De grijze massa was goed

Naast 'goed'en 'fout' in de Tweede Wereldoorlog bestaat sinds 2001 ook 'grijs': de schipperende massa. Maar 'goed' is iets anders dan 'dapper', stelt Jan Dirk Snel. "Ook wie moreel te kort schoot, kon nog steeds goed zijn."

Soms zag ik hem langskomen tijdens mijn kinderjaren in de jaren zestig: de veeverloskundige in zijn lelijke eend. Als er zich moeilijkheden voordeden bij het kalven van een koe werd hij erbij geroepen; hij kon dan de ligging van het kalf verbeteren of de keizersnede uitvoeren. Mijn moeder vertelde me hoe ze hem in haar eigen jeugd, in de oorlog - zoals we de bezettingsperiode in Nederland noemen - vaak voorbij zag komen, toen nog op de fiets. Iedereen wist wat hij dan ging doen: een illegale slachting verrichten. Tientallen mensen zagen hem gaan, alle buren wisten bij wie hij het erf opging en wat daar gebeurde, maar niemand verraadde hem ooit. De mensen in de polder waren niet fout. Ze waren goed.

Goed en fout vormen een merkwaardig begrippenpaar. In het alledaagse morele taalgebruik hebben we het over goed en slecht. Tegenover het goede staat het kwaad of het boze. Fout is vanouds geen morele categorie. Een fout duidt eerder op een vergissing. Een rekensom kan goed of fout zijn, een examenopgave kun je goed of fout maken. Wie een ernstige fout begaat, heeft wat goed te maken, maar was er waarschijnlijk niet op uit om zich moreel te misdragen.

Wie in de oorlog fout was, kon je niet vertrouwen. NSB'ers waren fout, niet omdat het per se slechte mensen waren, maar omdat ze voor de verkeerde partij, de vijand, hadden gekozen. Goed was wie je kon vertrouwen. Goed en fout betekenden in de grond van de zaak niet anders dan betrouwbaar en onbetrouwbaar, aan onze kant of aan de andere kant. In die zin was de overgrote meerderheid van de mensen in de oorlog goed, betrouwbaar. Wie wel vermoedde dat dat neefje uit Amsterdam dat ineens bij een katholiek gezin in de straat kwam logeren, misschien een Joods kind was, maar wijselijk zijn mond hield, die was goed. Goed zijn betekende dat je je niet aan verraad schuldig maakte.

Tegenwoordig is het gebruikelijk om tegenover de oude tegenstelling tussen goed en fout een ander beeld te stellen: dat van een 'Grijs verleden', zoals het befaamde boek van Chris van der Heijden uit 2001 heet. "Want als de Tweede Wereldoorlog iets heeft getoond", schrijft Van der Heijden, "dan is het wel de oude waarheid dat de mens, het handjevol helden en heiligen daargelaten, niet goed is en niet fout, niet zwart of wit maar grijs". Ongetwijfeld heeft Van der Heijden met zijn nadruk op de alledaagse grijsheid gelijk, maar tegelijk creëert hij een valse tegenstelling. Grijs staat niet tegenover goed en fout, maar laat zich daar uitstekend mee combineren. Om het scherp te stellen: de grijze, schipperende massa was goed.

Van der Heijden heeft groot gelijk dat de meeste mensen geen "helden of schoften" waren en dat het merendeel van de burgers maar moest zien hoe de oorlog door te komen. Natuurlijk moesten de meeste mensen zich een beetje aanpassen en konden ze niet voortdurend de held spelen. Maar dat zegt nog niets over hun gezindheid. Alleen een goede wil, betoogde Immanuel Kant enigszins tautologisch in zijn 'Grundlegung zur Metaphysik der Sitten' (1785), kan waarlijk goed zijn en in dit geval klopt dat precies. Als het erop aankwam, trok de overgrote meerderheid een lijn en pleegde geen verraad. Ze stond aan de goede kant. Goed zijn was iets heel anders dan dapper zijn. Ook wie in onze (mogelijk al te strenge) ogen moreel tekortschoot, kon nog steeds goed zijn.

In de tijd van dreiging en gevaar die de oorlog was, waren goed en fout begrippen die de fundamentele orde in de wereld beschreven. Hoewel ze in feite een praktische aanduiding voor 'onze kant' en 'de vijand' waren, kregen ze natuurlijk wel een geheel eigen morele lading, die zeker niet samenviel met de traditionele tegenstelling tussen goed en kwaad. Vaak wordt beweerd dat dr. Loe de Jong goed en fout ten grondslag legde aan zijn grote geschiedwerk over 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' (1969-1988). Of dat juist is, is terecht omstreden, maar duidelijk is dat De Jong het morele oordeel niet schuwde. Als hij misschien meer aandacht besteedde aan verzet en collaboratie, aan helden en schurken dan aan de alledaagse accommodatie, zoals de technische term luidt, dan voldeed hij daarmee precies aan de verwachtingen van de zogenaamde 'grijze' massa.

Uiteraard ging de bewondering uit naar de weinigen die zich werkelijk moedig hadden betoond. Juist omdat de meeste mensen over het algemeen van goede wil waren, wilden ze meer over de uitersten weten. Hoe hun eigen leven er tijdens de bezetting uit had gezien, wisten mensen twintig of dertig jaar na het einde van de oorlog nog wel, dat hoefde De Jong hun niet te vertellen. Ze wilden juist meer horen over alle belangwekkende zaken die zich buiten hun eigen gezichtsveld hadden afgespeeld: de heldendaden en de schurkenstreken. Uiteraard wilden ze meer horen over verzet en collaboratie, maar dat was wel iets totaal anders dan de alledaagse indeling van de wereld in goed en fout, die ze zelf aan den lijve hadden ervaren.

Pas toen de oorlog verder terug kwam te liggen en minder mensen zich het leven van alledag nog konden voorstellen, werd dat een thema en moest de grijsheid expliciet beschreven worden. Het was een noodzakelijke aanvulling op het bestaande beeld, geen volledige omkering of ontkenning ervan.

Met zijn publieke optreden heeft Loe de Jong bijgedragen aan de vorming van één morele gemeenschap. In 1950 was de oorlogsgeschiedschrijving volgens het verzuilde patroon aan vier gerenommeerde historici, I.J. Brugmans, C.D.J. Brandt, L.J. Rogier en J.C.H. de Pater, opgedragen: een liberaal, een socialist, een katholiek en een protestant. Toen dat viertal in 1954 constateerde dat ze er niet uitkwamen, kreeg De Jong de opdracht. Het is goed om te beseffen wat dat betekende. Een buitenstaander - socialist, jood, agnost, vluchteling - ontwikkelde zich tussen de eerste televisie-uitzending van 'De Bezetting' in 1960 en het verschijnen van het laatste deel van 'Het Koninkrijk' in 1988 tot het geweten, het morele kompas, van de natie. Ten tijde van zijn benoeming was dat nog allerminst vanzelfsprekend.

Terecht betoogt Chris van der Heijden met andere historici dat de oorlog voor de structuur van de samenleving 'een rimpeling' was. Dat ligt ook voor de hand: mensen verlangden naar de vrijheid om verder te gaan met waar ze voor de oorlog mee bezig waren. Maar ondertussen was er wel een geheel nieuw, overkoepelend ethisch kader geschapen: de morele superstructuur waar het nieuwe begrippenpaar goed-fout de basis van vormde. Toen door de welvaart en de vorming van één nationale communicatiegemeenschap - tot oktober 1964 keken allen noodgewongen naar één enkele tv-zender - de scheidslijnen tussen de verschillende levensbeschouwelijke gemeenschappen doorbroken werden, was er al een nieuwe metamoraal beschikbaar. Katholieken vormden sinds 1918 de kern van de kabinetten, maar tot het funderingsverhaal van de natie, de Tachtigjarige Oorlog, was hun verhouding ingewikkeld. Als socialisten in de jaren dertig bij het bezoek van een minister naast de driekleur de rode vlag lieten wapperen, werden ze gewantrouwd als vaterlandslose Gesellen. Maar nu deelden allen het ene verhaal van onderdrukking en verzet en allen, nou bijna allemaal, waren ze goed geweest.

In beschouwingen over de jaren zestig wordt vaak de nadruk gelegd op de rebelse jeugd en de revolutionaire culturele veranderingen. Maar het meest opvallende is hoe geleidelijk de verschuivingen bij de grote meerderheid verliepen. Juist de gematigde, behoudende massa leefde met dezelfde morele metastructuur. Gereformeerden en liberalen, katholieken en socialisten, allen keken ze uit naar het volgende deel van Loe de Jong en volgden ze zijn oordelen (ook als die er wel eens een keer naast zaten trouwens). Met elkaar deelden ze een overkoepelend ideaal van vrijheid dat door de bezetting was geschapen en door de Koude Oorlog werd bevestigd en dat de kleine rechten en vrijheden van hun afbrokkelende zuilen oversteeg. Voor de oorlog was zo'n gedeeld kader volstrekt ondenkbaar geweest.

De vreemde tegenstelling tussen goed en fout creëerde een eigen civil religion, die de basis vormde voor de homogene morele gemeenschap die het huidige Nederland vormt. Het behoeft geen toelichting dat die civil religion gedurende het populistische decennium dat achter ons ligt is afgezwakt: de reddeloosheid van de secularisatie dient zich, met het verdwijnen van die laatste gedeelde morele kaders, nu in volle omvang aan.

In de dagen van Lou de Jong had het afwijkende begrippenpaar de structuur van een oude mythe, maar inhoudelijk was ze nieuw. Het was geen religieuze mythe meer, maar een overstijgende nationale, politieke, seculiere mythe. En, wat belangrijker was, ze was reëel.

Jan Dirk Snel is historicus en publicist.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden