De hond als muze

Aan honden kunnen we gemakkelijk menselijke emoties toedichten. (Trouw)Beeld Patrick Post

Geen dier ontroert ons zo als de hond. En geen dier lijkt ons beter te begrijpen. Freud begreep dat. Maar ook schrijvers, van Homerus tot Koos van Zomeren, beseffen dat een hondensnuit soms sterkere gevoelens losmaakt dan een mensengezicht.

Sigmund Freud, de bedenker van de psychoanalyse, was verslingerd aan honden. Het bekendst zijn de chow-chows die hij hield en waarmee hij veelvuldig werd gefotografeerd. Een daarvan, genaamd Jofi, was in de spreekkamer aanwezig bij therapeutische sessies. Volgens Freud kon het dier als geen ander de geestelijke toestand beoordelen van de patiënt op de sofa.

Zowel de chow Jofi als de herdershond Wolf verraste hem met verzen, die door zijn dochter Anna in een speciaal door haar ontwikkelde ’hondentaal’ waren geschreven. Van 1923 tot aan zijn dood in 1939 leed de dwangmatig sigaren rokende Freud aan mondkanker. Hij onderging meer dan dertig operaties. Een deel van zijn kaak werd vervangen door een prothese, die hem veel ongemak bezorgde en waarmee hij nauwelijks tot eten in staat was. In een gedicht schoot hond Wolf hem te hulp. Het beest bood aan zich ’op te offeren’ om voortaan plaatsvervangend vlees, taart en en andere lekkernijen te kauwen voor zijn meester. Daar kon Freud ondanks zijn pijnlijke prothese smakelijk om lachen.

Anna’s gelegenheidspoëzie was niet uitsluitend scherts. Bij monde van de in dichtregels sprekende honden gaf zij uitdrukking aan haar liefde voor haar vader. Door de honden als het ware te ’souffleren’, kon ze haar vader meedelen wat ze misschien niet rechtstreeks durfde te zeggen of waarvoor hij in dat geval mogelijk minder ontvankelijk zou zijn geweest.

Een dergelijk verschijnsel vinden we ook in de literatuur, waar nogal eens dieren worden opgevoerd om menselijke emoties aanschouwelijk te maken. Zo vreemd is dat niet. Een Zuid-Afrikaanse journaliste die in 1976 verslag moest doen van de rellen in Soweto, vertelde me later dat ze destijds door het geweld volkomen afgestompt was geraakt. Het wemelde van doden en gewonden, maar zij gaf geen krimp, omdat de werkelijkheid nauwelijks tot haar doordrong. Pas toen ze plotseling een nest jonge katten vertrapt in de modder zag liggen, ontwaakte ze uit haar verdoving. Ze begon, zo zei ze letterlijk, te ’huilen als een beest’.

Het dier als verpersoonlijking van de mens. Vooral de hond, die sinds de vroege Steentijd in de nabijheid van mensen woont, als het eerste ’huisdier’ in de geschiedenis, leent zich voor zulk symbolisch gebruik. Hij heeft zich aan onze gewoonten aangepast, zozeer dat wij in hem niet langer een vertegenwoordiger zien van zijn soort, maar een individu met een eigen karakter en gemoedstoestand. Hij is het meest ’menselijke’ van onze huisdieren, zodat we hem gemakkelijk menselijke emoties kunnen toedichten.

In het werk van schrijvers worden honden dan ook dikwijls gebruikt als boodschappers, aanzeggers, zingevers. Bij Homerus is het de hond Argus, die zijn meester Odysseus na diens jarenlange afwezigheid als enige herkent. Bij Daniel Defoe is het de hond Skipper, die met zijn dood Robinson Crusoe tot tranen brengt. Bij Virginia Woolf en Franz Kafka krijgt een hond de hoofdrol en wordt hij zelfs de verteller van het verhaal. Michail Boelgakov gaat nog verder: de hoofdfiguur van ’Hondehart’ is een hond bij wie een menselijk orgaan wordt geïmplanteerd, waardoor het beest menselijke eigenschappen krijgt en zich ontpopt tot een wreedaard.

Het aangrijpendste verhaal over een hond dat me hier te binnen wil schieten is ’De gettohond’ (1952) van de Jiddische schrijver Jesaja Spiegel. Het speelt zich af in de Tweede Wereldoorlog, in het door de nazi’s bezette Lodz.

Hier woont de bejaarde weduwe Anna Temkin met haar hond Nikki. Het beest is oud, met kale plekken in zijn uitgevallen vacht en een metaalkleurig waas over de ogen. Het grootste deel van de tijd brengt hij duttend door op het bed van zijn zopas gestorven baas, om wie hij machteloos treurt.

Maar van dat bed wordt hij verdreven wanneer hij met Anna moet verhuizen naar het Joodse getto in een ander deel van de stad. Ze worden ingekwartierd bij een prostituee, die hen naar buiten jaagt wanneer ze een klant heeft. Elke nacht, als de weduwe in slaap is, verlaat Nikki stilletjes het getto. Hij kruipt onder de omheining door en hobbelt naar de oude woning, waar hij tevergeefs wacht op de terugkeer van zijn baas. ’s Morgens keert hij terug naar het getto, waar Anna de wonden verbindt die hij aan het prikkeldraad heeft opgelopen.

Op zekere dag krijgen de Joden bevel om hun huisdieren in te leveren. „Men spande de paarden uit en streelde in de donkere stal voor de laatste keer hun warme halzen. De treurige koeien werden naar buiten gebracht en ook de bange geiten.” De paarden, koeien en geiten worden gegeven aan volksduitsers. Maar de honden zullen op het marktplein worden doodgeschoten.

Anna trekt haar jas aan, want er woedt een sneeuwstorm, en doet Nikki zijn ketting om. Samen gaan ze naar de verzamelplaats. „De bijeengebrachte honden keken door het prikkeldraad van het afgerasterde stuk markt naar het getto en hun ogen waren vochtig. De schaduw van angst lag op hun verschrikte snuiten, als op menselijke gezichten die zich buigen over een geopend graf.” Een brute Duitse soldaat neemt de honden in ontvangst. Hij trapt het hekje open en schopt iedere hond met de punt van zijn laars naar binnen. Wanneer Nikki aan de beurt is, weigert Anna zijn ketting los te laten, waardoor beiden achter de afrastering belanden. Aan het slot heet het: „Het begon heviger te sneeuwen met grote vlokken. De oude vrouw werd moe. Ze ging op haar knieën in de sneeuw zitten. Men kon haar zo nauwelijks van de honden onderscheiden.” Hier gaat het dus bij uitzondering om een mens die gelijk wordt aan honden en die in hun lot deelt.

In Nederland heeft Koos van Zomeren, die allemachtig mooi schrijft over om het even welk dier, zo treffend de gedragingen opgetekend van Rekel, dat het beest een persoonlijkheid is geworden. In zijn column ’Omsingeling’ vertelt Van Zomeren over de hond:

„Een tijdje terug verdween hij onmiddellijk van mijn kamer als ik aan het werk ging. Ik hoefde mijn schrijfmachine maar aan te zetten of hij kneep ertussenuit. Maar tegenwoordig is het net andersom. Nu is dit een bezigheid waarbij hij in geen geval wil ontbreken. Zodra hij hoort tikken komt hij naar boven. Hij gooit de deur open, kijkt even of ik het zelf ben en nestelt zich op de stoel tegenover mijn bureau. Misschien dringt het belang van mijn werk eindelijk tot hem door. Misschien is het iets in mijn houding, hoe ik mijn ogen en handen beweeg, uitingen van spanning, tekenen van berekening - iets dat een gevoel van jagen geeft. De jacht op een woord, de omsingeling van een idee, het strikken van een zin.’’

Hier verplaatst Van Zomeren zich in de hond, door de hond zich te laten verplaatsen in hem. Voer voor psychologen? Sigmund Freud, die zich stoorde aan ’de hoogmoed waarmee de mens zich afzondert van het dier’, heeft nooit betwijfeld dat de hond een voorbeeldige muze is, een ware Kalliope – zij het niet, zoals zij door de Grieken werd afgebeeld, met schrijfplank en stift, maar met gespitste oren en een natte neus.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden