De hele week edelsmid

(Trouw)

Kees van Berkel was in de wieg gelegd voor pastoor, maar werd edelsmid voor kerkelijk sierwerk. De vraag daarnaar liep hard terug.

Er was geen grotere liefhebber van edelstenen dan hij. Maar als een klant de zaak binnenliep die amethist wilde omdat dat zou helpen tegen hoofdpijn, stond die enkele minuten later beduusd weer op de Utrechtse Ganzenmarkt, zonder het gewenste kristal. Edelsmid Kees van Berkel vond het vreselijk, al die magische krachten die aan edelstenen wordt toegekend. Zijn vrouw Jetty wierp wel eens tegen: „Maar wat als het nou werkt als placebo?” Dan antwoordde hij kortaf: „Ik geloof daar niet in”.

Het geslacht Van Berkel beoefende het ’edelambacht’ zolang het zich kon heugen. Kees speurde menig uurtje in doopregisters en bevolkingsarchieven naar de eerste edelsmid in de familielijn. Het bleek Theodorus Casparus van Berkel, op 27 juli 1660 in ’s-Hertogenbosch geboren. Niet toevallig in een katholiek gezin, want de rk kerk was een belangrijke opdrachtgever voor edelsmeden vanwege de vele siervoorwerpen die in de mis werden gebruikt.

Toen Kees van Berkel op 28 juli 1930 werd geboren als eerste zoon in een gezin waarin nog zeven kinderen zouden komen, wachtte hem een andere roeping. „Ik lag in de wieg als oudste zoon al pastoor te wezen”, grapte hij later. Op 13-jarige leeftijd werd hij naar het seminarie gestuurd, eerst in Ootmarsum en direct na de oorlog Zevenaar en Apeldoorn. Maar Kees wilde edelsmid worden, net als zijn vader wiens smederij aan de Ganzenmarkt bij elke Utrechter bekend was. In oktober 1946 mocht Kees in de leer bij de Utrechtse edelsmid Piet van Schaïk.

De beroemde Utrechtse edelsmid Jan Eloy Brom was zijn grote voorbeeld. Deze begeleidde hem tijdens en na zijn studietijd. Na de vakschool in Schoonhoven (die nog steeds bestaat) vervolgde hij zijn opleiding in Arnhem, Münster en Keulen. Bij een praktijkles kreeg hij een kruik met pek over zich heen, waardoor hij flinke brandwonden opliep. De dokters raadden hem aan een ander vak te kiezen, maar Kees wilde er niet van horen. Het werd zijn levensmotto: knokken en niet opgeven. Na drie Duitse jaren vestigde hij zich in najaar 1955 als zelfstandig edelsmid in Arnhem, waar Jetty haar opleiding tot kinderverpleegkundige volgde.

De twee jaar jongere Jetty was dochter van de bekende Utrechtse kerkmusicus Hans Ponten, die behalve kerkkorendirigent docent was op de school voor katholieke kerkmuziek. Jetty en Kees groeiden allebei op in de Utrechtse binnenstad die toen nog dorpse trekken had: iedereen kende iedereen. Jetty kwam in de edelsmederij over de vloer als vriendin van een zus van Kees.

Hij was de prater, zij de stille. Na negen jaar verkering huwden ze in 1957. Twee dagen voor het huwelijk stopte Jetty met de verpleging, zoals dat ging in die dagen. Want, schreef Kees in het boekje voor het afscheidsconcert dat hij vorig jaar gaf, ’wij wilden graag kinderen’. Er kwamen vier meisjes en twee jongens.

Na een gezellige Kerst bij Kees’ ouders in 1963 rinkelde een dag later de telefoon in de Arnhemse werkplaats. Kees’ vader was aan de lijn, die hem indringend verzocht de smederij aan de Ganzenmarkt - sinds 1885 familiebezit - over te nemen. Twee broers van Kees, ook edelsmeden, zouden aanvankelijk de Ganzenmarkt overnemen maar zagen ervanaf. Vader Van Berkel werd het werk fysiek te zwaar. Halsoverkop verhuisden Kees en Jetty terug naar Utrecht. Kees nam de smederij over tegen de zakelijke prijs.

De maandelijkse afdracht van twaalfhonderd gulden werd een terugkerende bron van spanning in het jonge gezin. De vraag van parochies naar tabernakels, kelken en andere liturgische voorwerpen daalde dramatisch na het Tweede Vaticaans Concilie, dat brak met de hoogliturgie. De smederij moest het nu hebben van rijkere particulieren die in de werkplaats kwamen voor sieraden of ambachtelijk smeedwerk. En de chauffeur van de burgemeester stopte regelmatig op de Ganzenmarkt om de ambtsketen te laten verzorgen: poetsen, repareren en een schakel toevoegen als een nieuwe burgemeester aantrad.

De kinderen kwamen ondanks deze gedwongen omslag niets tekort. Gymnastiek, muziekles, scouting, het kon allemaal. Met beperkte middelen wist Jetty op pakjesavond iedereen iets persoonlijks te geven en Kees stond garant voor een ludieke avond. En in de kelder, die onder de Ganzenmarkt doorliep, mochten klassenfeesten worden gehouden. Alleen vakanties zaten er niet in, maar die vond Kees toch verschrikkelijk. Kees bleef het liefste thuis. Daar werkte hij zeven dagen per week van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Behalve als ze op zondagmiddag met de auto naar Park Sonsbeek bij Arnhem gingen waar de kinderen konden uitrazen.

In gestolen uurtjes schreef Kees over zijn ervaringen als edelsmid. Het bijna zes meter dikke archief gaat binnenkort naar het Katholiek Documentatie Centrum. Vol statistieken, want Kees telde altijd alles. De twee panden aan de Ganzenmarkt telden 33 kamers en 118 traptreden. Toen Jetty slechter ter been werd, verhuisden ze in 1990 naar De Bilt waar Kees een werkplaats aan huis had. Vijf jaar later kreeg ze een beroerte en nam hij de zorg volledig op zich.

Na haar dood eind 1996 miste hij haar zeer. De gouden armband van Jetty werd verknipt en verdeeld onder de kinderen. Het restmateriaal smolt hij om tot een tranendruppel voor het oudste kleinkind. Voor de foto’s van Jetty in de huiskamer brandde altijd een kaarsje. Over een nieuwe liefde peinsde hij niet. ’Ik ben getrouwd met Jetty’, zei hij dan.

Kees sloot de werkplaats in de Bilt -onder z’n kinderen was geen opvolger - en zocht een nieuw levensdoel. Hij stuurde brieven naar diverse kloosters met de vraag of ze behoefte hadden aan een manusje-van-alles. Dat hadden ze niet. Er werd bij hem prostaatkanker geconstateerd. Eerst onderging hij de behandelingen, maar hij brak ze af. Hij raakte er emotioneel van in de war, zei hij tegen een vriendin, bovendien waren die hormoonspuiten peperduur.

In de Utrechtse wijk Oog in Al betrok hij een benedenwoning voor 55-plussers, met zorg aan huis. Hij werd vrijwilliger in het hospice achter het Centraal Station. Net als in de smederij was hij er altijd aan het werk. Zijn drie-in-de-pan werd een begrip bij de gasten, hij verschoonde bedden, en overal in de voormalige pastorie aan de Kanaalstraat hingen briefjes met aanwijzingen in zijn karakteristieke schoonschrift. Een ’dartele terminaal’ noemde hij zich lichtspottend.

Twee jaar geleden haalde de ziekte hem in. Hij werd vermoeider, kreeg meer pijn en was beducht dat hij tot last zou worden.

Als afscheid mochten alle vrijwilligers bij hem thuis wat moois komen uitzoeken uit de collectie. Hij schreef de rouwenveloppen en wachtte op de dood. Maar die liet op zich wachten. Begin vorig jaar vroeg hij aan een huisarts palliatieve sedatie aan maar die vond hem daarvoor te goed. Het was voor hem een hard gelag, maar van euthanasie wilde hij niet weten. Vanwege het geloof en omdat opgeven niet in zijn woordenboek voorkwam. Hij organiseerde zijn eigen afscheidsconcert, in de Utrechtse St.-Catharinakathedraal met het Kathedrale koor. Tot z’n eigen verrassing was hij er zelf bij.

Een maand voor zijn dood lapte hij nog de ramen, ondanks de pijn. En bezoek werd altijd in de jas geholpen. Rust in z’n lijf had Kees van Berkel niet. Dat kon pas wanneer de ’Bron van oneindige goedheid’, zoals hij God altijd noemde, hem zou komen halen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden