De grootste scheepsramp uit de oorlog Britse torpedo's kostten 5 600 mensen het leven

LOENEN - “Het geeft me altijd een wrang gevoel dat er nooit publieke aandacht is voor de slachtoffers van een oorlogsgebeuren, waarbij in één keer ruim 5 600 Nederlanders en Indonesiërs omkwamen”, zegt een nabestaande die zondag een sobere herdenking in Loenen wil bijwonen.

HUIB GOUDRIAAN

Ze vertelt over de grootste scheepsramp uit de geschiedenis, die zich vijftig jaar geleden, op 18 september 1944, voltrok. “Alle nabestaanden zitten ermee dat er in deze tijd van het jaar, met alle belangstelling voor Market Garden, vergetelheid is voor de mensen die verdronken toen de Japanse vrachtvaarder Junyo Maru met werd getorpedeerd. Er kwamen meer mensen bij om dan bij de hele operatie Market Garden. Het lijkt wel alsof onze familieleden in het niets zijn verdwenen.”

Tien jaar geleden werd er een krans neergelaten op de plaats waar de Junyo Maru met aan boord 6 500 Nederlanders en Indonesiërs (krijgsgevangenen en geronselde arbeiders) in de diepte verdween. De Britse onderzeeër Tradewind had het schip getroffen.

Zondagmiddag houdt het Comité Herdenking Junyo Maru en Slachtoffers Zeetransporten een herdenkingsplechtigheid in de kapel van het ereveld in het Gelderse Loenen. Daar is een maquette die herinnert aan de totaal 19 268 Nederlanders en Indonesiërs die omkwamen bij de Japanse zeetransporten.

Aan boord van de Junyo Maru verbleven onder gruwelijke omstandigheden 4 200 Indonesiërs, die de Japanners hadden geronseld voor dwangarbeid en 2 300 Nederlandse krijgsgevangenen en geïnterneerde burgers. Ze waren op 14 september 1944 in Priok ingescheept.

“We zouden op 19 september in Padang aankomen, maar we werden de 18de omstreeks half zes 's avonds getorpedeerd ter hoogte van Indragiri, op 20 mijl uit de kust”, schreef overlevende J. S. Dixon in 1945 aan zijn vader.

Hij vertelt dat de situatie aan boord voor de Nederlanders en de Indonesiërs een marteling was. “Twee ruimen achter de machinekamer, die midscheeps was, werden volgeladen met Europeanen. De resterende 1 753 Europeanen en 600 Ambonezen en Menadonezen zat (van liggen was geen sprake) op het dek. Van hen moesten er 300 voortdurend staan. Op het voorschip waren 4 200 koelies 'ingeladen'.”

“De dag na het vertrek sprong een krankzinnig geworden Engelsman overboord, maar hij werd met een sloep achterhaald. Dit incident gaf de Jappen aanleiding allen die aan dek waren, de beide ruimen in te rammen. Hierbij werd mij met een stuk hout een gat in mijn hoofd geslagen, dat door een dokter werd gehecht.”

“Omdat de toestand in de ruimen onhoudbaar werd, mochten we weer aan dek, nadat ongeveer 150 man bewusteloos uit het ruim waren gehesen en er één man was overleden.”

Ooggetuige Dixon vertelt dat de eerste torpedo het achterschip trof ter hoogte van het ruim waar de Europeanen bivakkeerden. De tweede torpedo trof de machinekamer.

“In de ruimen trapten de mensen elkaar in paniek letterlijk dood. Mensen die door de schok in het ruim waren gevallen, werden op de hoofden en schouders van de compacte mensenmassa weer naar dek gedragen. Ik kreeg zelf, na twintig tot dertig seconden doodsangst, mijn tegenwoordigheid van geest terug, hielp reddingsboeien en vlotten losmaken, ontkleedde me gedeeltelijk en sprong overboord. Ik zwom ver van het schip weg omdat ik een ontploffing vreesde (de Jappen vervoerden munitie met gevangenen als dekking). Na ongeveer vijftien minuten brak het schip. Het voorschip richtte zich steeds hoger op.”

Dixon zag dat de geronselde Indonesiërs (de meesten waren kinderen van twaalf tot veertien jaar) 'als mieren steeds hogerop kropen totdat ze allen in de diepte verdwenen'. “Het gehele schouwspel werd verlicht door de ondergaande zon. De drama's op zee die volgden, kan ik niet beschrijven. Het was en is een nachtmerrie voor me.”

In het tien jaar geleden uitgekomen boekje Eresaluut boven massagraf - Junyo Maru, de vergeten scheepsramp, staat dat van de 6 500 opvarenden 200 Indonesiërs en 680 Nederlanders (krijgsgevangenen) uit zee werden gered. De leeftijd van de Nederlanders was van 18 tot boven de 65 jaar.

Reddingsmiddelen waren er noch voor de Indonesiërs, noch voor de Europeanen. Alleen de Japanners hadden reddingsvesten. De twee Japanse escortevaartuigen visten mensen uit zee op, maar in de eerste plaats Japanners.

Van de Nederlandse krijgsgevangenen op de Junyo Maru waren er na de oorlog nog 96 in leven; de anderen kwamen om tijdens vervoer naar Padang, in de gevangenis daar en door slavenarbeid aan de Pakan Baru-spoorweg op Sumatra.

De gruwel van de Japanse zeetransporten van krijgsgevangenen en geronselde Indonesische dwangarbeiders is in Nederland nauwelijks bekend. De aandacht is altijd in de eerste plaats uitgegaan naar de bezettingstijd tussen 1940 en 1945 in Nederland en de strijd in Europa.

De op de Junyo Maru als slachtvee vervoerde Indonesiërs en Nederlanders hadden dwangarbeid moeten verrichten aan de Pakan Baru-spoorweg. De Nederlanders waren overwegend militairen van het KNIL en andere onderdelen van de krijgsmacht, bestuursambtenaren, mensen van de koopvaardij, planters, administrateurs, juristen en medici.

Aan de 220 kilometer lange spoorweg tussen Pakan Baru en Muaro werkten tussen april 1943 en 15 augustus 1945 (capitulatie Japan) 30 000 Indonesische dwangarbeiders en 6 592 geallieerde, merendeels Nederlandse, krijgsgevangenen. Bij de nooit in gebruik genomen spoorweg zijn er volgens Eresaluut boven massagraf 25 000 van de Indonesische dwangarbeiders en 2 193 van de krijgsgevangenen omgekomen.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden