De Grote Boodschap: kunst met de k van kak

Kunnen computers denken? Hebben dieren bewustzijn en emoties? De filosofe Patricia de Martelaere bekeek de spijsverteringsmachine van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye en herinnerde zich het kleuterprentenboek Over de mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept. 'Met de nog verse drol op zijn kop passeert hij de revue van de dieren op het erf en stelt hen beurtelings de vraag of zij dit misschien hebben gedaan. Nee hoor, zeggen ze. Waarop ze een instant life performance geven van de manier waarop 'dat' bij hen gebeurt: plets! bij de koe, rek-ke-tek! bij de geit, plof-plof-plof! bij het paard.' Filosofische excreties bij een spijsverteringsmachine.

Of het wel kunst is. Zodra zich iets controversieels afspeelt op de scène van de gevestigde en erkende kunst is dit de vraag die steeds weer opduikt. Zodat men de vraagstelling zelf op den duur zou kunnen hanteren als een criterium: echt vernieuwende of grensverleggende kunst kenmerkt zich door het feit dat de vraag of het nog wel kunst is op een prangende manier op de voorgrond treedt. Waarmee nog niet is gezegd dat vernieuwende of grensverleggende kunst als vanzelf ook 'grote' kunst zou zijn.

Hoe dan ook bracht het 'Ding an sich' in dit geval een discussie op gang waarvan de termen allerminst thuishoren in de contreien van kunstminnenden. Bij de interpretatie en evaluatie van kunstwerken gaat het in de regel over concepten en ideeën, of over emoties en impressies, en de zintuigen die daarbij worden aangesproken zijn die welke zetelen in het hoofd of in de bovenste ledematen: zien, horen en voelen. De spijsverteringsmachine van de Belgische kunstenaar Wim Delvoye haalde in die zin letterlijk de esthetische prioriteiten ondersteboven. Zelden werd op een vernissage door verfijnde lieden in stijlvolle grijs-zwarte kledij en met een glas wijn in de hand zo vaak en zo openlijk het woord 'kak', 'poep' of 'drol' in de mond genomen - bij sommigen begeleid door bedenkelijk fronsen maar bij anderen door schaamteloze hilariteit. Het raakvlak tussen het sublieme en het scabreuze. Zegt men niet dat de hemelse Mozart zich in zijn brieven te buiten ging aan schuttingtaal en daarbij haast niet meer bijkwam van het lachen? Eine kleine Nachtmusik.

Van oudsher werd door filosofen het meest wezenlijke van de mens gelokaliseerd in zijn zogenaamd hogere functies. De mens is geen dier, hij is meer dan een dier of hij is slechts ten dele een dier. Hij is aan het dierenrijk gekluisterd door zijn inferieure onderdelen en hun respectieve driften: de drang tot overleven die de spijsvertering in gang zet en de voortplantingsdrift die de genitaliën mobiliseert. Wat hem onderscheidt van de lagere scheppingsorde en wijst op een wellicht goddelijke oorsprong is zijn verstand, met de verheven gedachten waartoe dit in staat blijkt. Het lichaam kon vergeleken worden met een automatisch lopende machine, de geest daarentegen was vrij. Toen de mens zelf machines begon te maken, waren dat dan ook op de eerste plaats 'domme krachten' die plaatsvervangend de arbeid verrichtten van brute lichamelijke spierkracht. Het denkwerk zelf werd aan de mens voorbehouden. Niet lang daarna begon de mens echter ook zijn eigen denken te formaliseren en te mechaniseren - eerst het simpele uitvoerende rekenwerk, daarna complexere vormen van informatieverwerking en zelfregulatie. Sindsdien lijkt het alsof de potentiële spiritualiteit van de mens aan twee kanten bedreigd wordt door een deterministisch materialisme: aan de kant van het lichaam staat het dier, aan de kant van de geest de computer - beide onbezielde automaten zonder vrijheid of morele waarde.

Kunnen computers denken? Is het voorstelbaar dat ze gevoelens zouden hebben? Hebben dieren bewustzijn en emoties? En wat betekent het precies te kunnen 'denken' of 'voelen'? De vraag ligt niet ver af meer of wijzelf wel echt kunnen denken of voelen. Want wat indien beide slechts een kwestie waren van neurale verbindingen en chemische processen, zonder de geestelijke autonomie die wij daar als vanzelf - althans bij onszelf - aan toeschrijven? Misschien vergissen wij ons, niet zozeer in het al of niet toeschrijven van bewustzijn en emoties aan dieren of computers - wat weten wij tenslotte van wat echt 'in hen omgaat'? - maar op de eerste plaats in onze bloedeigen zelfervaring. Wat weten wij van wat echt in onszelf omgaat? Misschien denken we alleen maar dat we 'denken', en hebben we alleen maar het gevoel dat we gevoelens hebben.

De termen van dergelijke vraagstellingen worden als vanzelf hopeloos onhanteerbaar. Pragmatisch ingestelde behavioristen als Alan Turing stelden voor de zaak empirisch aan te pakken om iedere vorm van obscurantisme te vermijden. Een uiterst eenvoudige test zou uitsluitsel kunnen geven in de netelige (waarom eigenlijk?) kwestie of computers kunnen denken. De proefopstelling is de volgende: een volbloed menselijk wezen staat in verbinding met twee afgesloten kamers waarvan zich in de ene een soortgenoot bevindt en in de andere een computer. Hij (of zij, waarom ook niet; kunnen vrouwen eigenlijk denken?) mag beurtelings naar beide kamers vragen sturen. Zodra hij op basis van de ontvangen antwoorden met geen mogelijkheid nog kan uitmaken in welke kamer de medemens zit en in welke de computer, moet besloten worden dat ook de computer kan 'denken'. Dan lijkt de conclusie onontkoombaar dat het vermogen om te 'denken' hetzij aan beide moet worden toegeschreven, hetzij aan beide ontzegd.

De conclusie lijkt inderdaad onontkoombaar - maar toch is er vanwege het menselijk wezen een grote natuurlijke weerstand om haar te aanvaarden. Hoezo kunnen computers denken? Wij waren toch de enigen die dat konden?

Van de filosoof John Searle komt het bekendste tegenargument tegen het behaviorisme van de Turing-test. Echt denken of echt begrijpen is volgens Searle heel wat anders dan het feilloos omzetten van een willekeurige input in een correcte output. Het gedachte-experiment van de Chinese kamer moet dit illustreren. Andermaal een afgesloten kamer, ditmaal tot de nok afgeladen met fichebakken vol Nederlandse woorden, Chinese tekens en instructies in de aard van 'Wanneer een teken x binnenkomt, vervang dat dan door teken y op fiche nummer n in bak nummer k en stuur dit naar buiten'. Binnenin zit iemand die geen woord Chinees kent maar over alle gegevens beschikt om de instructies correct te kunnen uitvoeren. Buiten staat een hoog gekwalificeerd sinoloog die de opdracht heeft te testen of diegene of datgene wat zich binnenin bevindt echt Chinees kent. Op basis van een onberispelijke output besluit hij na lange tijd dat dit inderdaad het geval moet zijn: het uiterlijke 'gedrag' van de kamer is van dien aard dat datgene wat binnenin zit ontegensprekelijk moet begrijpen wat in het Chinees wordt gezegd. En toch is dat in werkelijkheid niet zo: de coördinator binnenin is alleen maar een domme uitvoerder van instructies. De kamer als geheel reageert foutloos en schijnbaar intelligent, maar geen enkel van haar onderdelen snapt ook maar een sikkepit van waar het om gaat. Moeten we dan besluiten dat het de kamer als geheel is die Chinees kent?

Het enige wat ingebracht kan worden ter verdediging van de superioriteit van het menselijk begripsvermogen is een subjectief gevoel dat de mens heeft van 'iets binnenin' dat echt begrijpt en dat verondersteld wordt afwezig te zijn in computers en in (de meeste?) dieren. Maar achter het principiële verzet dat homo sapiens aantekent om zo'n bezielde binnenkant ook toe te kennen aan redeloze dieren en levenloze computers schuilt misschien de heimelijke vrees dat ook hij niet meer zou kunnen zijn dan een geheel van geautomatiseerde verbindingen met slechts een illusie van een inwonende 'geest'.

Net zoals het dualisme en het idealisme is ook het materialisme van alle tijden. Het kende zijn populairste - zij het vrij simplistische - formulering in de 19de-eeuwse Lehre der Nahrungsmittel met uitdagend platte slogans als Ohne Phosphor keine Gedanke, culminerend in de ontologisch-gastronomische conclusie: Der Mensch ist, was er isst. (De mens is wat hij eet).

Maar het kan natuurlijk altijd nog veel platter. Want wat de mens eet wordt, zoals bekend, niet helemaal door de mens opgenomen. Dit geldt overigens voor ieder dier: het heeft zo zijn eigen specifieke stofwisseling en onderscheidt zich van andere diersoorten niet alleen door de input maar ook door de output daarvan. De Lehre der Nahrungsmittel verdient aangevuld te worden met een volwaardige Lehre der Ekskretionen. Medisch gezien is trouwens de samenstelling van stoelgang en urine een onontbeerlijke informatiebron om te komen tot een juiste diagnose. Enigszins scabreus zou men gerust kunnen stellen: 'Toon mij hoe gij schijt en ik zal u zeggen wie gij zijt' - wat uiteraard niet bepaald verheffend klinkt in de oren van de kroon der schepping. Ook dieren zijn doorgaans niet zo dol op hun consistente excreties - voor de vloeibare leggen ze daarentegen vaak een grote interesse aan de dag als middel tot territoriumafbakening. Drollen worden echter met duidelijke minachting gedeponeerd en niet zelden inderhaast met een laagje zand toegedekt.

Maar hoe het ook zij, op dit gebied schuilt in ieder geval een grote lacune in de prille opvoeding van het jonge mensenkind. Een elementaire inwijding tot het dierenrijk heeft reeds vroeg in het kleuteronderwijs plaats, maar het betreft hier slechts een inwijding inzake de input - over de output wordt in alle talen gezwegen. Katten eten muizen, konijnen eten wortels, koeien eten gras. Maar in welke vorm komt dit lekkers er via de diverse verteringsmachines ook weer uit? Geen opvoeder die de leergierige kleuter daaromtrent wijzer maakt.

Er bestaat een zeldzaam kleuterprentenboek dat het daar wél over heeft, en zelfs heerlijk expliciet en schaamteloos. Het heet 'Over de mol die wil weten wie er op zijn kop heeft gepoept', en schetst, zoals de titel onverbloemd aangeeft, het wedervaren van een verontwaardigde mol die bij het opduiken uit de aarde een drol op zijn kop heeft gekregen en op veld onderzoek gaat om uit te zoeken wie deze gore daad heeft gesteld - dit met het oogmerk zich door een wederdrol te kunnen wreken. Met de nog verse drol als bezwarende bewijslast nog steeds op zijn kop passeert hij de revue van de dieren op het erf - de koe, de geit, het paard, het varken... - en stelt hen beurtelings de vraag of zij dit misschien hebben gedaan. Nee hoor, zeggen ze stuk voor stuk, kijk maar, ik doe dat zo. Waarop ze een instant life performance geven van de manier waarop 'dat' bij hen gebeurt: plets! bij de koe, rek-ke-tek! bij de geit, plof-plof-plof! bij het paard - en bij het varken moet de mol toch even zijn neusje dichtknijpen. (De clue van deze shit-detective onthul ik lekker niet.)

Toen schrijfster dezes zo'n dertien jaar geleden het betreffende prentenboek aan haar destijds vierjarige kleuter meegaf naar school in een poging om bij te dragen tot de onderwijshervorming van de lage landen, kwam het kleinood diezelfde avond ongeopend mee terug. De kleuterjuf verklaarde later gegeneerd dat ze het zelf wel interessant had gevonden maar dat ze uit vrees voor de reacties van geshockeerde ouders niet was durven overgaan tot collectieve klassikale voorlichting op dit delicate gebied.

Gelukkig staat thans, dertien jaar later, een heuse verteringsmachine met vers geurende drollen te prijken in artistieke ruimten. De Vlaamse schrijver Hendrik Conscience leerde zijn volk lezen, maar er zijn stilaan al te veel boeken op de markt. Van Delvoye zal misschien worden gezegd dat hij zijn volk toonde dat ook kakken cultuur kan zijn.

'Cloaca' heet het Ding an sich. De naam roept koele associaties op met merknamen (Coca-Cola) en toiletten (cloakroom), maar het is ook de naam van de warme binnenruimte van vogels, die dienst doet als combi-baarmoeder-afvalruimte, en het had zelfs een menselijke meisjesnaam kunnen zijn (Chloë, Clara). Dat Cloaca, ondanks haar laboratoriumsilhouet van chemische reageerkolven, inderdaad bedoeld is als simulatie van een menselijk digestief apparaat, blijkt op de allereerste plaats uit haar input. Geen kattenvoer of hondenbrokken, geen wortelen of hooi, maar - zoals het dagelijkse Menu aangeeft - gastronomische driegangenmaaltijden geleverd door toprestaurants. Men mag dan ook redelijkerwijs veronderstellen dat de output eveneens alle kenmerken van het 'menselijke' moet bezitten. Dit levert ons een soort extreem materialistische variant op van de Turing-machine of de Chinese kamer. Het probleem van Artificial Digestion: als wat er in gestopt wordt, menselijk voedsel is, en wat er uit komt een menselijke drol, volstaat dat dan om wat binnenin zit een 'mens' te noemen?

In het geval van Cloaca is de binnenkant weliswaar zichtbaar en volkomen transparant - we kunnen ons ervan vergewissen dat het niet de warme ingewanden van een levend mensenlichaam zijn die op gezette tijden de menselijke drol produceren. Dit is geen mens, het is een machine. En toch, en toch. Want wat als we zelf niet meer dan zo'n machine waren? En zijn de grenzen tussen lichamen en machines niet soms beangstigend vaag en dun? Van geboorte tot dood blijkt op beurtelings pijnlijke en ontroerende wijze hoe het 'menselijke' voortdurend kan worden verwekt of in stand gehouden door het machinale. De terminale comateuze patiënt die artificieel gevoed wordt met een sonde en artificieel ontlast wordt met een andere sonde is slechts de schrijnende tegenhanger van de volautomatische verteringsmachine Cloaca, die daarmee vergeleken misschien zelfs springlevend kan lijken. De grote boodschap van beide is letterlijk en figuurlijk dezelfde: zijn we dan niet meer dan dat?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden