De hoeders van het zijn

Op 29 oktober 1945 hield de filosoof Jean-Paul Sartre een lezing in Parijs: 'Het existentialisme is een humanisme'. Op 17 juli 1999 hield de filosoof Peter Sloterdijk een lezing in slot Elmau in Beieren: 'Regels voor het mensenpark'. Wat hebben deze twee lezingen met elkaar te maken? ,,Het is tijd om de postmoderne verlamming te boven te komen.''

Op 29 oktober 1945 werd in Parijs een lezing gegeven door een filosoof die alweer uit de mode is: Jean-Paul Sartre. De titel van de lezing luidde 'Het existentialisme is een humanisme'. Volgens ooggetuigen was de opkomst zo groot dat er in het gedrang mensen flauwvielen en dat de spreker een kwartier nodig had om zich naar het podium te vechten, nadat hij eerst een steegje ingevlucht was omdat hij dacht dat de communisten gekomen waren om hem in elkaar te slaan.

Toen Sartre eindelijk toch aan het woord kwam, sprak hij een tekst uit die waarschijnlijk het laatste humanistisch-filosofische manifest van de 20e eeuw genoemd kan worden. De mens, zo zei Sartre, is zijn eigen ontwerp. Er is geen God die ons bedacht heeft, er is geen natuur die ons determineert, er is geen doel dat voor ons klaar ligt. De existentie van de mens gaat aan zijn essentie vooraf. Wij ontwerpen ons eigen bestaan, en door te kiezen voor de vrijheid van dat ontwerp realiseren wij een universeel menselijk project. Daarom is het existentialisme een vorm van humanisme. Sartre hield zijn toespraak min of meer op de puinhopen van de Tweede Wereldoorlog en in de schaduw van de holocaust - al was de impact daarvan nog niet doorgedrongen tot het cultureel bewustzijn. Wat wel was doorgedrongen waren de beelden van de atoombom op Hiroshima en Nagasaki, twee maanden eerder, waarbij honderdduizenden Japanse burgers waren omgekomen: iedereen had de foto's gezien in de geïllustreerde pers. En precies op dit historische dieptepunt voor de mensheid herinnert Sartre zijn publiek eraan dat het gedoemd is om vrij te zijn en dat het existentialisme een humanisme is. Hij was niet de enige in die naoorlogse periode die het humanisme weer uit de kast haalde - in 1945 noemde iedereen zich humanist. Humanisme was een reddingsboei waar heel Europa zich aan vastklampte. Een symbool van hoop dat de mensheid zich zou rehabiliteren, als ze maar weer in het goede in de mens ging geloven. Zelfs Stalin was een humanist. Wat Sartres positie van meet af aan onderscheidt van deze hype, is dat hij uitgesproken kritisch is. Sartre heeft diepgaande twijfels over de vraag of de mensheid het wel waard is om bemind te worden. Veredelingsprojecten voor de mens eindigen onvermijdelijk in fascisme, zegt hij in zijn lezing. Zijn antropologie is ingrijpend beïnvloed door de psychoanalyse, hij koestert geen illusies meer over een oorspronkelijke goedheid van de menselijke soort of over een aanleg tot hogere rationaliteit of morele zuiverheid. Freud, en in het algemeen de denkers van het wantrouwen, hebben onuitwisbare sporen nagelaten. Sartre grenst zijn filosofie daarom scherp af tegen traditioneel-humanistische beginselverklaringen, die hij in de roman 'Walging' (1938) met verwoestend sarcasme beschrijft. Zijn beroemde autodidact - belichaming van het humanistische Bildungsideaal - wil de hele wereldbibliotheek lezen, om daar de plaatsen te vinden waar hij, via de (uiteraard mannelijke) personages, de Mens, met een hoofdletter M, lief kan hebben. ,,Er is een doel, meneer,'' zegt de autodidact - ,,er zijn mensen... men moet hen liefhebben...'' Waarop de hoofdpersoon van de roman een intense walging in zich op voelt stijgen: ,,Ik wil niet met dit humanisme geïdentificeerd worden, ik wil niet dat dit weekdier zich volzuigt met mijn goeie rode bloed. Ik zal alleen niet zo stom zijn te zeggen dat ik anti-humanist ben. Ik ben gewoon geen humanist, dat is alles.''

Intussen is er meer dan een halve eeuw ver-

streken. De tijden zijn veranderd. Sartre is in ongenade gevallen. En het valt niet te ontkennen dat het tegenwoordig niet cool is om humanist te zijn. Daar zijn twee verklaringen voor. Sociologisch gezien vatte het humanisme zich rond de oorlog nadrukkelijk op als een tegenbeweging tegen de confessionelen. Zonder die christelijke zuil als tegenstander is het alle kanten op gewaaierd. Katholieken en protestanten zijn zelf een soort humanisten geworden. Er zijn niet veel orthodoxe christenen meer over in Nederland - een homofobe bisschop is een buitenkansje, maar ze zijn te schaars om het bestaansrecht te verzekeren.

De tweede verklaring is fundamenteler. Het humanisme is de afgelopen vijftig jaar filosofisch uitgehold en het is de werkelijkheid zelf geweest, die het geloof in verheffing en morele vooruitgang van de mensheid op losse schroeven heeft gezet. De 20e eeuw, met zijn cocktail van technologisch vernuft en massavernietiging, is ons net even te zwaar op de maag komen te liggen - en in het brandend maagzuur van de filosofische reflectie is het optimistisch ideaal van de humanitas opgelost. Wat rest is het besef dat dit ideaal in de geschiedenis een nogal dubbelzinnige rol gespeeld heeft en niet zelden optrad als handlanger van geweld. De 'hogere mens' was meestal een Westeuropese man, een alibi om macht uit te oefenen over andere culturen en over vrouwen, over de natuur, over dieren - over alles wat anders was en dienst kon doen als een spiegel, waarin het humanistisch beschavingsideaal zijn eigen superioriteit bevestigd zag.

Dit is het moment om de aandacht te vestigen op een tweede filosofische lezing, meer dan een halve eeuw na die van Sartre. Deze, met als titel 'Regels voor het mensenpark', vond plaats in slot Elmau in Beieren voor een select gezelschap van academici. De lezing was, zoals de spreker later zou zeggen, een Nachtstuck, raadselachtig en duister qua strekking, zoals wel vaker het geval is met Duitse filosofie. De bijeenkomst werd aanvankelijk door de buitenwacht niet eens opgemerkt. De filosoof was Peter Sloterdijk. Hij vraagt zich net als Sartre af of er nog een geloofwaardige invulling aan de vraag naar de mens gegeven kan worden. Ook hij is sceptisch over de antwoorden van het traditionele humanisme, ook hij vindt dat het humanisme eerder deel is van het probleem dan van de oplossing. Het originele van Sloterdijks bijdrage ligt in een overweging die bij Sartre ongenoemd blijft: dat wij leven in een technologische cultuur en dat dat twee belangrijke implicaties heeft voor de humanitas. De eerste is een cultuurpolitieke. Volgens Sloterdijk waren de eerste humanisten Romeinen die zich van de brullende meutes en het uitzicht op geharpoeneerde gladiatoren en verscheurde christenen in het amfitheater afkeerden, om zich in plaats daarvan te vermaken met het lezen en schrijven van boeken. Psychologisch streefden ze een 'ontwildering' na: dierlijke passies en impulsen ('animalitas') moesten getransformeerd in humane rationaliteit en reflectie ('humanitas'). Vandaag de dag is deze literaire utopie een anachronisme. Wij leven in het tijdperk van de nieuwe media: niet van het geconcentreerde lezen maar van het manische zappen. Er worden nog steeds mooie boeken geschreven, er zijn ook nog steeds lezers voor te vinden, maar de geschreven tekst speelt als medium een steeds marginalere rol. Schrijvers zijn de pauze-act geworden, zoals Arnon Grunberg zei - en de bar is open, de concurrentie groot.

Sloterdijk zegt het zo: in dit tijdperk is de telecommunicatie via het boek niet voldoende meer om de mensheid cultureel te verenigen. Het beeldscherm doet dat effectiever. Alle commotie rond Sloterdijks verhaal ontstond omdat hij zich afvroeg wie de beschavende taak van de literaire media eigenlijk heeft overgenomen. Hij opperde zelf dat het mensentemmen wordt voortgezet door de biotechnologie. De bio-ingenieurs zijn allang bezig ons design ingrijpend te veranderen. Het menselijk genoom is intussen min of meer ontraadseld, het erfelijk materiaal leent zich nu voor fantastische modificaties. Wat gisteren nog science fiction was, wordt werkelijkheid. Moet er geen richtlijn voor deze technieken ontwikkeld worden, vraagt Sloterdijk zich af. Het zal er in de toekomst wel op neer komen dat wij het spel actief moeten meespelen - afhaken is allang geen optie meer. Maar wie bepaalt straks de richting van die biotechnologische veranderingen? Sartriaanser uitgedrukt: wie gaat het ontwerp voor de nieuwe, technologisch verbeterde mens van de toekomst bedenken? Wie gaat wie ontwerpen? Dat zijn een paar van de - betrekkelijk onschuldige - kwesties die Sloterdijk aanroerde. Gelukkig voor ons zat er een journalist in de zaal die iets heel anders hoorde, en groot alarm sloeg in de Duitse pers. Daar werd vervolgens gemeld dat de filosoof Sloterdijk een oproep had gedaan om met behulp van eugenetica een nieuw mensenras te kweken, en wel, aldus de Suddeutsche Zeitung, volgens het beproefde Uebermensch-recept van Nietzsche en de nazi's. Sloterdijk had bovendien de naoorlogse periode een tijd van 'nationaal-humanistische verduistering' genoemd - een belediging van de joodse aanwezigen. Sloterdijk mepte terug met het integraal publiceren van zijn lezing en met een frontale open brief aan degene die hij als de aanstichter zag van alle herrie, namelijk zijn collega Jurgen Habermas, die zijn journalistieke vriendjes zou hebben opgestookt tot een Duitse fatwa. Het Duitse debat woedde nog zo'n half jaartje voort, om vervolgens weer ondergronds te gaan. In Frankrijk is Sloterdijk sindsdien niet meer weggeweest uit de filosofische discussie. De visie van Sloterdijk verbindt hem met Sartre: we zouden de humanitas voor onze tijd opnieuw moeten overdenken - en deze keer zowel in het licht van de cultuurpolitiek als van de biopolitiek.

Cultuurpolitiek is van alle tijden. Plato schreef een cultuurnota die nog veel radikaler is dan die van staatssecretaris Van der Ploeg: hij vindt dat het complete gilde van de theatermakers de staat uit gestuurd moet worden, want ze cultiveren fictie in plaats van waarheid. Plato neemt de kunst zo serieus, dat bepaalde doelgroepen ertegen beschermd moeten worden. Daarmee doet hij iets wat later veel navolging zou vinden: hij beoordeelt de kunsten op cultuurpolitieke criteria. Die cultuurpolitieke agenda is een lang leven beschoren. Nederlandse kunstenaars kregen vorig jaar van staatssecretaris Van der Ploeg te horen dat ze een zo groot mogelijk, bij voorkeur jonger en multicultureel publiek moesten bereiken. Tegenstanders van zijn mission statement vonden in het debat dat alleen de 'kunstkunst' haar beschavende taken vervullen kan en de patatcultuur op afstand houden. Voorstanders bejubelden de nobele democratische strijd die de staatssecretaris zou leveren om de elitaire kloof tussen hoge en lage cultuur eindelijk te dichten. Zoveel was duidelijk: de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de kunstenaar is het verheffen en beschaven en tegenwoordig ook het inburgeren van de medemens. Kunst is leerzaam, zingeving, kunst schept dingen die waarde voor onze samenleving hebben, ze stimuleert het debat. Kunst heeft, kortom, ideëel nut. Dit Bildungsideaal is - zeker voorzover het de literaire kunsten betreft - onverbrekelijk verbonden met de humanistische traditie. Het kan zich in een onverminderde actualiteit verheugen. Er is nu alleen een nieuwe dimensie bijgekomen, die van de populaire kunst en cultuur. Maar als ook tv-spelletjes en discodansen leerzaam en emanciperend zijn, dan is er misschien niets aan hand: de Bildung is gewoon overgenomen door populairder media, die beter aansluiten bij de postmoderne tijd en de cyberspace-generatie.

De Amerikaanse pragmatist Richard Rorty wijst nog altijd de roman aan als hét medium dat deugden als naastenliefde en tolerantie bevordert. Van de roman zijn we hier in het Westen democratische burgers geworden. Literatuur sensibiliseert, het is een training in empathie. In Rorty's postmoderne variant van het oude Bildungshumanisme is niet langer de rede, maar de emotie universeel. Voor de ethiek is het voldoende als je gevoelig bent. Mooier kan het niet, zou je denken. Maar er blijven een paar lastige vragen liggen. Patricia de Martelaere heeft er bijvoorbeeld op gewezen dat er een belangrijk verschil is tussen 'gewone' en 'literaire' ervaring. Via een boek kunnen we emoties rechtstreeks tot ons toelaten en beleven - echter dan echt, juist omdat het tegelijk niet echt is. Zouden we het NOS-journaal net zo serieus nemen, dan zouden we het in deze maatschappij niet lang volhouden. Al die oorlog en ellende zijn onverdraaglijk, dus sluiten we ons ervoor af. Er is daarom, volgens De Martelaere, alle reden om niet bij voorbaat aan te nemen dat literatuur en realiteit in de lezer integreren en dat de belezen romanliefhebber zich in het gewone leven, zoals Rorty denkt, gevoeliger, toleranter, ruimhartiger opstelt dan zijn ongeletterde buurman. Literatuur, en kunst in het algemeen, kan mensen veranderen. Kunst kan opvoeden tot goede smaak, ze kan een bijzondere sensitiviteit cultiveren, ze kan confronteren met Waarheid. Maar kunst maakt je geen moreel beter mens, of een betere democraat. Het esthetische en het ethische, het schone en het goede, blijven gescheiden sferen. Het is een kenmerk van het postmoderne, sentimentele tijdperk dat emoties overal onmiddellijk een ethische rol toegeschreven krijgen. Maar of de rijke Noordatlantische democratieen van Rorty, waar sinds de Verlichting zoveel romans gelezen worden, werkelijk zo superieur zijn, dat blijft de vraag. Werd er niet, juist door het Westen, de afgelopen eeuw overal ter wereld oorlog gevoerd? Om weer terug te komen op Sloterdijks punt: wij kijken tegenwoordig naar de 'Texas Chain Saw Massacre' in plaats van naar de bestialiteiten in de arena, erg groot zijn de verschillen niet. De ontwildering van de mens door kunst en cultuur moest wel falen - de middelen stonden in geen verhouding tot het hooggestemde doel. Bovendien, zo vraagt Sloterdijk zich af: is eigenlijk wel eens opgehelderd wie of wat de elite van opvoeders zelf opvoedt - en waartoe?

VERVOLG OP PAGINA 46

VERVOLG VAN PAGINA 45

Waarmee ik bij Sloterdijks biopolitieke argument ben aangeland. De transformaties van de condition humaine hangen waarschijnlijk minder met het lezen van goede boeken samen, dan met ontwikkelingen binnen wetenschap en techniek. We kunnen straks genetisch wegmanipuleren wat ons aan de menselijke natuur niet bevalt; en manipuleer je die natuur, dan verander je de mens zelf. Het lichaam is nu al innig vergroeid met brillen, kunstheupen en pacemakers, auto's, gsm's en beademingsapparatuur. Wij zijn hard op weg om cyborg te worden, een samenstelling van een 'zelfregulerend systeem' en 'organisme'. Cyborgs als bionische moordmachines, zoals 'Terminator' Arnold Schwarzenegger, zijn populair in Hollywood, maar ook bij de NASA en de US-army. Daar wordt al veel langer geëxperimenteerd met high technology-gevechtssystemen, gebaseerd op 'een cyborgmodel met het uithoudingsvermogen van een apparaat en een menselijk intellect dat onderworpen is aan een wapensysteem'. Cyborgsoldiers zorgden voor de precisiebombardementen op Irak en Servië. Overvloedige 'bijkomende schade' bewijst overigens dat ze nog wel voor verbetering vatbaar zijn. Een vreedzamer variant wordt aangetroffen in de burgermaatschappij, waar de verspreiding van computertechnologie heeft gezorgd voor de opkomst van 'nieuwe professionals' - account managers, business consultants -, permanent interactief, gekoppeld aan een collectief geheugensysteem met polyzintuigelijke informatieverwerking. De populair-wetenschappelijke pers voorspelt een ingrijpende mutatie op communicatief en cognitief gebied. Een paar jaar geleden maakte Microsoft een tv-reclame: 'Imagine - no age, no race, no gender, no handicaps. Is it Utopia? No, it's the Internet'.

Een flinke stap verder wordt gezet wanneer die menselijke intelligentie ook letterlijk bevrijd wordt uit het mensenlichaam en elders ingeblikt, zoals dat in de toekomstvisioenen van de 'transhumanisten' gebeurt. Anders dan gewone humanisten accepteren ze niet de oude grenzen aan de menselijke conditie, en gaan op zoek naar nieuwe mogelijkheden om zowel de lengte als de kwaliteit van het bestaan te verbeteren. Hun meest spectaculaire vertegenwoordiger is Hans Moravec, die in zijn boek 'Mind Children' (1988) uitlegt dat het op termijn heel goed mogelijk is om de menselijke geest te downloaden in een kunstmatig lichaam. Een hersenchirurgierobot met miljarden nanoscopisch kleine sensoren schraapt laag voor laag de hersenen af, maakt een computersimulatie en kopieert die naar het mechanische brein van een robot. Dan wordt een oude droom werkelijkheid en zijn we geslaagd in het kunstmatig genereren van leven. Voorwaarde is natuurlijk wel, dat de menselijke geest inderdaad begrepen kan worden als een soort immaterieel fluïdum, in termen van programmeerbare informatie - en ook dat hij losgedacht kan worden van het lichaam, zodat niet langer belangrijk is of dat van organische of van silicoon-componenten is gemaakt. Dit is meestal het moment waarop neurobiologen zich schaterend achterover laten rollen, maar voor Moravec is het geen punt meer: hij verwerpt elk wezenlijk onderscheid tussen een cybernetisch mechanisme en een biologische organisme. Hij denkt bovendien dat de nieuwe hybrides in de toekomst de macht zullen overnemen. Biologische levensvormen overleven volgens hem namelijk zelden de komst van een superieure soort.

Wie zich laat wijsmaken dat wij hebben afgerekend met het utopisme en nu in het post-utopische tijdperk leven, zou zich wel eens flink kunnen vergissen. Wij zijn intussen alweer in een nieuwe utopie terecht gekomen, die prettig spoort met de neo-liberale belofte van een eeuwigdurend luilekkerland. De nieuwe utopie is niet meer gebaseerd op de gedachte van politieke perfectioneerbaarheid van de samenleving, maar op de biotechnologische perfectioneerbaarheid van de menselijke soort. Het marktpotentieel is gigantisch, het enthousiasme groot. ,,Het publiek klapt, de patiëntenverenigingen willen nog meer haast, de grote concerns doen er een schepje boven op, de postmodernisten zijn blij dat de cyborg er aan komt, en allemaal roepen ze in een groot sadomasochistisch koor: Ja, dames en heren biologen, geeft u ons alstublieft een ander lichaam, een eigen wil hebben we al niet meer!'' schrijft de Franse wetenschapssocioloog Bruno Latour. Het tijdperk van de biopolitiek is al begonnen, alleen de vraag is opnieuw: waar, hoe, door wie wordt bepaald hoe de nieuwe mens eruit gaat zien? Welke elite gaat straks de genen selecteren?

Terug naar Sloterdijk en diens vaststelling dat de mens niet alleen ontwerper is, maar ook een ontwerp - dat vrijheid en onvrijheid, telen en temmen, ontwerpen en onderwerpen in de geschiedenis altijd samengaan. Hij zei er bij dat het humanisme daar geen antwoord op heeft. Volgens een recent boekje van het Humanistisch Verbond, 'Werken met waarden', is een humanist een levenskunstenaar, maar ook begaan met de rest van de wereld: hij kiest voor autonomie, maar ook voor solidariteit. Voor schoonheid en stijl, maar ook voor sociale rechtvaardigheid. Hard werken en genieten, maar ook onthaasten. De beweging is open en pluriform. In de 21e eeuw wil zij nog breder worden: nog meer dialogen openen, nog meer keuzes maken. Welke keuzes zouden dat zijn - bijvoorbeeld op het gebied van de biotechnologie? Over biotechnologie vond ik niets, over technologie een piepklein item. ,,Met auto, boot of vliegtuig kunnen we elke plek op aarde bezoeken, Internet en email geven ons grote invloed op de wereld. We moeten de kennis uit techniek en biologie gebruiken om de levenskwaliteiten op aarde te vergroten, voor onszelf en voor anderen.'' Het is onmogelijk om het er niet mee eens te zijn. Maar intussen onttrekt dat huiselijke 'we' twee belangrijke punten aan het oog. Het eerste is dat er voor het verhogen van ieders levenskwaliteit politieke beslissingen nodig zijn, waar het boekje over zwijgt als het graf. Het tweede punt is dat technologie niet neutraal is, maar een impliciet beeld van de mens en van het 'goede leven' behelst, en het is belangrijk om die vooronderstelling kritisch te bekijken. In de jaren tachtig gebeurde dat nog wel. Biologe en wetenschaps-theoretica Donna Haraway zette de cyborg in haar 'Cyborg Manifest' (1985) in om de verborgen interpretatiekaders van onze werkelijkheid aan het licht te brengen. Haar 'manifest' verwijst naar Marx' 'Communistisch Manifest'; beiden geven een sociaal-economische analyse van de samenleving en definiëren daarbinnen de actieradius voor een revolutionair subject.De belofte van de technologie was volgens haar dat de scheidslijnen op biologisch, op fysiek of op voortplantingsgebied steeds minder relevant zouden worden en dat gelijkwaardiger verhoudingen tussen man en vrouw, jong en oud, hetero en homo, zouden kunnen ontstaan. Er bestaan geen vaste demarcaties, er is geen natuurlijke, oorspronkelijke mens - we zijn permanent transformeerbaar, we hebben de grenzen zelf geconstrueerd, we kunnen ze zelf ook weer verschuiven, volgens Haraway - een stelling waar Sartre het van harte mee eens geweest zou zijn. Nu, vijftien jaar later, is de technofobie van vroeger vervangen door technofilie. Maar van de cultuurkritische inzet van Haraway is niets meer over. In intellectueel Nederland zijn de ideologische veren afgeschud, de pragmatische generatie heeft de kritische generatie afgelost. Het postpolitieke tijdperk is aangebroken. Cultuurkritiek is een tragi-komische cliché geworden. Aan de universiteiten is de filosofie in handen gevallen van specialisten die ijverig aan hun curriculum vitae werken. Het ideologisch debat is een museumstuk, de disciplines die er ooit de munitie voor leverden, zoals de sociologie, sociale filosofie, filosofische antropologie, wetenschapskritiek, zijn gemarginaliseerd of compleet verdwenen. De huidige, pragmatische filosofie heeft zichzelf verbannen uit de publieke sector naar het privé-domein van de ethiek. Meer dan geruststellende slogans heeft ze niet te bieden. Waar het ook over gaat, de Nederlandse intellectueel zegt sussend dat het allemaal zo'n vaart niet lopen zal en vertrouwt intussen klakkeloos op de onzichtbare hand van de markt, van de wetenschap en van de technologische vooruitgang. Zo worden filosofen, en intellectuelen in het algemeen, de technocratische begeleiders van ontwikkelingen waar ze inhoudelijk niets meer over te melden hebben.

Het lijkt mij verstandig om afstand te nemen zowel van het idealisme van de humanistische Bildungsburgers met hun zelfgenoegzame sentimentalisme, als van het hallucinerende toekomstontwerp van de transhumanistische biotechnologen en hun ongereflecteerd scientisme. Met hun 'humanistische argeloosheid' (Sloterdijk) zijn het twee manieren waarop het humanisme niet gered kan worden. Het is tijd om de postmoderne verlamming te boven te komen en het intellectuele vacuum weer op te vullen. Het reanimeren van de theoretische reflectie mag wat mij betreft gebeuren in de vorm van een Kritische Theorie nieuwe stijl - en ik wijk hier expliciet af van Sloterdijk, zij het meer van de letter dan van de geest van zijn tekst. Er is weer een maatschappelijk geïnformeerde en door politieke ideeën geïnspireerde filosofie nodig, die onze postmoderne technologische cultuur kritiseert. Een filosofie die zich niet opsluit binnen de interdisciplinaire geesteswetenschappen, die zich ook niet terugtrekt op de werkvloer van de gezondheidsethiek, maar die zich in nauw contact met kunst en politiek, wetenschap en technologie ontwikkelt. Filosofie is geen overbodige luxe. Vrijwel alle begrippen waarvan we ons bedienen bij het denken over de mens, krijgen een nieuwe urgentie in het licht van de nieuwe technologieën, en moeten opnieuw worden doordacht. Leven, werk, vermaak, ziekte, geboorte, dood, alle fundamentele life-events zullen door de infiltratie van de technologie en de markt nog verder getransformeerd worden, de verhouding tussen het private en het publieke zal nog verder verschuiven. De oude vragen: wie zijn wij, wat doen we hier eigenlijk, hoe willen wij leven? zullen opnieuw gesteld moeten worden, maar nu in een veranderde technologisch-culturele context. Of er antwoorden zullen zijn weet niemand - misschien wel niet. Maar, zoals Sloterdijk zegt, ,,het is kenmerkend voor de humanitas dat mensen voor problemen geplaatst worden die te zwaar voor hen zijn, zonder dat ze zich kunnen permitteren ze vanwege hun zwaarte niet aan te pakken. Deze provocatie van de mens door het onontkoombare, dat tegelijk niet te overmeesteren is, heeft sinds het begin van de Europese filosofie een onvergetelijk spoor achtergelaten - en misschien is de filosofie zelf wel dit spoor in breedste zin.''

Er moet worden nagedacht, zoals Sloterdijk zegt, over een humaniteit aan gene zijde van de humanistische argeloosheid, en over wat de oorspronkelijke inzet was van het humanistische erfgoed. Die inzet is niet de verheffing, veredeling, verleuking of transhumanisering van de mens, maar een geradikaliseerde humanitas - zoals die onder meer door Sartre en Haraway geformuleerd is. Een humanitas die opereert vanuit een gepast wantrouwen jegens de mens en vanuit de erkenning van onze onmacht, maar die niettemin vasthoudt aan de gedachte dat mensen in laatste instantie zichzelf definiëren, zelf hun grenzen bepalen, hun waarden articuleren, hun bestaan ontwerpen - en dat zij dat doen tegen de dwang en het conformisme van een disciplinerende sociaal-economische orde in. Let op het woordje ontwerpen. Het is niet de ratio maar de imaginatio, de creatieve verbeeldingskracht, die in de wereld betekenis en samenhang ontdekt en aan de existentie vorm en inhoud geeft. Ontwerpen is de kunst om tegen de verdrukking in ruimte te scheppen voor een subjectiviteit die niet het product is van disciplinering, maar van stilering (Nietzsche). De kunst om door de multimediale herrie heen te luisteren naar een tegenstem. Zo opgevat is levenskunst een verzetspraktijk. Dat lijkt mij de enige invulling die niet bij voorbaat vrijblijvend is. Terwijl de wereld steeds meer op een op hol geslagen achtbaan gaat lijken, is het de taak van een posthumanistische levenskunst om zich consequent te verzetten tegen de vernietiging van de subjectiviteit en de karikatuur van vrijheid en zelfverwerkelijking, die ons door de markt en de media worden voorgehouden. Algemener gesteld is het de taak van kunst en filosofie, de ruimte voor het vrije ontwerp van de imaginatio open te houden, juist in een tijdperk waarin de economische welvaart suggereert dat het menselijk bestaan vanzelf wel de goede kant op rolt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden