'De heer wil een psycholoog spreken'

Ibrahim Benai ontsnapte aan de vlammen van de Schipholbrand en zag verbrande medegedetineerden die dat niet was gelukt. Hij sprak met Trouw-journalist Bart Zuidervaart en diens collega Willem de Haan. Hun boek over het drama, dat vandaag verschijnt, laat zien hoe koele hulpverleners en politici met haast Benai het liefst zonder veel poespas de grens wilden overzetten. Een voorpublicatie.

De huisartsen en psychologen op de bajesboot in Rotterdam draaien volle dagen spreekuur. De komst van ruim honderd overlevenden van de brand zorgt voor topdrukte.

De Algerijn Ibrahim Benai ziet op de boot drie verschillende huisartsen. „Ik gebruik nooit medicijnen omdat ik daar bang voor ben. Maar ik heb last van trillen, ik zit steeds te piekeren en ik heb geen trek om te eten”, vertelt hij de artsen. Hij rookt en drinkt koffie, verder niks.

Ibrahim zit op de bajesboot met vier mensen in één cel. Om te slapen krijgt hij slaapmiddelen, en tegen brandend maagzuur slikt hij maagtabletten.

Acht dagen na de brand spreekt Ibrahim voor het eerst met de justitiepsycholoog Frans Schilder. Het is dan 3 november 2005. Hij kan niet slapen en heeft nachtmerries. „Ik zie steeds de mensen voor me die waren omgekomen.” Schilder noteert de klachten: nachtmerries, herbeleving, lusteloosheid en slapeloosheid. Zijn conclusie luidt in het geval Ibrahim Benai, evenals in een aantal andere gevallen: een acute stressstoornis met angstbeleving. Zijn standaardadvies: een vervolgconsult over veertien dagen.

Maar voor Ibrahim duurt dat te lang. Hij wil de psycholoog opnieuw spreken en meldt zich op 11 november bij de medische dienst. Die noteert: ’De heer wil graag een psycholoog spreken in verband met brand Schiphol. Aan hem melden dat psycholoog over een week komt, zoals afgesproken’.

Ruim twee weken na zijn eerste gesprek heeft hij op 18 november een tweede onderhoud met psycholoog Schilder. Die rapporteert: ‘Man was betrokken bij brand. Heeft verbrande gedetineerden gezien en geholpen. Ziet alles steeds in een flits voorbijgaan. Advies: vervolgconsult over veertien dagen.’

Minister Donner van Justitie komt persoonlijk poolshoogte nemen op de bajesboot. Hij wil met een aantal overlevenden spreken. Ibrahim Benai wordt aangewezen, samen met drie anderen. Ibrahim is de enige die zich in het Nederlands kan uitdrukken. Of ze goed opgevangen zijn na de brand, wil Donner weten.

Ibrahim vertelt Donner over de opgefokte politiemensen die de overlevenden van vleugel K met getrokken pistolen de luchtplaats van vleugel J op gejaagd hadden. Over de angst die ze, samengepropt in die luchtkooi, hadden doorstaan. Over het vuur dat hun kant op kwam. Over hoe ze twee aan twee geboeid naar een grote binnenplaats waren gedreven, waar ze uren in de kou hadden gestaan. Dat het personeel door een deur dekens naar hen had gegooid. Dat ze ’s ochtends in bussen waren gezet zonder te weten waarheen. Dat ze in Rotterdam opnieuw gefouilleerd waren en opgesloten. En dat ze daar helemaal niet tevreden over waren.

Die avond zegt Donner in het Journaal dat de overlevenden die hij heeft gesproken tevreden zijn over de opvang na de brand. Ibrahim wordt er door de anderen op aangesproken: hoe had hij dat kunnen zeggen? Waarom had hij hen verraden? Het is voor Ibrahim zwaar om hun vertrouwen terug te winnen. Hij snapt ook niet dat Donner uitgerekend met mensen heeft gesproken die, afgezien van Ibrahim, hem niet eens konden verstaan.

Hij heeft nog een briefje van de minister gekregen met diens handtekening. ‘Dank voor het gesprek en sterkte in de toekomst,’ staat erop.

In de Tweede Kamer roert de oppositie zich over de wijze waarop de overlevenden na de brand opnieuw in detentie zijn gezet. Marijke Vos (GroenLinks) hekelt op 1 november in een debat de handelswijze van minister Verdonk: „Dit is verschrikkelijk, het kan echt niet. Ook de GGZ Nederland zegt dat het cru is om overlevenden op dezelfde dag weer in een cel te zetten en soms zelfs in een isoleercel.”

Maar Verdonk is niet onder de indruk: „Ik heb ervoor gekozen om mensen in hetzelfde regime te plaatsen als waarin men zat, maar natuurlijk wel met begeleiding. Er zijn twaalf psychologen aanwezig van het traumateam, die met de mensen groepsgesprekken en individuele gesprekken voeren.”

In het debat met de minister worden moties ingediend om de overlevenden over te brengen naar reguliere opvangcentra. Maar de moties krijgen geen meerderheid. Op 17 november worden de ministers Verdonk en Donner opnieuw aan de tand gevoeld nadat verschillende overlevenden in de media aan het woord zijn geweest over hun situatie op de detentieboot in Rotterdam en in Kamp Zeist.

Donner reageert uiterst formeel: „Er wordt geen informatie gegeven over plaatsen waar men zich ophoudt en over de penitentiaire toestand.”

Toch besluit het ministerie kort daarop dat een kleine groep van veertien getraumatiseerde overlevenden naar een regulier asielzoekerscentrum wordt overgebracht. Ibrahim Benai is een van degenen die op 29 november, ruim een maand na de brand, te horen krijgt dat hij zal worden overgeplaatst naar het asielzoekerscentrum in het Groningse Ulrum. Hij vertrekt met één schoen: al die tijd is zijn kleding niet compleet aangekomen uit het cellencomplex op Schiphol.

Voor het eerst geen ijzeren hek, alleen een slagboom waar je zo langs kunt lopen. De overlevenden kunnen gaan en staan waar ze willen. Als ze maar elke week komen stempelen op het kantoortje in het asielzoekerscentrum. In de woningen staan vier tot vijf bedden. Toch willen sommigen liever alleen wonen en slapen, zoals de Senegalees ‘papa’ Sakho en de jonge Afghaan Momand Nouri.

De Algerijnen Ibrahim Benai, Boubakeur Cherrak, de Tunesiër Hichem Bensboi, de Marokkaan Moustapha El Boukhari en de Soedanees Ahmed Edries wonen bij elkaar. Cherrak ziet al snel dat er in de houten woning geen brandalarm is. Als hij naar het kantoortje loopt, komt hij van de koude kermis thuis: „Als u dat nodig vindt, kunt u het zelf aanschaffen.”

In de woonkamer van de vijf staat een vaas met elf bloemen op tafel, voor elke overledene één. En aan die tafel wordt eindeloos gepraat: in welke cel ze zaten en met wie, wat ze op de gang allemaal hoorden, hoe bang ze geweest zijn, wie de deur opendeed, en wat er die nacht verder gebeurde. Praten, roken en pillen slikken. De medische opvang op het asielzoekerscentrum is niet gierig met medicatie.

De eerste groep is nog maar net in Ulrum, als de IND op 2 december de artsen van het Bureau Medische Advisering (BMA) – onderdeel van de IND – vraagt of de overlevenden al teruggestuurd kunnen worden naar het land van herkomst. Verantwoordelijk minister Verdonk heeft haast. De BMA adviseert op 19 december, keurig één dag voor de deadline, over de mogelijke terugkeer van de betrokkenen. In het dossier van de Algerijn Ibrahim Benai staat: ‘De huidige behandelaar is niet bekend. Hoelang behandeling bij betrokkene geïndiceerd zal zijn, is heden niet bekend. Psychiatrische behandeling is in Algerije verkrijgbaar in onder andere Centre Hospitalier Universitaire en in de privékliniek Charazed te Algiers. PTSS-behandeling is aldaar geen officieel onderdeel van de psychiatrie. Bij het uitblijven van de behandeling kunnen de klachten bij betrokkene toenemen en mogelijk chronisch worden’.

Dat klinkt als een contra-indicatie voor uitzetting. Maar het venijn zit in de staart van het BMA-advies: ‘Op basis van de huidige beschikbare informatie wordt niet verwacht dat er zonder behandeling sprake zal zijn van een levensbedreigende situatie. Derhalve wordt geen medische noodsituatie op korte termijn verwacht. Gezien de huidige medische inzichten acht ik betrokkene in staat te reizen met gangbare vervoermiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig’.

Onwetend van dit advies ontmoeten de overlevenden in Ulrum ondertussen de derde psycholoog. Dat is, na psycholoog Schilder op de detentieboot en de Groninger Maurits Verster, intercultureel psycholoog van de GGZ in Winschoten Ayhan Tatlicioglu. Ook hij spreekt met de veertien overlevenden in Ulrum, noteert hun klachten en maakt een begin met een behandelplan. Die behandeling is nog niet gestart als negen van de veertien een brief van de IND krijgen, waarin staat dat zij, gelet op het BMA-advies van 19 december, geen recht op verblijf hebben: ‘Er is thans geen reden meer voor uitstel van uw uitzetting naar het land van herkomst. U dient Nederland binnen 28 dagen te verlaten.’

Een getergde delegatie van de Tweede Kamer besluit naar Ulrum af te reizen voor een werkbezoek. Ze stellen zich op de hoogte van de opvang en psychische begeleiding. Er worden mobiele telefoonnummers uitgewisseld: als er wat is kunnen de jongens de Kamerleden bellen. Trots laten ze een sms’je zien van GroenLinks-Kamerlid Marijke Vos: ‘houd moed’, schrijft Vos op de terugweg naar Den Haag.

In de Tweede Kamer krijgt minister Verdonk tijdens het debat van 31 januari 2006 vanwege haar voortvarende aanpak zware kritiek, waarop ze besluit de voorgenomen uitzetting op te schorten. De slachtoffers krijgen een nieuwe brief van de IND waarin staat dat hun uitzetting tijdelijk van de baan is.

Maar de minister zit niet stil. Een dikke week na het Kamerdebat, op 10 februari, is een aantal BMA-artsen op bezoek in Ulrum voor een zogenoemd spreekuurcontact met elk slachtoffer. De groep overlevenden is uitgegroeid tot dertig mensen. De artsen komen ook de administratie op orde brengen. Wie wordt nu door wie behandeld? Ze hebben hier en daar ook een advies voor de overlevenden. Zo krijgt Ibrahim Benai een briefje met daarop het adres van een kliniek in Algiers, waar hij zich kan vervoegen als hij het land wordt uitgezet. Ibrahim kent die kliniek: een grote instelling voor psychiatrische patiënten. Maar, zegt hij, „ik ben niet gek, ik ben ziek”. Bovendien komen hij en zijn familie niet uit Algiers, maar 400 kilometer daarvandaan, uit de omgeving van Oran.

Ondertussen wordt duidelijk dat het asielcentrum in Ulrum gaat sluiten. Steeds meer asielzoekers vertrekken, de grasvelden tussen de woonblokken vullen zich met bergen oude fietsen, koelkasten en magnetrons. Wat betekent dit voor de Schipholgroep? Die heeft geen idee.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden