De hond kletst geen geheimen door

Of het nu een hond, een big of een gans is: een dier is de ideale kindervriend. Wat het dier zo'n fijne kameraad maakt, valt na te lezen in klassieke én in gloednieuwe jeugdboeken.

Een van de belangrijkste verschillen tussen het Jeugdjournaal en het gewone nieuws is de aandacht voor dieren. Je hoeft maar even op de website van het Jeugdjournaal rond te neuzen en er gaat een wereld van opgewekt en verontrustend dierennieuws voor je open: 'Kattencafé in de problemen', 'Tijgers geboren in China', 'Honderden kanaries gejat'. Wat nou eurocrisis? 'Pup door de wc gespoeld', dáár willen kinderen meer over weten!

Dieren trekken kinderen aan -- als een magneet. Dat zie je terug in de vele klassieke kinderfilms en -televisieseries over de bijzondere band tussen dier en kind. Het paard Black Beauty, de Schotse collie Lassie, kangoeroe Skippy, dolfijn Flipper, orka Willy en Sint Bernhard Beethoven veroverden de harten van miljoenen kinderen. En ook in de jeugdliteratuur wemelt het van dergelijke verhalen. Van klassiekers als 'Snuf de hond' van Piet Prins (1950) en 'Charlotte's web' van E.B. White (1952) tot vorig jaar verschenen boeken als 'Toen kwam Sam' van Edward van de Vendel of 'Mikis de ezeljongen' van Bibi Dumon Tak.

Wat maakt die vriendschap tussen kinderen en dieren tot zo'n tijdloos en onuitputtelijk thema? Struinend door stapels kinderboeken valt op dat vriendschap sluiten met een dier een geluksgevoel teweegbrengt dat bij andere vriendschapsbanden zelden gegarandeerd is.

De vanzelfsprekende, soms bijna magische band tussen kind en dier is misschien het kernachtigst verwoord in het klassieke prentenboek 'Ze lopen gewoon met me mee...' van Margaret Mahy. Daarin wandelt er op een dag zomaar een nijlpaard achter Kareltje aan naar huis. De dag erop zijn het er vier en later nog meer. Kareltjes ouders zijn in alle staten, maar hijzelf ziet het probleem niet. Mahy beschrijft zijn gevoel in de onvergetelijke zin: "Wat fijn dat hij nu net het soort jongen was, met wie nijlpaarden graag meelopen."

Welk kind wil nou niet zo'n soort jongen of meisje zijn? Het lijkt op het uitverkoren gevoel dat Kix en zijn zusje Emilia hebben in 'Toen kwam Sam'. Als de aanloophond Sam op een nacht besluit op de oude bank in de schuur te blijven slapen, weet Kix het zeker: "Sam kwam niet omdat zij hem wilden houden. Sam kwam omdat hij hén wilde houden."

In de ogen van deze kinderen is het dier een gelijkwaardig individu, dat er net zo goed voor kiest om jouw vriend te worden als omgekeerd. En hond, kat of gans zal het kind in die zekerheid nooit tegenspreken, het kan immers niet praten. Dat voelt veilig: het kind kan zich daardoor aan de vriendschap uitleveren, zonder bang te hoeven zijn voor afwijzing of bedrog. Het sluit een verbond van wederzijdse instemming en niemand die het zal ontkennen.

Grote mensen lachen vertederd om zo'n verbond of maken zich zorgen om de geestelijke gesteldheid van hun kind, zoals de moeder van Veerle in 'Charlotte's web'. Het meisje brengt verslag uit van haar gesprekken met big Wilbur en spin Charlotte, alsof ze het over de buurkinderen heeft.

,,'Wie is Tommel?', vroeg mevrouw Gersteman. 'De rat', antwoordde Veerle. 'We vinden hem allemaal niet erg aardig.' 'Wie zijn 'we'', vroeg mevrouw Gersteman. 'Wilbur, de schapen en de lammetjes, de gans, de ganzerik, de gansjes en Charlotte en ik.'"

Dat gevoel van saamhorigheid is vanuit kinderstandpunt niet zo vreemd. Tenslotte staan zowel dieren als kinderen op de onderste sporten van de sociale ladder. Ze hebben (nog) niks te vertellen, zijn overgeleverd aan de wil van de grote mensen, en dat schept natuurlijk een band. Kruimeltje herkent in een straathond zijn gelijke en sluit vriendschap: "Ik kom maar een beetje bij je liggen, dan zullen we mekaar warmen, hè? Hebben ze jou ook de straat opgestuurd? Heb je ook zoo'n honger als ik? Schuif een eindje om, zeg, d'r is best plaats voor twee. Jij bent ook niet zoo groot, net zoo min als ik." Voor Kruimeltje is de hond een lotgenoot met wie hij de harde wereld van volwassenen makkelijker aankan. Daarin lijkt hij natuurlijk op Rémi uit Hector Malots klassieker 'Alleen op de wereld'.

Een dier is een makkelijker vriend dan een ander mens. Je hoeft geen rekening te houden met de gecompliceerde regels van de menselijke interactie. Jessie uit 'Red mijn hond!' constateert dat haar hond een fijnere speelkameraad is dan haar schoolvriendinnen. "Hij doet altijd mee. Hij heeft nooit een slecht humeur. En hij praat nooit over zwemles." Sterker nog: hij praat helemaal niet en kan dus ook geen geheimen doorkletsen. "Niemand weet dat ze Tim leuk vindt. Alleen haar hond Kaj, maar die vertelt het toch niet door." De hond treedt bovendien op als smeermiddel tussen haarzelf en haar vader. "Haar vader houdt net zoveel van honden als zij, maar zonder Kaj zouden ze weinig tegen elkaar te zeggen hebben. Ze begrijpt niks van zijn werk en hij begrijpt niet hoe het is om tien te zijn."

Dieren helpen je bovendien bij het verwerken van verdriet of het overwinnen van angsten, alleen al omdat ze de heerlijke eigenschap hebben soms afhankelijk te zijn van het kind. Klara uit 'Maandag heeft vleugels' biecht haar ganzenkuiken op dat ze voor heel veel dingen bang is. Dat ze het moederloze gansje, dat 'met zijn zwarte kraaloogjes in Klaars hoofd kan kijken', zelf moet opvoeden, dwingt haar om zich over die angsten heen te zetten, zelf groot en sterk te zijn. Het redden van dieren spreekt kinderen sowieso sterk tot de verbeelding. 'Pup door de wc gespoeld': bij zo'n nieuwsbericht komt de redder in elk kind naar boven.

Er zijn dan ook hele series rond dappere kinderen die zich inzetten voor het bedreigde of gewonde dier. Uitgeverij Leopold lanceerde onlangs de reeks 'S.O.S. dierenredders', Victoria Farkas schreef meerdere delen over 'De dierenpolitie', die in dit geval bestaat uit kinderen, en ook in de eerder genoemde boeken wordt wat af gered: Veerle redt een ondermaatse big van de slacht, Kix bevrijdt hond Sam uit de handen van zijn gestoorde baasje, Klara bekommert zich om een verlaten ganzenei.

Een prachtig voorbeeld van zorg voor het weerloze dier lezen we in 'Vriend!' van Anke Kranendonk. De moeder van kleuter Bob heeft liever niet dat hij de gewonde kraai teruglegt waar hij hem gevonden heeft. Maar hij commandeert haar: "Pak een doos". En als hij het dier er langzaam in legt, oogst hij bewondering. "'Wat doe je dat goed', zegt mama. Met twee handen houdt Bob de doos vast en kijkt stiekem naar zijn moeder. Hij doet net alsof hij niet hoort wat ze zegt. 'We moeten naar de dokter', zegt hij met een lage stem."

Dieren zijn voor veel kinderen een ideale vriend. Ze zijn even kwetsbaar als zijzelf, maar loyaler en zwijgzamer dan andere kinderen. Je kunt bovendien even écht van belang zijn als een dier in nood verkeert, even doen wat grote mensen normaal gesproken doen: verantwoordelijkheid nemen en voor de ander opkomen. De vriendschap krijgt een extra glans als dat bijzondere dier speciaal voor jou kiest, omdat je nu net zo'n soort kind bent met wie dieren graag vrienden zijn.

Bas Maliepaard recenseert wekelijks jeugdboeken voor Trouw. Hij is ook bedenker en hoofdredacteur van het voorleesblad 'Jip'.

ILL. ANNETTE FIENIG

De mooiste jeugdboeken over dierenvrienden

E.B. White: Charlotte's web

Edward van de Vendel: Toen kwam Sam

Bibi Dumon Tak: Mikis de ezeljongen

Anna Woltz: Red mijn hond!

Martha Heesen: Maandag heeft vleugels

Anke Kranendonk: Vriend!

Evelien De Vlieger: Job en de duif

Marit Nicolaysen: Sven en zijn rat

Michael Morpurgo: Kind van de wildernis

Anna Woltz: Evi, Nick en ik

ILL. SASKIA HALFMOUW

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden