De handelswaarde van een gekreukt velletje

“Weerloos maar bewaard.” Onder die titel, met een knipoog naar Luceberts bekende dichtregel “alles van waarde is weerloos”, begint vandaag de achttiende European Antiquarian Book & Print Fair die tot en met zaterdag in de Amsterdamse Rai plaatsvindt. De uitdagende titel lijkt te suggereren dat de antiquaren zelf in belangrijke mate bijdragen aan het behoud van de oude prenten, manuscripten van schrijvers en de bijzondere boeken in perkament en op handgeschept papier, waar zij zo driftig in handelen.

In zekere zin is daar ook wel iets voor te zeggen. Antiquaren doen, geholpen door hun grote specialistische kennis en gedrevenheid, vaak belangrijke vondsten. Op de jaarlijkse beurs is altijd schitterend materiaal te zien, dat in sommmige gevallen zelfs nooit eerder te bewonderen was. Uit de zee der vergetelheid komen zeldzame prenten en boeken even aan de oppervlakte, om vervolgens weer voor jaren onder te duiken. Toch is al het prachtige materiaal dat uit allerlei hoeken en gaten bij elkaar is gevist ook simpelweg handelswaar. Een kijkje bij drie antiquaars, die ieder met een grote stand op de Rai vertegenwoordigd zijn, brengt helder aan het licht dat antiquaars constant in innerlijke tweestrijd verkeren: ze zijn liefhebbers en geleerden, maar vanzelfsprekend ook kooplieden.

“Onderhandelen moet altijd,” zegt André Schwertz, antiquaar te Utrecht en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Antiquaren:“Als je dit vak goed wilt doen, dan moet je in de eerste plaats een halve wetenschapper zijn. Ten tweede en derde: een olifantengeheugen hebben en het buitengewoon leuk vinden.” Het bewijs dat specialistische kennis hem veel oplevert, heeft Schwertz op tafel voor zich uitgespreid. Trots toont hij op twee grote mappen met ieder een stapeltje van tien prachtige gekleurde, gesjabloneerde bladen. “Dit is hoogstwaarschijnlijk de eerste en laatste keer dat ik die zal kunnen aanbieden,” zegt hij hees. Het zijn twee volledige portefeuilles met de 'Chassidische legenden', prenten die de beeldend kunstenaar H.N. Werkman in 1942 en 1943 in een oplage van ieder twintig exemplaren maakte.

Werkman maakte tijdens de bezetting deel uit van 'De Blauwe Schuit', een kunstenaarsgroepje dat clandestien zeer bijzondere uitgaven maakte. Gedichten van Nijhoff, Marsman en Hendrik de Vries werden in kleine aantallen met de hand gedrukt op de zolder van een pakhuis in Groningen. Daar had Werkman, geïnspireerd door 'Die Legenden des Baalschems' van de Joodse theoloog Martin Buber, zijn eigen 'Chassidische Legenden' op schitterende manier in woord en beeld vormgegeven. Werkman overleefde de oorlog niet. Vlak na het voltooien van de tweede map werd hij thuis opgepakt. Op 10 april 1945, drie dagen voordat de gevangenis waar hij zat werd bevrijd, werd hij vermoord.

André Schwertz weet alles van Werkman. Hij gaf zelfs, bij wijze van uitzondering, twee boeken uit van Ate Zuithoff, één van de andere 'schippers' van 'De Blauwe Schuit'. De druktechnieken van Werkman en de geschiedenis van het kunstenaarsgroepje heeft hij terdege bestudeerd. Voorzichtig slaat hij blad na blad om. Bovenop blijft, in fraai groen, 'De sabat der eenvoudigen' liggen. “Dit is zó prachtig. Kijk nou eens naar de briljante, simpele uitwerking van die moeilijke verhalen.” De bewondering weerhoudt Schwertz er overigens niet van rustig een sjekkie te roken boven 'zijn' prenten. Zijn ogen dwalen over het vel. Dan wijst hij op een paar vlekjes. “Stofjes, die tijdens het drukken tussen de rol gekomen. Zo zie je maar: iedere prent is toch weer anders. Volstrekt uniek.”

Het moge duidelijk zijn: hier spreekt de liefhebber. Als handelaar wil Schwertz wel zeggen dat de twee mappen afkomstig zijn de nabestaanden van één van de 'schippers'. Het maakt duidelijk dat elk antiquariaat zwaar steunt op relaties. “Het is een kwestie van vertrouwen,” geeft Schwertz onmiddelijk toe. “Ik stel de prijs vast en de klant, of die nu koper of verkoper is, moet daar maar op vertrouwen. Veel klanten zijn dan ook vrienden geworden. Hun collecties zijn ook een beetje de mijne. Het is fantastisch een ontbrekend stuk aan iemands verzameling toe te voegen. Zorgen dat een boek of prent op de goede plek komt. Daar gaat het om.”

In het geval van de 'Chassidische Legenden' gaat Schwertz ervan uit dat hij beide mappen gemakkelijker in het buitenland zal kunnen verkopen. “Werkman is een internationaal verzamelobject. Het is jammer als ze uit Nederland zouden moeten verdwijnen. Daar raak ik toch maar moeilijk aan gewend. Geld is hier altijd een probleem. Iedere Nederlander kijkt eerst naar het bedrag: wat een hoop geld! In het buitenland is men gewend om relatief te denken. Neem nu de 'Chassidische Legenden'. Tweehonderddertigduizend gulden is een hoop geld, maar als je je realiseert dat je daarvoor twintig schitterende kunstwerken krijgt, dan is het weinig.”

Volgens Schwertz gaat hetzelfde op voor de handel in zeldzame boeken en manuscripten. “Boeken van Mallarmé en Oscar Wilde brengen in eigen land véél meer op dan Couperus in Nederland. Terwijl Couperus voor onze literatuur minstens net zo belangrijk is geweest als Mallarmé voor Frankrijk en Wilde voor Engeland. Met handschriften is nog veel erger. Een Nederlander denkt als er een brief van een schrijver wordt verkocht: die is niet aan mij gericht, dus wat moet ik ermee?”

Bas Hesselink van het Utrechtse antiquariaat 'Forum' is het volledig eens met Schwertz. Ook Hesselink oogt als een rustige en keurige bibliofiel. Zelfs op zijn das staan boeken. Toch is hij scherp en onbestoft in zijn commentaren op de hedendaagse handel: “Thomas Mann wordt overal verzameld. Behalve in Nederland. Er bestaat geen cultuur voor de handel in manuscripten. Ook de musea zijn verwend geraakt. In Nederland werden handschriften en waardevolle stukken vaak geschonken. Dus de conservatoren die wachten maar af. Pas de laatste paar jaar is men door het Reve-effect bewust geworden van de waarde van brieven.”

Zelf handelt Hesselink voornamelijk in boeken, atlassen en brieven van enige eeuwen geleden. Zo staan op zijn beurscatalogus een brief van Willem III en een brief van Charles de Héraugières, de officier in het leger van Maurits die in 1590 Breda op de Spanjaarden veroverde door zijn soldaten in een turfschip te verbergen. Het pronkstuk op Hesselinks lijstje is een brief van de beroemde Antwerpse drukker Christoffel Plantijn aan zijn schoonzoon Jean Moretus uit 1585. Cataloguswaarde: honderdvijftigduizend gulden.

Het is niet meer dan een klein, dun velletje gekreukt en gevouwen papier. Op de achterkant in krullerig, zestiende eeuws handschrift heeft Plantijn het adres van Moretus geschreven. Een stukje van de lakzegel is nog te zien. Op het eerste gezicht verraadt niets dat het hier om een belangrijk en hartstochtelijk historisch document gaat. Maar bij het lezen wordt dat des te duidelijker. Plantijn smeekt in de brief, gesteld in het Frans, zijn schoonzoon het voortbestaan van zijn drukkerij te regelen. De vijfenzestigjarige Plantijn voelt de ijzige adem van de dood in zijn nek en ziet zijn levenswerk in groot gevaar omdat de Spanjaarden Antwerpen nog altijd in hun greep houden.

Hesselink vraagt zich af of er in Nederland of Vlaanderen - waar de brief werkelijk thuishoort - wel een plek kan worden gevonden. De meeste oude manuscripten en wetenschappelijke boeken, die hij verhandelt, zijn in het Latijn en daarom niet alleen binnen de grenzen interessant. De atlassen van Bleau of Jansonius die Hesselink verkoopt werden in de zeventiende eeuw al voor een wereldmarkt gemaakt. Zelfs de Spanjaarden gebruikten de kaarten van Bleau in de oorlog tegen de Nederlanden.

De tijden lijken nauwelijks veranderd. Ook Hesselink verkoopt zijn topstukken over de hele wereld. Hij reist de beurzen af in Italië, Frankrijk, Duitsland en vooral: de Verenigde Staten. Het is tekenend dat, ondanks het feit dat ook Forum een stand heeft op de Amsterdamse Rai, Hesselink zelf op een beurs in Californië staat. Een stapeltje fraai gedrukte folders over de brief van Plantijn heeft hij meegenomen. Wie weet is de bibliothecaris van de beroemde Getty Library in Los Angeles geïnteresseerd. Hij is een goede klant van Hesselink.

Piet van Winden, eigenaar van antiquariaat Aioloz in Leiden en mede-organisator van de beurs in de Rai, richt zich niet op het buitenland. Hij heeft nog wel een paar goede klanten in Vlaanderen, maar daar blijft het bij. Een paar jaar geleden ging hij nog wel eens met een bus vol waardevol oud papier naar een beurs in Parijs. Daar verkochten zijn boeken over fotografie, de avant-garde en het Bauhaus als warme broodjes. “De kopers stonden me om zes uur 's ochtends, als de deuren opengingen, met koffie en croissants op te wachten. Maar sinds de grenzen binnen Europa open zijn, trekken veel handelaren er zelf op uit om de begeerde buitenlandse werken te bemachtigen.”

De laatste tijd richt Van Winden zich in hoofdzaak op manuscripten en bijzondere drukken van Nederlandse schrijvers van, grofweg, de laatste eeuw. Vooral wanneer het Willem Frederik Hermans of Gerard Reve betreft, ontsnapt schijnbaar niets aan zijn aandacht. Als expert op het gebied van Reve deed Van Winden in 1994 zijn grootste vondst. In oktober van dat jaar werd hij gevraagd de boekenverzameling van de overleden Nanny Aberson te komen bekijken. Aberson was medewerkster van 'Het Parool' geweest en een vriendin van de oude Gerard van het Reve, de vader van de latere 'volksschrijver'. In haar stille, kleine huisje aan een Amsterdamse gracht kreeg hij in eerste instantie het dichtbundeltje 'Terugkeer' in handen, dat de jonge Gerard in 1940 op zestienjarige leeftijd eigenhandig had getypt en laten stencilen door 'De Kameel'. Het was Reve's feitelijke debuut. Maar dat was nog niet alles.

Van Winden: “Vanaf het moment dat ik daar binnen was gekomen werd er geheimzinnig gedaan over een hutkoffer met brieven. Die koffer was door de werkster al een keer aan de straatkant gezet, maar op het nippertje gered door de zuster van Nanny Aberson. Ik kreeg uiteindelijk de inhoud van de koffer te zien. Het waren brieven van Gerard Vanter, zoals de oude Gerard in het verzet werd genoemd. Ik bladerde ze door, tot ik opeens een brief in handen kreeg in een heel ander handschrift. Het was een brief van kleine Gerard! Mijn oog viel op een passage over 'zogenaamde, zoet-zure wijn'... vijf jaar vóór dato had Reve een brief geschreven, waarin de beroemde bessen-appel scène uit 'De Avonden' al opdook. En ik had die brief in handen! Toen schoten de tranen uit mijn ogen, ik kreeg het warm en koud tegelijk. Het was onvoorstelbaar.” Onlangs heeft Van Winden die brief, om de collectie brieven als geheel te behouden, geschonken aan het Letterkundig Museum.

Op deze beurs in de Rai toont Van Winden opnieuw materiaal dat de Revianen en Hermansianen zal doen watertanden. De originele pleitrede van Reve voor het Ezelproces bijvoorbeeld en Hermans' kinderboekje 'Beertje Bombazijn', dat onder het pseudoniem Sita van de Wissel verscheen bij de Literaire Loodgieters. Naast deze zeldzame exemplaren heeft Van Winden zelfs boeken en prenten te koop waarvan het bestaan tot nu toe onbekend was. “Die boeken bestaan niet eens!” roept hij uit. Het betreft de complete serie 'Zilverdistels' op perkament. De Zilverdistel was de eerste private press in Nederland, in 1910 begonnen door de schrijvers Bloem, Van Eyck en Greshoff. De letterontwerper J.F. van Royen bracht de reeks typografisch tot grote hoogten. Van Winden laat zijn handen over de ivoorkleurige kaften glijden en slaat het gedicht 'Cheops' van Leopold open. “Zo moet een boek eruit zien! Goede wijn drink je toch ook niet uit een theekopje?”

Het aanbod van de antiquaren de beurs is, hoe exclusief de boeken, prenten en brieven ook zijn, overweldigend. De zee der vergetelheid blijkt tegelijk een mer à boire. De vraag is of er in de toekomst voor al deze antiquarische prenten en boeken belangstelling zal zijn. Blijft het weerloze van waarde? De meningen onder de antiquaren zijn verdeeld. André Schwertz is tamelijk somber: “Ik vind het toch wel moeizamer worden. Er komen weinig nieuwe, jonge klanten bij. Dat zit niet meer in de opvoeding. De hobbies van jonge mensen zijn veel kortstondiger. Maar ik moet er onmiddellijk bijzeggen: de klanten die ik heb zijn trouw.” Van Winden geeft van zichzelf toe 'gek-optimistisch' te zijn: “Ach, die wildgroei aan beurzen en boekenmarkten. De weerzin voor al die boeken heeft ook een louterende werking op de ware verzamelaar. Zo wordt het bijzondere nog bijzonderder.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden