetteloos uniform. “De mensen hier praten hun problemen onderling uit. Ze komen niet naar ons.”

Van de beloofde dagelijkse patrouilles langs de rivierdorpen komt het ook al niet. De politiekorjaal dobbert aan de oever van de Marowijne, wachtend op de buitenboordmotor. Die is, hoe kan het ook anders, defect en ligt in Paramaribo. De sterke arm op Stoelmanseiland, zoals Paramaribo het graag zou zien, is feitelijk niets meer dan een groepje machteloze dienders, dat geduldig de dagen aftelt tot de volgende aflossing. Agent Hardley, jong en met zijn ene streep op de schouders nog tamelijk vol onbesmette politie-idealen: “De kinderen die hier rondlopen, ze groeten je niet. Je ziet gewoon dat ze niet goed gevoed zijn. En ze kunnen niet naar school. Ik kom oorspronkelijk uit het binnenland. Nu ben ik politieagent in Oost-Suriname. Maar ik kan niets doen om het weer een beetje op gang te brengen. Het is echt heel moeilijk om hier gezagsdrager uit de stad te zijn. Want de mensen zeggen: 'Jullie moeten voor ons zorgen, maar jullie doen het niet'.”

Een paar stroomgeneratoren en waterpompen. Materiaal voor het herstel van medische posten en scholen. Buitenboordmotoren en brandstof voor het scholierenvervoer over de rivier. Bestrijding van de malariamuskiet. Voorzieningen voor gezondheidswerkers en onderwijzers. Met een vrij geringe investering zou het bestaansniveau van de naar schatting vijftienduizend Aukaners in Oost-Suriname tenminste teruggebracht kunnen worden naar dat van voor de binnenlandse oorlog. Het geld ligt te wachten, ruim achtduizend kilometer verderop, in Den Haag. Al jaren lang. Nadat in 1991 de democratisch gekozen president Ronald Venetiaan het roer overnam van het militaire bewind onder leiding van Desi Bouterse, besloten Nederland en Suriname vijftig miljoen gulden aan verdragsmiddelen te reserveren voor de wederopbouw van het binnenland. De “president met de schone handen” zou er wel voor zorgen dat alles in orde kwam. Maar de werkelijkheid bleek anders. De lange route die hulpgoederen moesten afleggen, eiste zijn tol. Eerst was er de haven in Paramaribo, waar containers soms jaren bleven staan. Dan de ambtelijke molen vol onderbetaalde landsdienaren die liever hun eigen zaakjes behartigen dan het oorspronkelijk doel van de hen toevertrouwde middelen. Met het weinige materiaal dat uiteindelijk wel de plaats van bestemming bereikte, kon de plaatselijke bevolking vaak niet overweg. Nederland houdt nu angstvallig de hand op de knip. Van het oorspronkelijke budget voor de wederopbouw is tien procent direct beschikbaar, met als nadrukkelijke voorwaarde dat projecten niet meer dan twee ton mogen kosten. “Bemoeizucht met het besteden van onze verdragsmiddelen”, wordt dat in Paramaribo vaak gevonden.

Terwijl de buitenboordmotor zijn PK's in het rivierwater brult, glijdt de groene muur van het oerbos voorbij, soms onderbroken door kleine nederzettingen, waar vrouwen aan de oever hun metalen potten schuren tot ze schitteren in de zon. De tocht over de Tapanahonyrivier gaat van Stoelmanseiland naar Drietabbetje, de grootste Aukaanse nederzetting. Af en toe klinkt een zangerige groet over het water, of wordt er een boodschap doorgegeven. “Tante is met het vliegtuig naar de stad, ze heeft malaria”, en “Johan blijft een paar dagen langer in het goudbos.” Een goudponton dobbert met zijn enorme slurven in het water. De dieselpomp is stil, de Braziliaanse gastarbeiders luieren in hun hangmatten. Ze wachten op brandstof, machineonderdelen of rusten even uit.

Naarmate we Drietabbetje dichter naderen, wordt het spiegelgladde rivierwater vaker onderbroken door gevaarlijke stroomversnellingen. Voorin de ranke korjaal geeft Iwan aan motorist Wally de richtingaanwijzingen. De puntige rotsblokken vlak onder het wateroppervlak staan op geen kaart getekend, maar zijn in het geheugen gegrift van de mannen die hier wonen.

Liters rum verdwijnen in de grond van Drietabbetje. Zojuist zijn er, voor het eerst, vrouwelijke kapiteins geïnstalleerd voor de dorpen in de omgeving. Gronma, moeder aarde, wordt met een plechtig plengoffer gunstig gestemd bij de faaga-paw, het altaar van de voorouderen. Ze zal vannacht zeker goed slapen. In de schaduw van het kroetoe oso (vergaderhuis) kijken stokoude opaatjes tevreden naar het zonovergoten feest rond het altaar. De Granman heeft naar zijn volk geluisterd en toestemming gegeven om de bestaande hiërarchie te doorbreken. Granman gebiedt wat zijn volk wenst en dat is goed.

Op het terras van zijn residentie op het hoogste punt in Drietabbetje verontschuldigt Gazon zich ervoor dat hij ons de vorige dag niet heeft kunnen ontvangen. Nu hij zich wat beter voelt zal hij ons kort te woord staan. Om hem heen zitten enkele kapiteins en basja's, via wie het gesprek verloopt. Binnen, in het kantoor, hangen de portretten van Venetiaan, Wilhelmina en een nog jonge Juliana, arm in arm met Bernhard. Weet de Granman eigenlijk wel dat in het voormalige moederland vijftig miljoen harde Hollandse guldens liggen te wachten voor het herstel van de schade in het binnenland? Er volgt een kort heen en weer gepraat met de kapiteins. “Nee, het is voor het eerst dat we dit horen. Ik weet wel dat Nederland ons wil steunen. Maar ze moeten geen geld geven. Ze moeten hier zelf komen met projecten. Want geld verdwijnt in de stad. Daar zitten de honden die alles opeten”, voegt de Granman er nog aan toe. Granman Gazon heeft besloten dat het gesprek verder namens hem zal worden gevoerd door de leden van de commissie Ndjoeka, sinds kort de rechterhand van het Grootopperhoofd. Gazon installeerde de commissie vlak na het laatste bezoek van de regeringsdelegatie, tijdens een gran kroetoe, waarvoor alle gezagsdragers van de dorpen aan de Marowijne- Tapanahony- en Lawarivier naar Drietabbetje waren gekomen. “De commissie is opgericht om ons binnenland op te bouwen”, begint Paseinsi Aboesen, kapitein van Kisai en adviseur van de commissie. “We hebben verschillende afdelingen om de verschillende problemen op te lossen”, zegt Johan Napoleon, ondervoorzitter en kapitein op Drietabbetje. “Om ons werk te kunnen betalen, moeten onze mensen belasting betalen”, zegt Aboesen. “Iedereen moet wat geven, of je rijk bent of arm”, vervolgt Napoleon. “En iedereen is bereid om te betalen. Want de problemen moeten worden opgelost.”

Naast de 'inkomstenbelasting' zijn er ook bijzondere verbruikersbelastingen in aankomst. Wie zijn vracht bij Foetoepassie wil overbrengen, zal twee tanks benzine moeten achterlaten. Met de opbrengst daarvan zal het spoorlijntje worden gerepareerd. De prijs van een SLM-vliegticket van Drietabbetje naar Paramaribo wordt door de commissie met 500 Surinaamse guldens verhoogd, nodig voor het onderhoud van de landingsbaan. Ook voor het Sellakreekgebied, waar veel goud wordt gewonnen, zijn er bijzondere maatregelen getroffen. Commissielid Djanie laat de tarievenlijst zien: winkeliers twee gram goud per maand, standhouders twee gram per maand, hosselaars twee gram per keer. Brazilianen met eigen bedrijf tien gram per maand. “Met dat goud gaan we onderwijzers en gezondheidswerkers betalen. Want met het salaris uit de stad kunnen ze hier niet overleven. De tarieven zijn nu nog laag, maar als het goed werkt, gaan ze omhoog. We willen ook de waterkrachtcentrale laten herstellen.”

Inmiddels oefent Paramaribo sterke druk uit op Granman Gazon om zijn goedkeuring te geven aan een houtkapovereenkomst van de Surinaamse staat met het Maleisische Berjaya. De concessie die Paramaribo wil geven, beslaat praktisch het hele woongebied van de Aukaners. Napoleon: “We hebben veel meer vertrouwen in de regering in Den Haag dan die in Paramaribo.” Djanie: “Als de president het plan met Berjaya wil doorzetten, zal de Granman zeker aan Nederland vragen Venetiaan te stoppen.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden