De gulden schijn van voorbije dagen

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Aan Gregor von Rezzori kleefde lange tijd het stigma van foute (want in zijn jeugd antisemitische) schrijver. Inmiddels wordt zijn werk op waarde geschat. Terecht, ’Bloemen in de sneeuw’ is een meesterwerk.

Sinds het twee jaar geleden vertaalde ’Memoires van een antisemiet’ is Gregor von Rezzori (1914-1998) ook in ons land geen onbekende meer. Het boek kreeg schitterende kritieken. Toch werd de Oostenrijks-Roemeense schrijver lang onderschat. Hoewel hij nog voor de Tweede Wereldoorlog afstand nam van zijn rassenwaan, legden de boekhandelaren zijn titels niet graag in de etalage. En een schrijver die in televisieshows uitbundig keuvelt over whisky en fijne levenskunst wordt in literaire milieus niet voor vol aangezien. Inmiddels is zijn werk internationaal herontdekt, in Duitsland en daarbuiten.

Het nu vertaalde ’Bloemen in de sneeuw’, oorspronkelijk uit 1989, is opnieuw een meesterwerk: lichtvoetig en amusant, rijkelijk voorzien van anekdotes en prikkelende uitspraken, en al is niet alles waar wat de schrijver beweert – in veel opzichten is hij een regelrechte snoever en fantast –, toch is het moeilijk om dit boek halverwege te onderbreken.

Rezzori vertelt in vijf lange hoofdstukken over zijn ouders, zijn jong gestorven zus en het huispersoneel. Zijn vader, afkomstig uit een adellijk en van oorsprong Italiaans geslacht, werkte als Oostenrijks-Hongaarse (na 1918 Roemeense) ambtenaar in Czernowitz, de hoofdstad van het Habsburgse kroonland Boekovina. In deze afgelegen streek kon hij naar hartelust zijn grote passie uitleven: het jagen.

Rezzori presenteert zijn vader als een vitale, intelligente en altijd tot scherts en jokkernij geneigde non-conformist, een adept van Nietzsche en Wagner, hoewel hij eigenlijk een ’gebrek aan cultureel raffinement’ bezat. ’Ronduit pathologisch’ was zijn antisemitisme. Overigens vond hij Hitler een schertsfiguur en zou hij hem nog niet ’als stalknecht’ in dienst hebben genomen.

Uit geheel ander hout gesneden was Rezzori’s moeder. Een eenzame, angstige en tamelijk neurotische vrouw, die zelfmoord wilde plegen omdat haar kinderen vanille-ijs hadden gegeten (volgens haar net zo giftig als strychnine). Rezzori beeldt haar opmerkelijk kritisch uit: hij hekelt haar hang naar status en ’het louter materiële’. Anderzijds was hij trots op haar knappe verschijning, bewonderde hij haar gevoel voor schoonheid en elegantie.

Ook de verteller ontwikkelt gaandeweg een scherp oog voor de kwaliteit van handtassen, stoffen of sieraden, en een zeker fetisjisme is hem bepaald niet vreemd. Ergens stelt hij dat zijn belangstelling ’meer op de bustehouder gericht (was) dan op de borsten’.

De verteller werd feitelijk opgevoed door het huispersoneel. ’Straußerl’ was de naam voor de hoogst erudiete, uit Pruisen afkomstige gouvernante, een onbetwiste autoriteit in huize Rezzori en tot aan haar dood (kort na de oorlog) een baken voor de lange tijd stuurloze en eenzame verteller. Als kindermeisje fungeerde een energieke, praktisch analfabete vrouw, Kassandra. „Ik heb alle moederlijke rechten gewilliger aan haar toegekend dan aan mijn eigen moeder.”

Bij haar ervoer hij ’nestwarmte’ en leerde hij ’de helende kracht van de lach’ kennen. Kassandra is ook verantwoordelijk voor de titel van het boek; met de bodem van een melkkan maakte ze mooie figuren, ’bloemen in de sneeuw’: je zou het kunnen zien als een versleuteld teken van de ondanks alles gelukkige jeugd van de verteller.

Tot de grote charmes van ’Bloemen in de sneeuw’ behoort de dartele vertelwijze. Rezzori is opvallend associatief, springt van de hak op de tak. Ook zijn ironie en oog voor detail maken zijn proza aantrekkelijk. En al neemt hij het met de waarheid niet zo nauw, zelf is hij de eerste om dat toe te geven. „Een van mijn tekortkomingen – hoewel vergeeflijker dan de andere – is dat ik ertoe neig te willen behagen met komische overdrijvingen tot aan het paradoxale en burleske toe (niet altijd met het gewenste resultaat).”

Misschien wel de rode draad van ’Bloemen in de sneeuw’, vormt de nostalgie naar de wereld van gisteren, de weemoed om de voorbije tijd – een thema dat Rezzori gemeen heeft met Midden-Europese schrijvers als Joseph Roth, Stefan Zweig, Heimito von Doderer of de Hongaar Sándor Márai (wiens autobiografie ’Bekentenissen van een burger’ opvallende overeenkomsten met dit boek vertoont). Al op een van de eerste bladzijden schrijft Rezzori: „Het leek alsof er met het einde van het keizerlijke en koninklijke Oostenrijk-Hongarije een licht was gedoofd, dat tot dan toe een gulden schijn over de dagen had geworpen.”

Herhaaldelijk is in deze herinneringen sprake van ’een mythische tijd’ of een ’nooit door mij terug te vinden tijdperk’. Na 1918 – vader Rezzori wilde in de Boekovina blijven vanwege zijn passie voor de jacht – behoorde de geboortestreek van de verteller tot Roemenië. Op amper honderd kilometer afstand, aan de overkant van de Dnjestr, lag Rusland, en de angst voor de bolsjewieken was uiteraard groot bij de aristocratische familie.

Plotseling waren de Rezzori’s ontheemden, ze werden als Duitstaligen zelfs met minachting bejegend. In Oostenrijk werden ze daarentegen als ’indringers’ beschouwd, als ’vreemdelingen’ uit de meest afgelegen uithoek van Zuidoost-Europa.

John Banville noemt in het voorwoord Rezzori ’een tragische figuur die verdwaald is in de tijd’. Daar valt niet veel aan toe te voegen.

(FOTO WERNER GRAEF) Beeld
(FOTO WERNER GRAEF)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden