De grootste clichés zijn de dichters zelf

Waarom lijken moderne dichtbundels zo op elkaar? Schrijver Kees ’t Hart stelt dat de ’hogere’ poëzie in een crisis verkeert. „Een vast jargon, een vaste toon en vorm. Clichés!”

Schrijver Kees ’t Hart zag niet zo lang geleden de videoclip waarin Louis Armstrong ’What a Wonderful World’ zingt. Een loflied op het leven, met daarin de regels: ’I see trees of green, red roses too / I see them bloom for me and you / And I think to myself, what a wonderful world.’ Iedereen zingt het zo mee.

Maar een dichter die vanaf vandaag op het festival Poetry International in Rotterdam met deze of soortgelijke zinnen aan komt zetten, hoeft volgend jaar niet meer op een uitnodiging te rekenen. En het jaar daarop ook niet.

„En terecht”, concludeert ’t Hart in een artikel in het programmablad: „Boordevol clichés: ik zie groene bomen, ook rode rozen. Kan het erger? Dat groene en dat rode hoeft er niet bij, weten poëziekenners allemaal, bomen zijn al groen en rozen rood, dus zeg het er niet nog een keer bij.”

Clichégedichten zijn gedichten waarin nog eens gezegd wordt wat we al weten. Vanuit een bestaande mal – in de drukkerij een ’cliché’ genoemd – wordt nog maar eens wat bijgedrukt. „Het moet verboden worden”, vindt ’t Hart. Maar je hoort hem twijfelen. Want sommige clichés raken hem wel degelijk.

Kees ’t Hart (1944), onder meer bekend van de roman ’De Revue’ en het onlangs verschenen ’Het Mooiste Leven’ (over een seizoen bij voetbalclub SC Heerenveen), presenteert tijdens Poetry het programma ’Het Cliché – over gemeenplaatsen en sjablonen in de poëzie’. Het WK voetbal zou een handig excuus zijn voor dichters die een uitnodiging voor een avond over clichés geen groot compliment vinden. Maar wie zijn werk komt voordragen hoeft niet bang te zijn voor flauwe grapjes of een onsportieve behandeling, voorspelt ’t Hart. Hij wil niet lachen om clichés of om de schrijvers ervan. „Ik wil clichés juist optillen, kijken of je er nog iets mee kunt beginnen”, zegt hij in zijn huis in Den Haag.

Hij ziet en hoort ze overal. Zet je de radio aan, dan zingt Neil Young: ’The sky is blue and so is the sea’ (In ’I Am a Child’). Zet de tv aan en voetballers lepelen het ene na het andere cliché op, ’als echte diplomaten’, volgens ’t Hart. „Je moet oppassen dat je niet alles een cliché gaat vinden, dat het een cynische ziekte wordt.” Zelf heeft hij daar geen last van. ’t Hart kan dingen ongegeneerd prachtig vinden, zoals bijvoorbeeld de jaren vijftig-songs van teeny bopper Jack Scott, die zijn jeugd begeleidden: ’All my life I¿ve loved you so (dabdabdabdab..)’. Hij zingt het luidkeels mee in de auto.

Geen cynisme dus, wel een grote interesse in clichés. „Waar komt zo’n cliché vandaan? Functioneert het nog, binnen een tekst of een publiek? Welke groepen maken er grappen over en waarom, en wie neemt het serieus? Mensen die iets ’walgelijk’ vinden wil ik wel vragen: komt dat vanuit jezelf? Is je dat op school aangeleerd? Of heb je kenners horen zeggen dat iets slecht is?” Iedereen heeft recht op z’n persoonlijke kwaliteitsoordeel. „Maar zodra iemand in het openbaar gaat verkondigen dat iets zo lelijk is, wil ik de argumenten wel eens horen. Dan stroop ik graag de mouwen op.”

’What a Wonderful World’ wordt in de hogere dichterregionen gezien als ’toch wel heel erg’. „Dat is het ook. Maar verdiep je eens in Armstrong, in zijn leven en werk. Let wat beter op de tekst waarin hij bijvoorbeeld zingt: ’I think to myself’ en niet het grammaticaal correcte ’I say to myself’ – iets wat dichters ook doen: de grammatica ontregelen zodat je moet opletten. En als je hem dan ziet zingen, met zijn merkwaardige grijns en witte zakdoekje, dan wérkt het. Hartstikke mooi.”

Je kunt het cliché in jezelf over Armstrong en dat liedje opheffen.

’t Hart maakt weinig onderscheid tussen muziekteksten en gedichten en komt met een ander muzikaal voorbeeld: ’Huilen is voor jou te laat’, ’t Hart lacht er hard om als Corry en de Rekels het zingen. „Maar aan de andere kant: hoezo eigenlijk? Wat is er zo vreselijk aan? Als je met poëzie of literatuur of taal bezig bent is het verstandig om het serieus te nemen.”

’Huilen is voor jou te laat, ik kom niet meer’ is fout, een poëzie-icoon als Rilke is goed. Kees ’t Hart kan daar niet tegen, het bezorgt hem haaruitval. „Puberaal als ik ben, zoek ik dan juist naar clichés bij Rilke. En zo lastig zijn die niet te vinden. ’Frühling ist wiedergekommen.’ De lente is weer gekomen, maar komt die niet altijd terug? Dat wisten we toch al? Een cliché!” Dat kan haast niet, schrijft ¿t Hart in zijn inleiding: ’want Rilke, weten poëziekenners, die schrijft natuurlijk nooit clichés, en we benadrukken dat in zoveel mogelijk essays die echt niet allemaal steeds opnieuw hetzelfde over zijn werk zeggen. Want dan zouden het clichés zijn.’

Serieuze dichters zullen beweren dat het onderscheid tussen hoge en lage poëzie bestaat vanwege een verschil in kwaliteit. „Daarover wil ik dan wel met ze in debat gaan. Wat is kwaliteit precies, zit dat in the eye of the beholder, of in de tekst zelf?” Kwaliteitsoordelen hebben veel te maken met de sociale achtergrond van beoordelaars. Vooringenomenheid speelt ook mee: „Lees je een internetgedicht even serieus als een gedicht in een dure bundel? Of heb je je oordeel al klaar?”

’t Hart pleit voor voorzichtigheid. „Niet zo hoog van de toren blazen met je eigen handel, want dat is precies hetzelfde hoor. Rozen verwelken, schepen vergaan? Nou, die serieuze bundels gaan daar ook over: Het leven is niet makkelijk, de bundels staan er vol mee. Dat wist ik toch al? Staat elke dag in de krant.”

Dichters en hun bundels zijn de grootste clichés. Als jurylid van de Ida Gerhardt Prijs, die hij zelf in 2000 kreeg voor zijn bundel ’Kinderen die leren lezen’ (1998), las ’t Hart de ruim 140 officiële dichtbundels die de afgelopen twee jaar verschenen. In de Groene Amsterdammer, waarvoor ’t Hart recenseert, beschrijft hij deze week wat hem opviel aan de dichters en hun werk: ’Allemaal last van onzekerheid, allemaal in verwarring, allemaal rijmloos, allemaal schrijven dat taal niet alles is, (..) allemaal het Handboek voor de Poëzie van de Vijftigers uit het hoofd geleerd, allemaal dezelfde rare afgebroken zinnen die je niet snapt, allemaal kenner van de Antieken, allemaal een beetje verdrietig, allemaal piepkleine waarnemingen belangrijk vinden, allemaal niet meer christelijk, allemaal poëzie heilig vinden, allemaal Weltschmerz, (..) allemaal dezelfde romantische voorgangers bewieroken (Rimbaud!), allemaal Plato liefhebbers, allemaal van dezelfde kunst houden, allemaal jong geweest en nu oud geworden, allemaal hetzelfde jargon. Nou vooruit, op tien na. (..) Gadverdamme. En de bundels zien er ook nog allemaal hetzelfde uit en ze zijn allemaal even dik en op iedere pagina staat één gedicht en zo’n gedicht telt tussen de acht en tweeëntwintig regels met altijd stukjes wit na drie, vier of vijf regels.’

’t Hart zou een encyclopedie kunnen samenstellen van altijd weer gebruikte beelden en woorden in serieuze bundels. Omdat die bij het verschijnen alweer achterhaald is doet hij dat niet. Maar één ding weet hij zeker: de Nederlandse ’hogere’ poëzie van de kenners zit in een crisis. ’Want er is geen debat, er is alleen een vast jargon, er is een vaste toon, een vaste club, er is een vaste burcht en een vaste god die Poëzie heet en die een walmende geur verspreidt van grote en ellendige vanzelfsprekendheid.’

Al die dichters zien er ook nog eens hetzelfde uit, voegt ’t Hart daar aan toe. „Keurige brave types. Ben ik ook natuurlijk.” Verborgen onder zijn boosheid over alle voorspelbaarheid zit zijn diepe besef dat poëzie bijzonder moet zijn. „Poëzie moet fabuleus zijn. Nooit gehoord. Verwoestend. Een hoge berg. Maar wij aardse stervelingen bevinden ons aan de voet ervan, en schrijven steeds dezelfde bundel vol gedichten die vooral niet moeten rijmen. Rijm - het idee alleen al bezorgt menig dichter een rolberoerte.”

Zijn eigen ideaal is om eens een gedicht te maken dat uit allerlei clichés bestaat maar toch ontzettend goed is. Een gedicht waarbij elk cliché op zijn plek staat en zijn functie heeft. Gemakzuchtige critici eens de mond snoeren door ze te ontroeren. Als voorbeeld citeert hij een stukje uit het lied ’Suzanne’ van Jaap Fischer: „’Het gras is groen / De lucht is blauw / Ik hou van jou’. Dat is toch ijzersterk.”

Met de ’Grote Poëzieparade’ opent Poetry International vanavond zijn deuren in Rotterdam. Vanaf 20.00 uur lezen onder anderen F. van Dixhoorn (Nederland), Piet Gerbrandy (Nederland), Jaan Kaplinski (Estland), August Kleinzahler (Verenigde Staten), Elmar Kuiper (Nederland/Friesland), Jelena Schwarz (Rusland), Mario Suko (Verenigde Staten/Kroatië), Pia Tafdrup (Denemarken) hun werk voor. Aansluitend live-muziek. Op de slotavond presenteert Kees ’t Hart om 21.30 de thema-avond ’Het Cliché’. Het festival duurt tot en met vrijdag 23 juni en vindt plaats in de Rotterdamse Schouwburg. Op internet: 2006.poetry.nl.

Meer informatie over Poetry en elke dag een nieuw Poetry-gedicht op: www.trouw.nl/schrijf!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden