De grillige, vrije speurtocht van de bekeerling ANTROPOLOGIE

In het brein van wie zijn haar afscheert en al zijn bezittingen wegdoet, is iets geweldigs gebeurd. Of iets gewelddadigs. 'Hersenspoelen' was er jarenlang het woord voor. De wetenschap gelooft daar niet meer zo in.

RICHARD SINGELENBERG

De journalist en CIA-beambte Edward Hunter schreef er in die tijd een boek over. Volgens hem hadden de Chinezen de beschikking over een arsenaal van verfijnde psychologische technieken, waarmee op Pavlov-achtige wijze de vrije wil en het kritische vermogen van het individu ondergeschikt kon worden gemaakt aan de ideologie van de heilstaat. Het menselijk brein als floppy, zouden we nu zeggen, waar informatie op kan worden aangebracht, uitgeveegd en veranderd. Hunter had er ook een term voor: brainwashing oftewel 'hersenspoelen'.

De theorie ging erin als koek. Want de krijgsgevangene heulde niet op vrijwillige basis met de vijand, nee, het verraad was via slinkse methoden geïmplanteerd in de hersenen van de argeloze prooi. Hijzelf was niet verantwoordelijk voor zijn bekering. Er was niets mis met de geestelijke gesteldheid van de Amerikaanse soldaat.

Dat mocht dan enigszins een verademing zijn, vooral ook voor de media, het betekende wel een sinistere toevoeging aan het repertoire van het communistische machtsblok. De vijand was kennelijk in staat een mens te programmeren en als willoos object aan hem te onderwerpen.

Er verschenen beschouwingen over in respectabele psychiatrische vakbladen, waardoor het begrip 'hersenspoelen' een wetenschappelijke status kreeg. Maar hier waren de meningen verdeeld. Want àls hersenspoeling al had gewerkt op die 21 militairen, dan was het succes toch maar zeer gering, gelet op het totaal van 5000 geallieerde krijgsgevangenen. En hoe zat het dan met die 90 000 gevangen genomen Noord-Koreanen en Chinezen (van de 170 000) die niet terug wilden? Waren die dan gehersenspoeld door de geallieerden?

Trouwens, die 21 Amerikaanse overlopers bleken zich ook al vóór hun 'hersenspoeling' als vreemde vogels gedragen te hebben, zo bleek na uitgebreid onderzoek.

Tot een wetenschappelijke consensus kwam het lange tijd niet. Sommige experts, zoals de psychiater Louis West in een uit 1964 daterend artikel in het toonaangevende American Journal of Psychiatry, verwezen 'hersenspoelen' naar het rijk der fabelen. Het werkt niet, was zijn conclusie. Anderen hielden een slag om de arm en opperden de mogelijkheid dat dergelijke extreme vormen van gedragsconditionering alleen werken als er sprake is van uithongering, ziekte, marteling en doodsangst. En dan is het nog maar de vraag of het slachtoffer niet louter om opportunistische redenen de vijand uiteindelijk omhelst. Aan deze patstelling werd weinig nieuws toegevoegd en medio de jaren zestig raakte de discussie op de achtergrond.

Maar tien jaar later barstte hij weer in volle hevigheid los. De 'sektenplaag' sloeg toe. Een bonte optocht van zogenaamde nieuwe religieuze bewegingen deed zijn intrede in de westerse samenleving: de Hare Krishna's, de Moonies, de Children of God, de Scientologen en de sanyassins van Bhagwan Sri Rajneesh schokten het overzichtelijke godsdienstige landschap.

Nu is per definitie iedere religieuze noviteit ketters, maar hier was meer aan de hand. Deze mini-godsdiensten hadden een duidelijke doelgroep voor ogen: jongeren. Die bleken gevoelig te zijn voor de soms provocerende denkbeelden die een alternatief boden voor het, in hun ogen, fossiele Christendom en de daaraan ontsproten vastgeroeste waardeopvattingen. Maar hun ontvankelijkheid voor dat nieuwe ging wel erg ver.

Hoe was het mogelijk dat die keurige buurjongen van de ene op de andere dag gestopt was met zijn universitaire studie, zijn stereo-installatie had verkocht en met kaalgeschoren hoofd en curieuze lappen omhuld over het Damrak liep te huppelen? En dat zachtaardige nichtje, dat tijdens een zomervakantie in Amerika liet weten dat ze voorlopig niet thuis zou komen, omdat ze daar zo'n groepje aardige mensen had ontmoet waarmee ze nu het evangelie van een Koreaanse wapenfabrikant verspreidde? Er was immers nooit wat misgegaan in de opvoeding? Beiden bereidden zich toch voor op een glanzende maatschappelijke carrière? Hier was iets niet in de haak.

Voor de eerste pogingen tot het verklaren van deze opmerkelijke gedragsveranderingen werd de hersenspoelingstheorie opgegraven. Met name de Amerikaanse psycholoog Margaret Singer en de psychiater John Clark concludeerden aan de hand van gesprekken met ex-leden dat religieuze sekten in staat zijn deze geestelijke technologie toe te passen.

Niet alleen was zo het slachtoffer ook nu weer gevrijwaard van de eigen verantwoordelijkheid, ook de kwade genius achter dit alles was ondubbelzinnig gedefinieerd. De onderzoekers vermeldden de voorbeelden uit de Koreaanse oorlog in hun beschouwingen, zonder overigens te verwijzen naar de literatuur die de hersenspoelingsgedachte als wetenschappelijk ondeugdelijk had gekenmerkt.

Kritiek hierop kwam in eerste instantie uit de hoek van sociologen en antropologen, die dit soort groeperingen wat langer hadden bekeken door er bijvoorbeeld maandenlang - al dan niet under cover - zelf tussen te gaan zitten. Het meest opvallende dat ze ontdekten was het kortstondige lidmaatschap van de meeste aanhangers. Het merendeel hield het na een paar maanden of hooguit een jaar wel voor gezien. En dan kwamen er weer anderen: een soort draaideur-effect.

Als hersenspoeling dan al werkte, zo maakte menige publikatie duidelijk, doelmatig was het zeker niet. Tevens bleek dat bekering geen mechanisch proces was waarachter snode psychotechnieken schuilgingen. Het zich aansluiten bij een nieuwe religieuze beweging had meer te maken met de geleidelijke ontwikkeling van affectieve banden met de groep, dan met een plotselinge godsdienstige openbaring.

Natuurlijk ging dat in de meeste gevallen gepaard met de nodige overredingskracht, maar dat was niets meer of minder dan een vorm van sociale beïnvloeding, zoals die in het dagelijks leven schering en inslag is. Als dit hersenspoelen was, dan zou menig auto- en encyclopedieverkoper van hetzelfde kunnen worden beticht.

Voor de noviet waren doctrines van ondergeschikt belang, voor zover men daar al van op de hoogte was. Wat telde was het warme nest van een aansprekende en ogenschijnlijk zo ideële subcultuur, waarin de individuele sores en de wereldproblematiek zo gemakkelijk bespreekbaar waren. Weliswaar hielden de meesten het voor gezien als later bleek dat de beweging meer was dan een gezellige praatgroep, maar naarmate er meer was geïnvesteerd, hetzij materieel, hetzij immaterieel, groeide ook de toewijding. Bekering bleek een vorm van resocialisatie, waarin volgens sommige theoretici bekeerling en bekeerder onder het impliciete credo 'wat hebben we aan elkaar' een transactie aangingen.

Dat dit cumulatieve proces in veel gevallen niet tot beider tevredenheid verliep, bleek uit de grote afvalligheid die zo kenmerkend is voor het fenomeen sekte. En niet alleen moest het ex-lid dan een fikse frustratie verwerken, het voormalige deviante gedrag diende in veel gevallen ook te worden verantwoord naar de intimi uit de pre-sekte periode. En voor menigeen bleek dan de hersenspoelingstheorie - doorgaans ingefluisterd door een curieuze vrijage van sensatiepers, verontruste dominees en een leger van hulpverleners dat plotseling het zeer lucratieve marktsegment van de deprogrammering had ontdekt - een legitiem toevluchtsoord om de eigen verantwoordelijkheid te neutraliseren.

Anno '94 is er niet veel veranderd. Dat wil zeggen, voor de buitenwereld. Weliswaar zijn de opvattingen van de hersenspoelingstheoretici min of meer definitief verbannen naar de perifere vakliteratuur (tijdschriften zonder een zogenaamde impact factor omdat ze zelden elders geciteerd worden, zoals het Cultic Studies Journal), maar dat laat onverlet dat er vooral in Amerika een inmiddels omvangrijk quasi-wetenschappelijk oeuvre over dit thema op de markt is verschenen.

Daarentegen heeft de sociologisch georiënteerde optiek, waarin het accent ligt op de handelende bekeerling in plaats van de passieve robot, terrein gewonnen. Er zijn echter enige nuances aangebracht in de opvatting over de relatie tussen bekeerling en bekeerder. Zo lijkt het erop, dat individuen die belangstelling tonen voor religieuze bewegingen, zich meer dan anderen openstellen voor een verandering van hun identiteit. De vraag is echter of zij in alle gevallen de controle over deze gewenste reconstructie kunnen bewaren, indien dit zich voordoet in een geheel geïsoleerde omgeving.

Zoals één auteur opmerkt: “Indien het beeldhouwen eenmaal is begonnen, is het voor het individu moeilijk om in te schatten of de beeldhouwer wel zo kundig is als aanvankelijk werd aangenomen en of het beeld wel zo mooi wordt als eerst werd gehoopt”.

De daarmee gepaard gaande gedragsverandering, zoals heroriëntatie op waarden en normen en het verwerpen van vroegere sociale banden, zal voorlopig nog door menig perplexe buitenstaander worden geïnterpreteerd in demonologische termen, in plaats van als een actieve en vaak grillige speurtocht naar zingeving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden