De hemel in de ogen van de middeleeuwer

Zolang de mens bestaat, maakt hij zich een voorstelling van de dood. In het grote Niets projecteerden mensen hun wensen en verlangens: de hemel. Trouw besteedt in de serie ’Hemelbeelden’ aandacht aan de voorstellingen van de hemel door de eeuwen heen. Deel 5 (slot): middeleeuwse kunstenaars vonden de vreugde van de hemel lastig uit te beelden.

Sandra Kooke

In de Basilica Santa Maria Gloriosa dei Frari in Venetië hangt de Maria Hemelvaart (1516-1518) van de schilder Titiaan (kleine illustratie linksboven). Op een dek van wolken, omstuwd door engeltjes, zweeft Maria naar boven. Ze kijkt verlangend omhoog naar de hemel waar God de Vader en een engel in een cirkel van gouden licht haar liefdevol opwachten. Net onder het wolkendek staan de apostelen met gestrekte armen. Maria is al vrijwel in de hemel, maar ze kunnen haar voeten nog bijna aanraken.

In de zestiende eeuw was de hemel zo dichtbij. Letterlijk, omdat de dood elk moment uit onverwachte hoek kon opduiken; figuurlijk, omdat de kerk feilloos in staat was de geheimen van het hiernamaals te ontrafelen: priesters wisten wie er naar hemel of hel gingen en wat hun daar te wachten stond.

Omdat men ten tijde van de Middeleeuwen, en in mindere mate daarna, een vrij precies beeld had van hoe het er in de hel en hemel aan toe ging, werden er ook relatief veel afbeeldingen van gemaakt. De hel was duidelijk favoriet bij schilders en beeldhouwers. Ze konden hun fantasie loslaten op de vreselijke pijnen en folteringen die de zondaars te wachten zouden staan. De grote hellemond met scherpe tanden, de afgronden waar lichamen in kukelen, de ketens en kokende potten waar de verdoemden in werden ondergedompeld: daar konden kunstenaars wat mee.

Daarmee vergeleken was de hemel maar een dooie boel. Fra Angelico (1395-1455) toont in ’Christus in glorie omringd door heiligen en engelen’ Christus in de hemel, die als een generaal de rijen heiligen inspecteert. In ’De kroning van de Maagd’ zitten Christus en Maria op een troon en daaromheen staat een grote kring heiligen en engelen in verering naar hen op te kijken. Het aanschouwen van God was voldoende om tot in eeuwigheid gelukkig te zijn, verzekerde de kerk. Maar als afbeelding oogde deze hemel tamelijk saai. Hetzelfde gold voor het eeuwige spelen in het gras van het paradijs, zelfs als daar harp spelende engeltjes omheen buitelden.

Het afbeelden van de hemel begon relatief laat – pas in de Middeleeuwen – omdat de gedachtevorming erover lang op zich liet wachten. Grieken en Romeinen kenden behalve het Elysium, een aards paradijs voor onsterfelijken, alleen de donkere, mistige onderwereld waar je kwam door met een bootje de Styx over te varen. De vroege christenen geloofden dat de hemel pas in zicht kwam na het Laatste Oordeel, aan het einde der tijden, en hielden zich er daarom niet zo mee bezig. Pas rond de twaalfde eeuw, als hel, vagevuur en hemel als de concrete bestemmingen direct na de dood worden beschouwd, gaan kunstenaars ze ook afbeelden.

Dat gebeurde volgens vaste stramienen, vertelt Casper Staal, conservator van het Museum Catharijneconvent in Utrecht. „Behalve de rijen heiligen die naar God staren, bestaan er afbeeldingen van de hemel als het heilige Jeruzalem of als paradijs. De stad stond in de Middeleeuwen voor veiligheid en werd ommuurd afgebeeld. Je zag nooit de stad van binnenuit, met de straten en huizen. Het was altijd een panorama van daken en torens. Vaak zie je Petrus met de sleutel aan de stadspoort staan. Hij laat immers de mensen toe tot de hemel. In de hemel als paradijselijke tuin zie je de heiligen in prachtig weer heen en weer lopen of op een bankje zitten.”

Niet alleen stad en tuin waren symbolen van de hemel, dat gold ook voor het licht en de wolken. Door de eeuwen heen worden deze abstracties gebruikt om de hemel aan te duiden.

Licht, tegenover duisternis, is het kenmerk van God. Ook in heidense godsdiensten wordt de zon als bron van licht aanbeden. Kunstenaars konden er veel kanten mee op. Terwijl in later eeuwen vaak gekozen werd voor het realistische zonlicht dat bijvoorbeeld in stralen tussen de wolken doorschijnt, kozen middeleeuwse kunstenaars vaak voor goud: een gouden aureool om het hoofd of een gouden ei waarin Maria zit of een geheel gouden hemel waarvan God of Christus de bron lijkt te zijn. Wolken hebben vooral te maken met de plaats waar de hemel gesitueerd wordt: boven ons. Met name in de barok wordt de hemel vaak afgebeeld als een plaats waar engeltjes tussen de wolken door heen en weer dartelen.

Het is de vraag in hoeverre mensen in die tijd geloofden in de afbeeldingen van de hemel die ze te zien kregen. De hemel in ’Het Laatste Oordeel’ van Giovanni di Paolo (1420-1482), waarin de nieuw gearriveerden worden begroet door verheugde bekenden, was ongetwijfeld een aantrekkelijk perspectief, maar was het ook geloofwaardig?

Voor theologen niet. Er zijn meerdere bronnen waaruit blijkt dat geleerden de hemel niet opvatten als een plek, maar als een gemoedstoestand waarin de aanwezigheid van God tot geluk en tevredenheid leidde. Maar men begreep dat de massa een concretere verbeelding van gelukzaligheid nodig had. Hetzelfde gold voor de hel, waar het eeuwig lijden door de afwezigheid van God werd gevisualiseerd met eeuwige martelingen.

De hemel, als stad of tuin, is vooral vaak te zien bij verbeeldingen van het Laatste Oordeel. Christus scheidt dan de goeden van de slechten. Die aan Zijn rechterhand (voor de kijker links) gaan naar de hemel – op de achtergrond te zien als aantrekkelijk berglandschap – de anderen naar de donkere hel. Andere typische hemelafbeeldingen zijn de brede en de smalle weg die al dan niet naar de hemel leiden en de kroning van Maria in de hemel.

Uit de vroege Middeleeuwen stamt nog een ander hemelbeeld: de oude Abraham (soms is dit God) die zijn kleed ophoudt. Daarin heeft hij meestal drie kleine gestaltes, zielen, opgevangen, die hij bewaart tot engelen hen naar de hemel dragen (als op de grote afbeelding hiernaast). Ook zie je vaak de arme Lazarus die naar de hemel mag en op Abrahams schoot zit terwijl de rijke man die tijdens het leven niet naar hem omkeek, in de hel is. Wonderlijk zijn ook de afbeeldingen van zielen die het lichaam op het sterfbed verlaten en door een engel worden meegenomen. Jeroen Bosch schilderde zelfs de tunnel, bekend van bijna-doodervaringen, waardoorheen engelen de zielen naar de hemel leiden.

In de Renaissance namen kunstenaars meer vrijheid. Onder invloed van de klassieke oudheid werd het menselijk lichaam belangrijker. Maria, Jezus, maar ook God kregen menselijke gestaltes en werden vaak in de lucht, op wolken geplaatst. De overeenkomst met de antieke goden, die ook als mensen op wolken worden uitgebeeld, is opvallend. Staal: „God wordt een soort Jupiter.”

Voor de zielen is de hemel een lusthof waar naakt om de boom gedanst wordt of waar stelletjes in het gras liggen.

Aan deze vrijheid komt een einde door de Reformatie en de Contrareformatie. De kerken legden de afbeeldingsvrijheid aan banden. De hemel werd langzamerhand abstracter, ook onder invloed van de Verlichting. Wolken, mist en lichtbundels nemen steeds meer de plaats in van realistische afbeeldingen, al laten kunstenaars in de negentiende eeuw als John Flaxham en William Blake menselijke lichamen in innige omhelzing met elkaar de hemel in zweven. Hier is de grote invloed merkbaar van de achttiende-eeuwse Zweed Emanuel Swedenborg. In zijn hemelse visioenen zag hij de zielen in een nieuw, gezond mensenlichaam verder leven met dezelfde familie en vrienden als op aarde.

Het realisme van de Middeleeuwen en Renaissance bleef echter bestaan, voornamelijk in kinderboeken. Kinderen kregen het geloof met plaatjes aangeboden. De middeleeuwse voorstellingen zien we hierin terug: de hel en het vagevuur, engelen en duivels, het hemelse gastmaal met de rijst op gouden bordjes, harpen en rijen gouden stoeltjes op wolken, getekend en geschilderd in zoete kleuren. Nog aan het begin van de twintigste eeuw wordt de kinderen angst voor de duivel en de zonde bijgebracht, maar in de jaren twintig en dertig komt een vriendelijker beeld op dat de plaats inneemt van de angstaanjagende plaatjes: God als Sinterklaas.

Maar halverwege de twintigste eeuw verdwijnt ook dit vriendelijke beeld uit kinderboeken en kinderbijbels. Alles wat verwijst naar het bovennatuurlijke – God, engelen – wordt alleen nog symbolisch getoond: zon, bliksem en een hoop vage wolken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden