De hersens christelijk, de ziel joods

Zijn predikantschap heeft hij neergelegd, zijn lidmaatschap van de hervormde kerk opgezegd. René Süss 'herontdekte' na menig afwijzing in de theologie van de Amsterdamse School, zijn jodendom. Hij heeft zich uit de kerk 'weggetheologiseerd'. Een portret.

De regels zijn van Hans Andreus. Ze lijken op het lijf geschreven van René Süss, besneden en gedoopte zoon van een joodse vader en een van oorsprong lutherse moeder. Vijftien jaar was hij dominee, in Koog en Zaandijk, daarna in de Amsterdamse Parkkerk. Het kruis van zijn moeder liet hij daar - ook letterlijk - achter, toen zijn kleine gemeente verhuisde naar het Gasthuis op het terrein van het voormalige Wilhelminagasthuis. Anders dan de jong gestorven Andreus heeft Süss nu ook de laatste stap kunnen zetten, terug naar de God en het huis van zijn joodse vader.

Süss (60), negen jaar lang een lastige, emotionele en confronterende luis in de pels van de Amsterdamse hervormde gemeente en de Amsterdamse Barthiaanse theologen heeft deze maand zijn predikantschap neergelegd en zijn lidmaatschap van de hervormde kerk opgezegd. Op 7 maart nam hij in het Gasthuis afscheid van zijn 'jodenkerkje'. Zijn gemeente zoekt nu contact met het Centrum voor leren en vieren, in de hoop gezamenlijk een opvolger te vinden voor hun vertrokken 'herders', René Süss en René Venema.

Süss' vader was tabakshandelaar in Frankfurt, zijn moeder een boerendochter uit Westfalen. Ze trouwden in 1931 en vluchtten in 1938 voor het nazigeweld naar Nederland. Daar, in Bussum, werd in 1939 René geboren. ,,Op de achtste dag liet mijn vader mij, als een gewoon joods jongetje, besnijden. Ik heb dat achteraf heel indrukwekkend gevonden dat hij, in die benarde omstandigheden, toch daaraan vasthield.''

Zijn vader overleed in 1942, op de dag, zo bleek achteraf, dat hij zou zijn opgepakt. Moeder Süss, die om haar man joods was geworden, liet - uit bescherming - haar zoontje dopen in de gereformeerde-bondsgemeente van Bussum en voor veel geld de 'J' uit haar paspoort verwijderen. Op onderduikadressen overleefde René de oorlog. Van zijn joodse familieleden heeft niemand de oorlog overleefd. Over het jodendom heeft zijn moeder nooit meer gesproken.

Maar het zichtbare teken van zijn afkomst, de besnijdenis, was niet ongedaan te maken. Na de oorlog werd hij naar het Zeehuis in Egmond aan Zee gestuurd om bij te komen. ,,We werden door verpleegsters onder de douche gezet en met groene zeep en borstels afgerost. Daar merkte ik dat ik anders was dan die andere jongetjes van zes, zeven jaar.''

Een langzame bewustwording van zijn joodse oorsprong zette in toen hij in de jaren zestig theologie ging studeren aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Mijn moeder had me naar een internaat gestuurd in het noorden des lands om het gymnasium af te maken. Daar ben ik de laatste twee jaar bij een vrijzinnig predikant in huis geweest. Zijn vak, de theologie, leek me leuk. In feite heb ik door het christendom mijn eigen jodendom herontdekt. Zonder Hitler leefde ik nu gewoon als Duitse jood in Frankfurt. Maar als de hervormde jongen die ik noodgedwongen geworden was, zou ik mij, zonder theologiestudie en zonder predikantschap in Amsterdam, mijn joodse wortels waarschijnlijk niet zo indringend bewust zijn geworden.''

Amsterdam en Süss hebben een haat-liefde verhouding met elkaar. De stad heeft hem veel frustraties en eenzaamheid bezorgd, maar hem ook in contact gebracht met de joodse gemeente. ,,Als ik van Koog een beroep zou hebben aangenomen naar Ommen of Dedemsvaart dan was ik nu, bij gebrek aan joodse impulsen, waarschijnlijk nog steeds netjes dominee. Ook zijn het juist de frustraties geweest, die ik heb opgelopen in de confrontatie met de theologen van de zogenoemde Amsterdamse School, waardoor ik me steeds scherper bewust ben geworden van mijn jood-zijn.''

Süss heeft zijn theologiestudie in fasen afgelegd. Na zijn kandidaats besloot hij antiquair te worden. In zijn antiekzaak aan de Spiegelstraat boerde hij zakelijk goed, maar de inhoudelijkheid van de theologiestudie bleef trekken. Na vijftien jaar, hij was inmiddels 43, pakte hij de draad weer op, deed kerkelijk examen maar hield het verder in Amsterdam voor gezien. ,,Toen ik doctoraal wilde doen werden daar de bakens verzet en kwamen de hardere Barthianen aan de bak. Bakker, de opvolger van de dogmaticus Beker, bij wie ik een scriptie had gemaakt over het hervormde-kerkorde-artikel over Israël, liet een collegastudente van mij zakken tijdens een tentamen, waarin zij enkele stellingen uit mijn scriptie verdedigde. Dat was voor mij het signaal om te vertrekken. Bovendien was ik intussen bezig met een studie over het anti-judaïsme bij Barth. Karel Deurloo schreef me daar nog een huilerig briefje over, dat ik dat toch zo niet mocht doen, dat het toch zijn theologische vader was. Jij huilt, dacht ik toen, maar je realiseert je niet dat een jood, als hij dit leest, op een andere manier ook huilt. Ik heb uiteindelijk in Brussel bij de ethicus Wiersma doctoraal gedaan.''

De christelijke dogmatiek en met name de studie van het werk van Karl Barth zetten Süss op het spoor van de anti-joodse geest waarvan naar zijn mening nagenoeg het hele christendom is doortrokken. Zijn aanval op Barth, de held van de Amsterdamse theologen, maakte hem niet geliefd in het naar zijn mening nogal conservatieve, gesloten theologische klimaat van de hoofdstad. ,,Je wordt hier nog altijd getoetst op je affiniteit met Barth en Miskotte. Als je buiten dat potje piest wordt het lastig.''

Het boek dat hij over Barth schreef, 'Een genadeloos bestaan, Karl Barth over het joodse volk', belandde tenslotte bij De Slegte. Naar zijn vaste overtuiging heeft hij het ook aan zijn kritische houding jegens Barth te danken dat de kansels van Amsterdam, op de Amstelkerk na, steeds voor hem gesloten zijn gebleven. ,,Ik ben doodgezwegen. Men heeft niet met open vizier tegen mij gezegd: 'wij moeten jou niet'. Dit geluid mocht gewoon niet gehoord worden.''

Het heeft Süss diep gekwetst dat hij nooit in de gelegenheid is gesteld om over zijn Barth-interpretatie met collega's en studenten te discussiëren. Daar was toch alle reden toe geweest, meent hij, zeker ook gezien hetgeen Barth daarover zelf heeft toegegeven. ,,In een reactie op een boek van een van zijn leerlingen, de theoloog Friedrich Wilhelm Marquardt, die zich erover verwonderde dat Barth zulke afschuwelijke dingen had geschreven over de joden, antwoordt Barth het volgende: 'In persoonlijke ontmoetingen met levende joden, ook joodse christenen, heb ik zolang ik me kan herinneren steeds zoiets als een volstrekt irrationele aversie moeten wegslikken. Foei, kan ik alleen maar zeggen, met betrekking tot mijn in zekere zin allergisch reageren in deze kwestie, maar het was en het is nu eenmaal zo. Het kan zijn', schrijft hij verder, 'dat die irrationele afkeer retarderend heeft gewerkt op mijn hele theologie'.''

Of dat laatste het geval is geweest, heeft Süss in zijn boek uitgezocht. Zijn conclusie is bevestigend. ,,Barths aversie jegens joden heeft zelfs zo retarderend gewerkt dat hij zich moeiteloos welbevond in de klassieke anti-joodse theologie. Zijn persoonlijke afkeer heeft zich verbonden met het anti-joodse dat toch al in de christelijke theologie zit. Maar die conclusie is hier in Amsterdam dus afgebrand.''

In zijn eigen gemeenten heeft Süss het altijd goed gehad, zegt hij. ,,Ze hebben al die vijftien jaren met me meegedacht.'' In 1994 was Süss nog overtuigd van zijn opdracht als jood binnen de kerk. ,,Ik wil binnen de christelijke onderneming duidelijk maken dat het christendom joodse wortels heeft en vooral wat de consequenties daarvan zijn'', zei hij toen tegen het weekblad HN.

Ook een jaar later, in gesprek met het Nieuw Israelietisch Weekblad was hij nog niet zo ver de kerk te willen verlaten: ,,Als je wegloopt, kun je in de kerk niets meer aan verandering bijdragen. Maar of ik er over tien jaar nog zo over denk, of dat ik dan wel de stem van mijn hart wil volgen, ik weet het niet.''

Geen tien maar al vier jaar later is het dan zo ver. Door zijn dagelijkse contact met de joodse bronnen in het oude én nieuwe testament heeft Süss zichzelf langzaam maar zeker 'weggetheologiseerd uit de kerk'. Het antwoord op de vraag of hij het levende bewijs is dat een christen en een jood niet in één persoon kunnen samengaan, luidt uiteindelijk, bijna tot zijn eigen verwondering, bevestigend. ,,Mijn doop heeft vijftien jaar alle eer gehad, nu is het tijd om mijn joodse wortels water te geven. Mijn hersens zijn christelijk maar mijn ziel is joods.''

Lid van een joodse gemeente is hij nog niet. Bij de liberale joden stuitte hij op een ongastvrije sfeer. ,,Ik voelde mij daar niet erg welkom.'' Onder de moederlijke vleugels van Bloeme Evers heeft hij voorlopig onderdak gevonden in de orthodoxe sjoel-west. ,,Daar ben ik van harte welkom en mijn vrouw ook. Of ik daar ook lid kan worden, weet ik niet. Dat is een proces wat ik niet kan en ook niet wil overhaasten.'' Aan de deurpost van huize Süss zit sinds vier jaar een mezoeza en elke sjabbat wordt gevierd. Voorgaan in een kerk is er niet meer bij, maar de joods-christelijke dialoog blijft Süss aan het hart gebakken. Onder andere in het kader van de opleiding 'Theologische vorming van gemeenteleden' hoopt hij daaraan zijn steentje te kunnen blijven bijdragen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden