De hardvochtige revolutie

Mensen hebben na lang wachten bij de Apple store op Fifth Avenue in New York eindelijk hun iPad kunnen kopen. (FOTO AFP)

Na de banken- en landencrisis vraagt iedereen zich af of we met het kapitalisme nu wel zo blij moeten zijn. De waarheid lijkt, zoals zo vaak, in het midden te liggen.

Voor een successtory staat het kapitalisme de laatste paar jaar in een kwade reuk. De media weten weinig goeds te melden over een systeem en zijn representanten dat ons in de ergste economische crisis in 80 jaar heeft gestort. Politici willen het monster om het hardst aan de ketting leggen. En in de serieuze boekhandel vind je op de plank Economie titels als ’De Prooi’ (over de ondergang van ABN Amro) die je vroeger doorgaans in de kast Misdaad aantrof.

We weten natuurlijk allemaal hoe dat komt. De excessen in het bankwezen en de recente aanval van speculanten op de euro hebben zoveel reputatieschade aangericht dat het jaren zal kosten voor het vertrouwen terug is. Elke krijtstreep leek zich de lijfspreuk van Gordon Gekko, de held uit de weer actuele film ’Wall Street’ uit 1987, eigen te hebben gemaakt. ’Graaien is goed’, vooral wanneer de belastingbetaler de rekening betaalt als het fout loopt.

Sinds de kredietcrisis bijna twee jaar geleden uitbrak, kreunen de planken onder de boeken die de catastrofe hebben beschreven en met meer of minder succes hebben geanalyseerd. De teneur van de meeste analyses is dat een volledig vrije markt tot rampspoed leidt en dat de staat nodig blijft om de ’onzichtbare hand’, de metafoor waarmee Adam Smith in de achttiende eeuw de werking van de markteconomie beschreef, van tijd tot tijd stevig op de vingers te tikken.

In zijn nieuwste boek, ’De ideologie van de vrije markt’, graaft de filosoof Hans Achterhuis naar de wortels van de laatste uitwassen. Hij komt uit bij de ideeën van de in Nederland vrijwel onbekende Amerikaanse schrijfster Ayn Rand wier roman ’Atlas in Staking’ een bewieroking van het ongebreidelde kapitalisme is. Rand wordt in neoliberale kringen beschouwd als een groot filosoof en haar roman als een van de belangrijkste boeken van de twintigste eeuw. Met catastrofale consequenties. Want tot haar discipelen behoorde ook Alan Greenspan, de vorige voorzitter van de Fed, de Amerikaanse centrale bank. De voorzitter van de Fed is een van de machtigste figuren ter wereld. En als hij in de ban raakt van een onbekookte ideologie, heb je de poppen aan het dansen, zoals Achterhuis in zijn fascinerende boek aantoont.

Door die stortvloed van negatieve kritiek zijn we gauw geneigd te vergeten dat het kapitalisme ook een welvaartsmachine zonder weerga is. We danken onze ongekend hoge levensstandaard aan de ’Relentless Revolution’ (de hardvochtige revolutie) zoals de Amerikaanse historica Joyce Appleby haar geschiedenis van het kapitalisme heeft genoemd.

Het is een titel die de lading dekt. Appleby heeft niet alleen een goed oog voor de verworvenheden, maar ook voor de schaduwkanten van het kapitalisme, in het bijzonder de uitbuiting van zwakkeren en de aanslag op het milieu.

Haar boek is het interessantst in haar verklaring van het ontstaan van het fenomeen. Het kapitalisme is niet zozeer een economische als wel een culturele revolutie. Eeuwenlang leefden de mensen in een statische gemeenschap. Iedereen zat vastgeketend aan zijn plaats in de door God gegeven orde. Ondernemen, risico nemen om geld te verdienen, liefst zo veel mogelijk, was iets ongehoords, en zeker voor de elite, de adel, iets onsmakelijks. Ontsnappen uit deze ’dwangbuis van gewoontes’ was vrijwel onmogelijk.

Dat was iets waar de Nederlanders als eersten echt in zijn geslaagd. Met hun dynamiek en hun handelsgeest werden ze de aanjagers van een omwenteling die de wereld op zijn kop zou zetten. De Republiek was in zijn Gouden Eeuw verreweg het welvarendste land ter wereld. Maar de eerste industriële mogendheid zouden onze voorvaderen niet worden.

Door een gelukkig en toevallig samenspel van factoren werd Engeland de bakermat van het kapitalisme.

Door landbouwhervormingen was het mogelijk met minder boeren meer voedsel te produceren. Deze overbodige boeren konden werk vinden in de ontluikende industrie. Engeland had de brandstof, kolen, voor die industrie. Er bleek voldoende rechtszekerheid om eigendomsrechten veilig te stellen. En er heerste in de steden, lees Londen, een levendig intellectueel klimaat. Dit leverde de springplank voor uitvinders, onder andere van de stoommachine, die de industriële revolutie in gang zetten.

Het was een proces van vele jaren en Appleby zegt terecht dat het eerder een evolutie dan een revolutie was. Maar het is als de Industriële Revolutie de geschiedenisboeken ingegaan.

Vanuit Engeland rukte de revolutie vervolgens op naar Europa en via de koloniën van de Europese grootmachten naar de VS, India en uiteindelijk de rest van de wereld, die onder de dorre noemer ’opkomende markten’ steeds meer een factor van belang worden. Het is een geschiedenis rijk aan ironie. Er is vermoedelijk geen land ter wereld waar de revolutie de afgelopen dertig jaar zo’n radicale opruiming onder achterhaalde ideeën heeft gehouden als China. De nieuwe economische supermacht is in naam nog steeds communistisch, het gigantische portret van voorzitter Mao beheerst nog altijd het Plein van de Hemelse Vrede, maar de echte icoon van dit nieuwe China is Adam Smith.

Appleby vertelt haar verhaal met verve. Daarbij maakt ze duidelijk dat er niet een universeel kapitalisme bestaat. Elk land heeft zijn eigen variant, bepaald en gekleurd door zijn geschiedenis en cultuur. Het Japanse kapitalisme bijvoorbeeld lijkt in weinig op het Amerikaanse.

Ondanks die verscheidenheid hebben deze varianten één ding gemeen. Innovatie – technologische en organisatorische – is het allesbepalende wezenskenmerk van elke vorm van kapitalisme.

Deze innovatie was zeker in de beginjaren het werk van de Grote Ondernemers. Elke bedrijfstak kende zijn pioniers die er door hun talent en inzet in slaagden hun sector naar onvermoede hoogten te stuwen. Ze traden meestal aan als ’hun’ industrie nog in de kinderschoenen stond. Als ze na jaren van bloed, zweet en tranen van vooral hun loonslaven van het toneel verdwenen, hadden ze zo hun stempel weten te drukken, dat hun tijdgenoten niet konden begrijpen hoe ze het ooit zonder hun inbreng hadden kunnen stellen.

De cultus van de Grote Man kent tegenwoordig in nette kringen weinig aanhangers, maar tycoons als Vanderbilt (spoorwegen), Rockefeller (olie), Carnegie (staal) en Ford (auto), waren in hun tijd grotere revolutionairen dan de linkse intellectuelen die in de kroeg droomden van de grote kladderadatsch. En ook onze tijd heeft zijn tycoons: Bill Gates (Microsoft), Steve Jobs (Apple) en de jongens van Google passen naadloos in de revolutie die 200 jaar geleden op een regenachtig eiland is begonnen.

Die onstuitbare drang tot vernieuwing eist(e) onherroepelijk slachtoffers. De supermarkt verdrijft de buurtwinkel. De fabriek moet sluiten omdat de concurrent het elders misschien niet beter maar wel goedkoper doet. Een patent is al achterhaald voor het is aangevraagd, omdat iemand anders toch nog iets beters heeft weten te bedenken. Het kapitalisme houdt regelmatig een bloedbad onder illusies, reputaties en gevestigde belangen. Het is een proces dat de Oostenrijks-Amerikaanse econoom Joseph Schumpeter ’creatieve destructie’ heeft genoemd. Om te voorkomen dat dit bloedbad al te zeer uit de hand loopt, is een toezichthouder nodig die van tijd tot tijd de teugels aantrekt, zegt Appleby.

Dat toezicht schoot in de financiële sector de afgelopen jaren ernstig tekort. Door de deregulering van de jaren tachtig konden er allerlei ook door insiders nauwelijks begrepen ’financiële producten’ op de markt worden gebracht, die, in de woorden van superbelegger Warren Buffett, ’massavernietigingswapens’ bleken.

Ook de huidige recessie wordt door Appleby goed en voor de leek begrijpelijk geanalyseerd. Maar ze zou geen Amerikaan zijn, als ze ondanks alle misère geen lichtpunten had ontwaard. „Mensen leren van hun fouten”, schrijft ze. En ’het is dan wel een hardvochtige revolutie, maar niet zonder verstand’. Nu maar hopen dat ze gelijk heeft.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden