De Homo hypocritus streelt Minoes en eet een plofkip

Een gigantische vlieger in de vorm van een walvis hangt boven het strand bij Sydney.Beeld epa

We houden van dieren, we bejagen ze, we vertroetelen ze, we bestrijden ze, we redden ze en eten ze op. Jelle Reumer probeert het te begrijpen, maar komt niet ver.

De mens is van alle zoogdieren de enige soort die in staat is tot reflecteren op zichzelf, zijn omgeving, het verleden en de toekomst. Helaas stellen die vermogens ons zelden in staat om een beetje normaal met onze medeschepselen om te gaan. We exploiteren ze, mishandelen, verminken en vermoorden ze - of we koesteren en knuffelen ze, omdat we dat zelf zo lekker vinden.

De dieren die we het vaakst ontmoeten, zijn gezelschapsdieren en landbouwhuisdieren. In 2012 hielden we in Nederland 7,7 miljoen huisdieren, waar we veel van houden. Er is ook een onbekend aantal zwerfkatten waarvan er jaarlijks 14.000 à 15.000 door jagers worden geschoten. Daar houden we kennelijk minder van.

Hier ontwaren we al een zekere tweeslachtigheid in de bejegening. Het verschil kan tijdsgebonden zijn, zoals we zullen zien bij de omgang met walvissen, maar ook afhangen van de situatie waarin de dieren zich bevinden. De huismuis is daarvan een fraai voorbeeld.

De huismuis
In Nederland worden jaarlijks ruim 400.000 muizen als proefdier gebruikt. De goede kwaliteit van hun leven wordt door wet- en regelgeving gegarandeerd. De Wet op de dierproeven uit 1977 stelt hoge eisen aan de huisvesting en het voedsel, aan de deskundigheid van het personeel dat de dieren verzorgt en hanteert, en aan de aard van de proeven zelf.

Zogenoemde LD50-proeven zijn verboden (LD betekent lethal dose en 50 is een percentage; het gaat hierbij om proeven waarbij wordt gezocht naar de concentratie van een te toetsen stof waarbij de helft van de proefdieren overlijdt) en ook herhaling van proeven is uit den boze. De wet weerspiegelt de grote zorgvuldigheid waarmee wij in ons beschaafde land met proefdieren omgaan.

Bijgevolg leven de Nederlandse laboratoriummuizen als God in Frankrijk, afgezien van het feit dat ze uiteindelijk onderworpen worden aan een weinig vrolijkstemmende dierproef.

Labmuizen behoren tot de diersoort Mus musculus, de huismuis. Dat betekent niet dat álle huismuizen onder de bescherming van de Wet op de dierproeven vallen, want die is niet van toepassing op muizen die de pech hebben zich in een supermarkt of restaurant te bevinden. Voor hen is slechts bestrijding voorzien in de regelgeving waar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) over waakt. Ze moeten dood.

Zo lezen wij op de website van de NVWA onder het kopje 'Ongedierte' het volgende zinnetje: 'Muizen, vliegen en kakkerlakken zijn voorbeelden van ongedierte. Zij worden ook wel plaagdieren genoemd. Zij kunnen een risico vormen voor de voedselveiligheid. De bestrijding ervan moet door professionals worden gedaan'.

Beeld epa

De website biedt de geïnteresseerde lezer een pdf-bestand met de lange titel 'Het werkt beter om samen plaagdieren te bestrijden! Integrale aanpak plaagdierbeheersing voor winkelcentra en geïntegreerde bebouwing' waarin in blaartrekkend slecht Nederlands wordt beschreven hoe men de huismuis kan herkennen en welke schade muizen kunnen aanrichten.

Dit alles roept de vraag op of de ene Mus musculus anders is dan de andere, en dus op welke gronden de betreffende bejegening (respectievelijk voorkoming van ongerief bij de labmuis, dan wel bestrijding van zijn onfortuinlijke soortgenoten) is gebaseerd.

Het doet me denken aan die beroemde zin uit George Orwells 'Animal Farm', geparafraseerd: 'All mice are equal, but some mice are more equal than others'. Kennelijk is de taxonomie van de diersoort irrelevant voor het beschermings- of bestrijdingsregime; het is de economische of maatschappelijke context (proefdier dan wel plaagdier) die de omgang bepaalt.

De walvis
Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog had Nederland gebrek aan van alles. Om in de behoefte aan vet, olie, margarine en andere uit walvis te fabriceren producten te voorzien, werd de Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart (NMW) opgericht, die al in 1945 een tweedehands Zweedse tanker kocht en deze liet verbouwen tot walvisvaarder.

Het was de eerste Willem Barendsz. Op zondagochtend 27 oktober 1946 voer het schip uit. Onder de klanken van het Wilhelmus kwam het schip om zes minuten voor negen los van de kade in Amsterdam en om tien uur werd in alle kerken voor het succes van de expeditie gebeden. Over deze eerste tocht verscheen het boek 'Walvis aan stuurboord', dat leest als een masculiene heldenzang in de oude Nederlandse traditie van stoere boeken als 'De scheepsjongens van Bontekoe'.

Het schip bleek al snel te klein. In 1955 werd daarom de Willem Barendsz II gebouwd. Met een maat van bijna 27.000 bruto registerton was het een van de grootste walvisfabrieksschepen ter wereld. Het Polygoonjournaal berichtte met de bekende, nasale stem wanneer het schip weer binnenvoer. Nog even kon Nederland zich een belangrijke maritieme natie wanen en zich spiegelen aan de verdwenen heldhaftigheid van de VOC.

Tussen 1946 en 1964 werden in achttien vangtochten in het Antarctisch gebied bijna 28.000 walvissen gevangen en tot vet gekookt. Het feest zou niet lang duren. De walvisvangst werd snel onrendabel en in 1964 werd de Willem Barendsz van de hand gedaan.

Baby-labmuizen.Beeld reuters

We zijn nu twee generaties verder en thans leidt de dood van één aangespoelde walvis tot waxinelichtjes en een stille tocht. In de tussentijd heeft dus een ware paradigmaverschuiving plaatsgevonden.

Walvissen bleken intelligente, empathische en sociale dieren te zijn en hun gedrag vertoont overeenkomsten met dat van onszelf. Dit leidt tot een vermenselijking van de dieren, die erin uitmondt dat gestrande walvissen namen krijgen (orka 'Morgan' en bultrug 'Johanna').

Het sterven van een grote walvis blijkt moeilijk te aanvaarden. Alle walvissen gaan ooit dood, maar omdat ze in de oceanen leven, onttrekt zich dat meestal aan onze waarneming. De dieren sterven, drijven een tijdje rond en zinken ten slotte naar de bodem. Slechts af en toe heeft een walvis de pech om stervend aan te spoelen. Er komt dan een compleet zorgcircus op gang - in theorie om het leven van de walvis te redden maar in de praktijk om het stervensproces van de dieren te veronaangenamen.

De traan
Op woensdag 12 december 2012 strandde een nog levende bultrug (Megaptera novaeangliae) bij Texel. Het dier stierf vier dagen later en was intussen Johanna gedoopt. Wat zich in de tussentijd afspeelde, tart iedere verbeelding. Een reddingspoging op de dag van de stranding mislukte en op donderdag ook. Op vrijdag werd besloten het dier te euthanaseren met een spuitje, maar dat mislukte. Op zaterdag leefde zij nog.

Toen werd bekendgemaakt dat zij zo verdrietig was dat zij huilde. Dat wil zeggen, er droop vocht uit de oogkassen dat als tranen van verdriet werd geïnterpreteerd. Op zondag was Johanna dood. Daar zat de overheid natuurlijk achter; de 'schuldigen' werden met de dood bedreigd. Op zondagavond werd in Den Helder een stille tocht georganiseerd, met waxinelichtjes voor het zieleheil van de arme bultrug.

Het ministerie van economische zaken heeft daarna het 'Protocol stranding levende grote walvisachtigen' vervaardigd. Letterlijk staat daarin: 'Stranding van een walvis kan voor het 'publiek' een emotionele gebeurtenis zijn, mede vanwege de grote kans op overlijden van het dier'. Hier lijkt het welbevinden van het publiek centraal te staan. Walvissen mogen niet doodgaan, en al zeker niet voor de ogen van het publiek. Terwijl we zestig jaar geleden massaal juichten bij elke thuisvaart van de Willem Barendsz die weer duizenden walvissen had geschoten, is nu één dood exemplaar goed voor nationale rouw.

In een land waar de dood van één mus (de Dominomus in 2005) tot een kleine volksopstand leidde, terwijl onze beminde huiskatten ongestraft miljoenen zangvogeltjes mogen vermoorden (omdat dat nu eenmaal 'de aard van het beestje' is), verbaas ik me nergens meer over. Welkom in het land van de Homo hypocritus.

Jelle Reumer is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam en columnist bij Trouw

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden