Review

De hel van Dante dit jaar driemaal vernederlandst

In het het jaar 1300, door paus Bonifatius VIII uitgeroepen tot het eerste jubeljaar in de geschiedenis van de rk kerk, bevond Dante zich als 35-jarige precies op het bijbelse 'midden van onze levensweg'. Voor hem zou dit eerste jubeljaar het einde inluiden van een korte, maar redelijk succesvolle carrière in de Florentijnse politiek.

Een jaar later viel Bonifatius' bondgenoot Charles de Valois Florence binnen, doodde of verjoeg Dante's partijgenoten en hun families, plunderde en verwoestte hun huizen, en bracht de pausgezinden weer aan de macht.

Dante was buiten Florence, waarschijnlijk onderweg naar huis na een mislukte diplomatieke missie om Bonifatius VIII -ongetwijfeld zijn grootste en machtigste vijand- nog op andere gedachten te brengen. Bij verstek werd hij veroordeeld tot ballingschap, en er volgde een leven vol ontberingen en vernederingen.

Toch hebben wij gek genoeg veel te danken aan deze dramatische wending in Dante's leven en aan de erop volgende zwarte periode. Net als bij vele latere Italiaanse schrijvers was verbanning een vruchtbare voedingsbodem voor sublieme literaire creaties. Bij Dante was het de basis voor zijn 'Goddelijke Komedie', het poëtische verslag van zijn reis door het hiernamaals die plaatsvond rond Pasen van het jaar 1300.

Binnenkort kan de lezer kiezen uit drie nieuwe vertalingen van dit meesterwerk. Aangekondigd voor de herfst van dit jaar is een metrische en rijmende vertaling van Ike Cialona en Peter Verstegen. Eerder nog verschijnt het eerste deel van Rob Brouwers metrische vertaling, waarvan ook deel 2 en 3 dit jaar zullen uitkomen. En Jacques Janssen bijt nu het spits af met een prozavertaling van het 'Inferno' die al direct opvalt door de nogal onorthodoxe titel, 'Mijn komedie: Hel'.

Aan het begin van canto 25 noemt Dante zijn gedicht inderdaad la mia comedia. Het is echter ongebruikelijk om met deze uitdrukking het hele werk te betitelen: een eerste signaal van het persoonlijke karakter van Janssens boek.

In veel opzichten is het een waardevolle publicatie. Opvallend is de verzorgde aankleding van de vertaling: een lange algemene inleiding, heldere parafraserende inleidingen bij de afzonderlijke zangen, toegankelijk verklarend commentaar in talrijke voetnoten, verschillende figuren en kaarten, en bovenal meer dan zeventig schitterende illustraties van op Dante's 'Komedie' geïnspireerde kunstwerken.

Aanvullingen op de artistieke en culturele receptiegeschiedenis zijn ook te vinden in de talrijke voetnoten bij de afzonderlijke zangen. Doorgaans levert dit zeer leesbare en informatieve stukjes commentaar op, die Dante's tekst voor Nederlandse lezers zeker verlevendigen.

Het moet echter ook gezegd dat door het nogal persoonlijke en cultuurgerichte perspectief de klassieke commentaarfunctie af en toe in het gedrang komt. In cruciale episodes van het 'Inferno' gaat het commentaar aan belangrijke kwesties voorbij.

Neem de beroemde episode van Odysseus ('Inferno' 26). Odysseus, bij Dante Ulisse genoemd, bevindt zich in de kring van de valse raadgevers. Volgens Janssen wordt Odysseus hier gestraft voor zijn list met het Trojaanse paard, maar dat is een te simpele voorstelling van zaken. Er zit veel meer vast aan deze episode die doorwerkt in het hele vervolg van de 'Komedie'.

De kern van canto 26 wordt gevormd door Ulisse's eigen verhaal over de omstandigheden van zijn dood. Hierin komt een ander en veel belangrijker aspect van Ulisse's persoonlijkheid naar voren: zijn onstilbaar verlangen naar kennis. Dit verlangen was sterker en belangrijker dan al het andere op aarde.

Niets kon hem ervan weerhouden om samen met een kleine groep getrouwen een heuse ontdekkingsreis ante litteram te ondernemen, voorbij de zuilen van Hercules, de zon achterna, naar de mondo sanza gente, de mensenloze wereld van het zuidelijk halfrond. Voorbij de plek dus waar een godheid een duidelijk zichtbaar verbod had aangebracht: het befaamde nec plus ultra.

Het negeren van dit verbod lijkt de directe aanleiding voor Ulisse's ondergang. God, ditmaal de christelijke, laat het schip van Ulisse en zijn metgezellen met man en muis vergaan wanneer zij het enige stukje land op het halfrond der wateren in zicht krijgen, de berg van het aardse paradijs die na Christus' kruisdood zou worden gebruikt als louteringsberg.

Ulisse verdient uitvoerig commentaar omdat hij ongetwijfeld een van de belangrijkste personages in de 'Komedie' is. Aan de ene kant oefent hij een ongelooflijke aantrekkingskracht uit op het personage Dante (in 1300 nog volop gefascineerd door de macht van wetenschap en kennis) en aan de andere kant wordt zijn reis door de dichter Dante vele keren expliciet en impliciet geciteerd als voorbeeld van een niet door God gesteunde en dus afkeurenswaardige onderneming.

Waarom bevindt Ulisse zich nu eigenlijk in de hel? Welk gebod kon hij als heiden overtreden met zijn 'dwaze vlucht'? Hoe komt Dante aan dit ongewone verhaal en hoe verhoudt Ulisse's mentaliteit zich tot die van de jonge Dante? Van de hele problematiek rond Ulisse, zijn functie binnen de 'Komedie' en de bijbehorende bibliografie vinden we niets terug in dit commentaar.

Een enkel voorbeeld. Vergilius gebruikt verscheidene keren een soort toverspreuk waarmee hij hellemonsters moeiteloos op afstand houdt: vuolsi cosi cola dove si puote cio che si vuole, wat zoveel betekent als: ,,Men wil het daar waar macht en wil één zijn''. Het onpersoonlijke si wordt gebruikt om de naam God te vermijden, die net zoals Christus en Maria nooit worden genoemd in het 'Inferno'. Het meervoud dat Janssen introduceert maakt de tekst eerder komisch: ,,Wij hebben steun van boven, waar ze kunnen wat ze willen''.

Verkeerde bijklanken hebben ook 'partij van boeren en buitenlui' voor de parte selvaggia (de onbehouwen partij), 'trawanten' (voor Dante's dichtervrienden) en 'juridische maatregelen' (voor wetten).

Met cui Guido vostro forse ebbe a disdegno wordt volgens alle moderne commentatoren bedoeld dat Guido wellicht niet zo'n hoge dunk had van Beatrice, dat wil zeggen van de goddelijke gratie. In zijn vertaling herneemt Janssen echter de sterk verouderde interpretatie dat Guido niet Beatrice, maar Vergilius te weinig op zijn waarde zou schatten.

Ook de beroemde laatste woorden van graaf Ugolino della Gherardesca ('Inferno' 33, 75) waarover talloze verhitte discussies zijn ontstaan, worden door Janssen tekortgedaan. Het prachtig allitererende en mysterieuze vers Poscia piu che 'l dolor poté 'l digiuno betekent letterlijk 'daarna vermocht de pijn meer dan het vasten', en daarmee wordt opzettelijk níet onthuld wat er zich in de laatste eenzame uren voor Ugolino's dood heeft afgespeeld in zijn Pisaanse gevangenistoren.

Vanwege hun ambiguïteit geven deze woorden aan de hele huiveringwekkende episode een extra dimensie. In deze vertaling worden ze platvertaald en eenduidig opgevat: 'Daarna kwelde de honger mij, meer nog dan het verdriet'.

Een groot gemis is echter de afwezigheid van de Italiaanse tekst naast de vertaling (een luxe die straks de Nederlandse vertaling van van Brouwer wél heeft). Voor lezers met enige kennis van het Italiaans is het fascinerend om vast te stellen hoe ongelooflijk fris en verrassend actueel Dante's taal is: maar liefst acht op de tien woorden van de 'Komedie' behoren tot het hedendaags Italiaans idioom!

Dit boek mag niet ontbreken in de collecties van Dante-liefhebbers, maar dan vooral vanwege de reeds genoemde kwaliteiten van de aankleding van de vertaling, de uiterst toegankelijke en informatieve noten én de ronduit prachtige illustraties. Het wachten is nog steeds op een meer correcte en meer poëtische vertaling met een vollediger en professioneler commentaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden