De heroïek van 42 kilometer achtereen knallen

Na al die jaren vertoont René Godlieb (28) nog alle kenmerken van een dartel veulen in de wei. De atleet zal al zijn zelfbeheersing moeten aanwenden om volgende maand in Rotterdam te slagen op zijn eerste marathon. Een jaar later al wil hij voor de Olympische startstreep in Atlanta staan. Een sportgek die het als voetballer niet kon maken en een nieuwe droom vond.

ROB VELTHUIS

Godlieb, vanwege zijn oprechte bescheidenheid een dankbaar slachtoffer, wist zich amper raad met de situatie en riep iets in de trant van 'ik ben nog lang niet zo ver als jij'. Dat was verre van cynisch bedoeld, zoals het gedicht dat speerwerper Jeroen van der Meer vervolgens hardop aan de bluffer opdroeg dat wel was: “Al is de druppel nog zo snel, de ander achterhaalt hem wel”. Bus plat, Druppers stil.

Godlieb kan zich het voorval niet meer herinneren, al herkent hij er wel veel in. Zoals de karaktertrek van Druppers, die zo graag anderen in de maling nam, maar zelf niets kon velen. En vooral zijn eigen onhebbelijkheid om “ergens op in te gaan, als iemand je van slag probeert te brengen. Ik trap er altijd weer in. Tel tot tien, tel tot tien, houd ik mezelf voor. Maar de vierde keer kan ik het toch weer niet laten.”

Van de buitenkant lijkt Godlieb de ongecompliceerdheid zelve. Een atleet waarvan de vreugde afstraalt, die van alles geniet dat zijn atletiekloopbaan hem brengt, hoe bescheiden de succesjes tot op heden ook waren, afgezet tegen datgene waarvan hij droomt: de top behalen. Als voetballer schrok Godlieb wat dat betreft wakker toen hij een van de vele afvallers bleek te zijn na een open jeugddag in De Meer bij Ajax, de club waarvan hij nog altijd idolaat is. “Toen besefte ik dat het nooit wat zou worden. Ik wilde het hoogste bereiken, prof worden, zoals al die miljoenen anderen. Ik was klein, schoot fysiek tekort. Bovendien ging het me tegenstaan dat het anderen niets kon schelen als we verloren. Als ik sport, wil ik winnen, of op z'n minst het maximaal mogelijke bereiken. Daarom toon ik me soms op een NK blijer met brons dan die ander met de titel. Ik stop alles in mijn sport, dan moet ik er toch van genieten. Maar dat neemt niet weg dat ik er behoorlijk de pest in heb als ik er niet uithaal wat erin zit.”

“Ik ben heel gecompliceerd, erg moeilijk voor mezelf. Ik kan mezelf een enorme lul vinden als ik op de verkeerde momenten weer eens ergens op reageer. Weet je, ik kan zo slecht tegen oneerlijkheid. Er zijn soms van die momenten waarop ik mijn mond moet houden, maar toch ongezouten mijn mening geef. Ik kies niet altijd de weg van de minste weerstand op momenten dat dat zou moeten. Dan moet een ander zeggen: hou toch je kop dicht, wat kan jou het schelen. Het is gelukkig stukken beter geworden. Ik probeer eraan te werken, maar dat gaat stap voor stap. Je kan niet van het ene op het andere moment zeggen: ik wil rustiger worden. Het is iets dat in m'n karakter zit.”

Op zijn school in het vestingstadje Naarden kregen de leerlingen een cijfer voor een loop over de plaatselijke wallen. Godlieb deed mee en kreeg een tien. Toen hij later tijdens de twaalf minuten van een coopertest 3200 meter liep, werd hem de atletiek aangeraden. Maar misschien was het de onrust wel die hem de atletiekbaan opdreef. Godlieb doet niets lievers dan contact zoeken met anderen, en maar praten. “Dan is het ook heerlijk om eens alleen een bos in te rennen. Lopen, dat is een manier om me even af te zonderen, om me af te kunnen reageren.”

Neem nu de wijze waarop hij verzeild raakte op de steeple, die veel te lang zijn loopcarrière zou beheersen. Een vakantie op de Gulpenerberg verregende, de tijd werd gedood met keiharde trainingen, bergop, bergaf. Totdat Godlieb zich sterk genoeg voelde om de horden eens uit te proberen en hij zich tegen beter weten in jarenlang verbond met het gevecht tegen balken, waterbak en uitputting. Zijn techniek was ontoereikend, altijd was het Hans Koeleman die niet alleen “adembenemende verhalen kon vertellen”, maar hem ook ver voorbleef. Tot de hindernissen ook een geestelijke barrière begonnen te vormen.

In 1990 was Godlieb tijdens de Sylvester Corrida in Madrid op luttele seconden afstand van John Ngugi gefinisht, temidden van het puikje der Kenianen. Het is een van die gebeurtenissen die de Weespenaar “fantastisch” noemt, maar die tevens een keerpunt in zijn loopbaan betekende. “Ik dacht dat ik alles kon, ik begon met oogkleppen op te trainen, raakte totaal overtraind. Pas halverwege '92 ging het weer goed, maar ik had de steeple-techniek niet bij kunnen houden. Ik kreeg de ene blessure na de andere, omdat ik steeds die balk weer raakte. Tijdens de NK lag ik op een gegeven moment zelf dwars over de hindernis heen.”

Reeds lang was hem aangeraden de weg op te gaan. Al in 1988 hadden testen van Haico Scharn uitgewezen dat Godlieb een marathonloper bij uitstek zou kunnen zijn, zo lang kon hij hoge tempo's vasthouden. Zoals zijn manager Michel Lukkien en trainer Bob Boverman - “die twee lopen als een rode draad door mijn carrière heen” - hem al zo lang hadden getracht duidelijk te maken. “Als ik ergens aan begin, wil ik het zo goed mogelijk afmaken. Dan wil ik alles uit de kast hebben gehaald. Misschien ben ik te lang blijven hangen. Maar spijt heb ik niet. Het valt niet meer terug te draaien en ik heb prachtige dingen meegemaakt.”

Cursus

Wat Godlieb betreft moet het mooiste nog komen. Toen hij in '92 wat de steeple betreft zei 'ik kap ermee', richtte hij zich zeer planmatig op de zomer van '96. Een cursus marathonlopen in tweeëneenhalf jaar. De eerste crossen werden bezocht, de wedstrijdafstanden werden uitgebouwd, van tien, vijftien kilometer naar het debuut op de halve marathon, vorig jaar. Godlieb fungeerde in Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven als haas, steeds een stukje verder, om de sfeer van de marathon te inhaleren. Morgen staat tijdens de CPC-loop in Den Haag de ultieme test op het programma, waarna een trainingskamp in Frankrijk - “uit zelfbescherming, daar kom ik helemaal tot rust” - de voorbereiding op de marathon van Rotterdam (eind april) moet afronden.

Godlieb leverde veel in voor de gok. “Ik ben 28, helemaal sportgek en wil nu alles op lopen gooien. Ik zie wel waar het schip strandt.” Hij gaf een full-time baan op, toen hij in februari voor 25 uur in dienst kon treden van het managementbureau van Lukkien. Voor het eerst heeft hij het idee voldoende rust en structuur in zijn trainingsprogramma te kunnen inbouwen. Trots meldt de atleet dat hij voor het eerst twee jaar achtereen blessurevrij is. Tja, die steeple. “Het is ook een kwestie van mijn lichaam beter verzorgen. Vroeger sloeg ik nogal eens een massage over. Of deed ik op zondag een duurloop van dertig kilometer, smeerde boterhammen, stapte op de tram en stond drie uur lang op de staantribune van Ajax.”

Niets lijkt zo onzeker als investeren in de marathon. Met klem ontkent Godlieb dat hij door de afstand wordt geobsedeerd. “Nee, het is geen obsessie. Maar als ik Atlanta zou bereiken, wordt een droom waar. Mislukt het, dan leg ik me daar bij neer. Dat zal diep slikken worden, maar niemand neemt me af wat ik heb meegemaakt.” Alleen al het verkeren tussen de (loop)groten der aarde, verschaft hem een bijna kinds plezier. Hij heeft met Plaatjes en Barrios 'van gedachten mogen wisselen', hij heeft Moneghetti kunnen vertellen van zijn marathonplannen.

In zekere zin verbaast Godlieb zichzelf. Stijf van de zenuwen stond hij altijd. Triomfeerde hij tien maal achtereen, de elfde keer stond hij al weer excuses te verzinnen waarom hij eigenlijk zwakker was. “Dat is de aard van het beestje, maar de laatste tijd ben ik heel relaxed. Vroeger keek ik te veel naar wat anderen presteerden en van me dachten. Daardoor bracht ik mezelf uit evenwicht. Nu doe ik wat ik zelf wil.”

Ongedurigheid

Slechts zijn ongedurigheid moet worden ingetoomd. Hij heeft de voorbeelden van ineenstortingen in de marathonpraktijk gezien, constant wordt op hem ingepraat: René beheers je. “Tonnie Dirks zei eens, 'wij hebben temperament, wij willen rammen'. In trainingen zit ik altijd net onder de tijden die ik moet lopen. Boverman moet met een zweep langs de baan staan om me af te remmen. Ik heb snel de neiging om te gaan scheuren als ik me goed voel. Ik zal me op de marathon lang moeten inhouden. Iedere seconde die je op de eerste dertig kilometer langzamer bent, kan je op het einde dubbel terugwinnen als je nog macht hebt.”

Een echt doel legt Godlieb zichzelf voor Rotterdam niet op, hij wil (nog) geen verwachtingen wekken. “Als ik over de finish kom, wil ik het gevoel hebben dat het zó goed is gegaan, dat ik zin heb in de volgende. En niet dat ik als een kaartenhuis in elkaar ben gedonderd en als een berg opzie tegen de tweede. Wat het is met die marathon? Het heeft iets heroïeks. De steeple is spektakel, met dat rossen door de waterbak. De tien kilometer is prachtig vanwege de waanzinnige versnellingen. En de marathon heeft dat hele lange, 42 kilometer achtereen knallen. Dat heeft ook iets spectaculairs, alleen anders. Kijk maar eens naar de mensen. Aart Stigter na de finish in Westland, die kon je zo opvegen. Je ziet hoe mensen in een paar uur kunnen veranderen. Stijf geworden, holle ogen en ingevallen wangen. Het put je helemaal uit. Inderdaad, ik ben zo benieuwd hoe ik er na de finish uit zal zien, hoe ik me zal voelen. Pure nieuwsgierigheid: wanneer ga ik kapot?”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden