De Haagse parade

‿Blauwe regen‿, Claude Monet, 1925. (Trouw)

Museumdirecteur Wim van Krimpen laat met zijn laatste grote expositie zien dat kunst niet los staat van grote maatschappelijke thema’s.

Alweer 23 jaar geleden, in 1985, nam de toenmalige directeur Edy de Wilde afscheid van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hij deed dat op spectaculaire wijze met ’La Grande Parade’, een tentoonstelling van schilderijen en beelden die een boeiend moment in de ontwikkeling van de moderne kunst van de 20ste eeuw markeerden.

Iets van die ambitie echoot op de valreep van dit jaar door in wat een van de laatste tentoonstellingen van scheidend directeur Wim van Krimpen van het Haagse Gemeentemuseum is. Van Krimpen wil zich overigens niet met De Wilde’s ambitie meten: hij koos de meeste werken uit het eigen bezit van het Haagse museum. Collega-musea schreef hij niet aan, wel deed hij een beroep op vijf Nederlandse verzamelaars met een internationale reputatie.

Geen echte Grande Parade, maar het resultaat is er niet minder om. ’XXste eeuw’ biedt een helder inzicht in de eerste eeuw van de moderne kunst en meer nog, vooral in de tijd waarin we de laatste honderd jaar hebben geleefd. Aan de hand van honderden werken – de meeste geschilderd, een handvol objecten, maar weinig film en video – is een prachtige reis door de recente kunstgeschiedenis ontstaan. Het landschap biedt vergezichten als een Fries weiland, het panorama wordt hier en daar onderbroken door een intrigerend maïslabyrint waarin het heerlijk (ver)dwalen is. En altijd is daar de leidraad in de vorm van poëtisch getinte zaalteksten (een fictieve kunstliefhebber die elke periode op zijn eigen wijze beleeft) die op essentiële momenten gecombineerd worden met nieuwsfilmpjes. Daar zit volstrekt uniek materiaal bij (Stalin aan het oorlogsfront, Himmler op bezoek in een concentratiekamp), op zich al een reden om de tentoonstelling te bezoeken.

Door grote maatschappelijke thema’s in de 20ste eeuw als markante momenten in te zetten, kan ook de kunst van die momenten als afbakening van wat destijds als oud versus nieuw worden getoond. Dat werkt in het begin van de eeuw nog het best. Enerzijds is er het vasthouden aan de traditie: realisme en Haagse School leefden voort tot aan de Eerste Wereldoorlog die internationaal gezien (en veel minder in ons eigen land dat geen of weinig last van de oorlogssituatie had) voor een cesuur in de kunstontwikkeling zorgde. Van Krimpen, die al tijdens zijn directoraat in de Rotterdamse Kunsthal tot onorthodoxe keuzes kwam, zet samen met zijn conservator Hans Janssen bijvoorbeeld de zeeschilder Hendrik Mesdag centraal en kiest minder voor een landschapsschilder als Mauve of de ’boerenschilder’ Jacob Maris.

Anderzijds, de traditie moest ook ten einde lopen. Om die reden is voor een nog-net-herkenbaar tuinmotief van Monet (een ’Blauwe regen’ en geen ’Waterlelies’) gekozen. Dit grote doek, een van de weinige toppers van Monet in Nederlands museumbezit, is een reflectie op het abstracte schilderen van Mondriaan of Kan-dinsky. Met Mondriaan zit het Haagse museum natuurlijk op het vinkentouw (de beroemde Victory Boogie Woogie heeft een eigen ruimte met een welhaast sacrale uitstraling) maar het museum vergat een van Mondriaans ruiten pal naast de ’Blauwe regen’ te hangen. Net als Monet heeft Mondriaan bij deze losange (ruit) de kijker de horizon onthouden (de lijnen kruisen elkaar buiten het vlak van het schildersdoek, de hoeken moeten er dus bij gedacht worden) waardoor een waarlijk conceptuele voorstelling is ontstaan.

Dat er ook in Nederland uiteenlopende wegen naar de totaal abstracte kunst zijn ingeslagen, wordt in het tweede luik (Op de drempel naar een nieuwe tijd) mooi ingeleid. Het Haagse museum beschikt niet over Russische abstracten als Malewitsj of Gontsjarova maar heeft wel Kandinsky in huis. Verrassend zijn de Kandinsky-achtige abstracte werken van Jacoba van Heemskerk die rond 1917 ook ’voorstellingsloos’ schilderde. Zo’n sterke spanningsboog, dat moet wel misgaan, denk je. En ja, aangekomen halverwege de jaren ’20 en de jaren ’30 slaan de twijfels toe. De ontdekking van de verschillende soorten realisme (surrealisme, magisch-realisme, verisme) met grootheden als Ernst, Dali en Tanguy en Nederlanders als Kor Postma en Lodewijk Bruckman komt in Den Haag maar mondjesmaat in beeld. In de afgelopen eeuw – het Gemeentemuseum deed honderd jaar geleden zijn eerste aankopen – heeft elke museumdirecteur zijn stempel op het aankoopbeleid gezet. En de kunst uit de jaren ’30 was lange tijd verdacht, zeker als ze wordt beschouwd als een burgerlijke verwerking van de voorafgaande,turbulente kunst.

Wat dat betreft is de moderne kunst van direct na de Tweede Wereldoorlog minder beladen, al werd die in haar eigen tijd door het publiek flink verguisd. Den Haag biedt nu een prachtige keus uit het repertoire van schilders als Constant, Karel Appel en de aan Cobra verwante Piet Ouborg. Constant zelf maakte aan zijn Cobra-periode een krachtig einde door zijn utopische ideeën over de toekomst van de maatschappij in New Babylon. In dit overzicht blijft de monumentale waarde van het werk als bijdrage aan de tijd van ’de spelende mens’ recht overeind staan. Met recht kan New Babylon, dat in de jaren tussen 1956 en ’72 in de vorm van schilderijen, tekeningen en vooral maquettes tot stand kwam, een landmark in de Nederlandse kunstgeschiedenis van de 20ste eeuw te zijn.

Maar de reactie op het expressieve schildersgeweld van na de Tweede Wereldoorlog (de koele minimal art van Ad Dekkers, Carel Visser, Jan Schoonhoven of de land art waarmee de kleigrond van boer Waalkens in Finsterwolde werd doorploegd) komt er dan weer niet of nauwelijks aan te pas. Om nog maar te zwijgen over het terrein van de installaties. Van Joseph Beuys, onbetwist een van de groten van de 20ste eeuw, weten we dat hij in Nederland straal genegeerd is (met uitzondering van de broers Van der Grinten maar die brachten hun bezit naar Duitsland), maar je moet in een stedelijk museum met landelijke ambities als het Haagse toch ook de Nachwuchs van Beuys vinden.

Nee, het moet om schilderen gaan, zo lijkt het parool van de samenstellers. Zelfs als J.C.J. Vanderheyden het (ezel)schilderij dood verklaart en voortaan elke vorm van beeldende kunst zal bedrijven met uitsluiting van het olieverfdoek, blijft de schilderkunst de kunstgeschiedenis domineren. Niet zonder trots laten Van Krimpen en Janssen zien dat het de schilderkunst na alle ’doodverklaringen’ goed gaat. Zo werden de aanstichters van de nieuwe schilderkunst in de figuren van Markus Lüpertz en Georg Baselitz met representatieve werken aangekocht.

Met jongere schilders als Iris van Dongen, Marlene Dumas, Ina van Zyl en Daniël Richter laat het Haagse museum zien dat de schilderkunst ook appelleert aan studenten die sinds de jaren ’80 (toen de Duitse Nieuwe Wilden net waren doorgebroken) van de kunstacademie zijn gekomen. Zij vormen de hoopvolle afsluiting van dit overzicht van kunstverwerving in de XXste eeuw. Het zijn meteen ook de laatste aankopen onder het directoraat van Wim van Krimpen. Die daarmee op niet mis te verstane wijze aangeeft dat hij soepel met zijn tijd weet mee te gaan en niet is blijven stilstaan bij de generatie kunstenaars waarmee hij in de afgelopen decennia is opgegroeid. Dat zet hem in museumland op eenzame hoogte.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden