De Haarlemse stijl: in druk en te horen op het Orgelfestival

Het allermooiste orgel dat hij ooit gehoord had. Dat vond Mozart van het Müller-orgel in de Haarlemse Grote of St.-Bavokerk. Als tienjarig jongetje speelde hij erop. Het tussen 1735 en 1738 gebouwde instrument werd ook bespeeld door Händel, Mendelssohn, Saint-Saëns en vele andere grootheden. En ook die staken de loftrompet over het meesterwerk van Christian Müller. Sinds de achttiende eeuw komen uit alle werelddelen toeristen naar Haarlem, om de wonderbaarlijk mooie kast en de klank te bewonderen.

Dat dit orgel nogal altijd zo beroemd is, komt ook door de faam van het Internationaal Orgelfestival Haarlem, met daarin opgenomen het ImprovisatieConcours, dat sinds 1951 in de Bavo wordt gehouden. Gisteren waren de eerste kandidaten te beluisteren in de vijftigste editie. Het jubileum wordt vanavond gevierd met een concert door twee zeer verschillende organisten: barokspecialist Ton Koopman en de Franse virtuoos Olivier Latry.

Vanavond zal tevens het jubileumboek worden gepresenteerd, 'The Haarlem Essays', een dikke pil in het Engels vol artikelen over de geschiedenis van het festival, het concours, de Haarlemse orgels, diverse orgelstijlen en over het fenomeen improvisatie.

Het boek bevat bijdragen van internationaal gerenommeerde organisten, zoals Marie-Claire Alain, Anton Heiller, Ton Koopman, Jos van der Kooy (de vaste bespeler van het Müller-orgel) en Jan Raas. Veel van de auteurs waren docent van de Internationale Zomeracademie voor organisten, naast het concours en de concerten de derde poot die 'Haarlem' internationale glans geeft.

Het zal spannend worden welke organist vrijdagavond als winnaar uit de bus komt. Uit de namenlijst van laureaten die in het jubileumboek is opgenomen, blijkt dat velen van hen tot de organistenwereldtop zijn gaan behoren. Onder de eerste generatie winnaars bevinden zich bijvoorbeeld Piet Kee, Anton Heiller, Hans Haselböck, André Isoir en Naji Hakim. Opvallend vaak wonnen Nederlanders het concours, wat geen doorgestoken kaart kan zijn, want traditiegetrouw spelen de kandidaten in volstrekte anonimiteit.

'Haarlem', zoals het concours vaak kortweg wordt genoemd, heeft zo'n grote belangrijke positie en voortrekkersrol in de orgelwereld, door zijn formule.

Vanaf de eerste editie hebben de deelnemers vrijwel altijd moeten improviseren op eigentijdse thema's, speciaal geschreven door Nederlandse en buitenlandse componisten en organisten, zoals Henk Badings, Albert de Klerk, Marie-Claire Alain, Hans Kox, Daan Manneke, Jean Langlais, Guus Janssen, Klaas de Vries en dit jaar Louis Andriessen. Vaak wordt de vorm voorgeschreven en wordt een Passacaglia, een fuga, een sonate of een vrije fantasie gevraagd, die met slechts één uur voorbereidingstijd moet worden gerealiseerd.

In 'The Haarlem Essays' wordt duidelijk gemaakt dat dit een geheel eigen manier van improviseren heeft opgeleverd, de 'Haarlemse stijl', die niets te maken heeft met de manier waarop kerkorganisten improviseren. Hoewel er grote verschillen tussen deelnemers waren, is de Haarlemse improvisatie van de winnaars doorgaans te herkennen aan de avontuurlijke, experimentele en als regel dissonante aanpak. Franse organisten, die toegankelijk en vaak ongekend virtuoos improviseren, maakten in Haarlem meestal geen schijn van kans.

Bij het jubileumboek behoort een cd met improvisaties van zeven kandidaten uit de periode 1955-2010. Die laat de ontwikkeling in de improvisatiekunst prachtig horen. Piet Kee improviseerde in 1955 een Fantasie en Fuga in een stijl verwant aan die van Duitse orgelcomponisten, zoals Hugo Distler. Hans Haselböck varieerde in 1959 gedegen, maar behoudend en in André Isoirs improvisatie (1959) valt op dat het de jury kennelijk niet gestoord heeft dat hij zich niets aantrok van het ritme van Badings' passacaglia-thema.

Schitterend zijn de lyriek en de spanningsopbouw in het spel van Jan Jongepier (1971, thema Hans Kox). Imponerend is de trefzekerheid van Jan Raas (1977, thema's van Anton Heiller).

Deze vijf organisten waren allen drievoudig winnaar. Van de twee finalisten van 2010 is het spel van publieksprijswinnaar Sebastian Bartmann fantasierijker dan dat van prijswinnaar Samuel Liégeon. Het boeiende van de cd is ook dat het Müller-orgel in drie verschillende toestanden te horen is. Tot 1959 was het nog ongerestaureerd en klonk het ietwat schel en onevenwichtig. Maar vanaf de grote restauratie (Marcussen, 1959-1961) was de klank glashelder en solide. En in de nieuwste improvisaties is te horen dat latere intonaties door de firma Flentrop de klank zangeriger en dieper hebben gemaakt.

Internationaal Orgelfestival Haarlem t/m 26 juli. www.orgelfestivalhaarlem.nl. Paul Peeters (red.): 'The Haarlem Essays', uitg. Butz, Bonn, 472 blz, euro 35,95.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden