De graven werden een afwerkplek

Begraven bij een kerk mag wel, maar een synagogehof bestaat niet. Wat doen dan die ’Portugese’ grafstenen bij de Hoogduitse synagoge van Paramaribo? Hoe verval en vluchtige seks een einde maakten aan een Surinaams-joodse begraafplaats.

Een vreemd beeld: in Paramaribo staan een synagoge en een moskee naast elkaar. En pal voor die Hoogduitse sjoel liggen, minstens zo opmerkelijk, ’Portugese’ grafstenen. Hoe die daar komen?

Precies een halve eeuw geleden was de Surinaams-Joodse Jules Robles daar verantwoordelijk voor. Hij is nu 82 en woont in een flat in Amstelveen. „Vanaf mijn dertiende was ik lid van de Gemiloeth Chasadim, de vereniging voor lijkbewassing- en lijkbezorging, het Joodse begrafeniswezen in Paramaribo. En nog eens vijfendertig jaar lid van de kerkenraad van de Nederlands Portugees Israëlitische Gemeente van Suriname. Je hoort het goed: dat noemden we geen synagogebestuur, maar kerkenraad!”

In Robles’ tijd vond een ware exodus plaats van Joden uit Suriname. „Er was geen geld meer voor onderhoud van het Joodse bezit en vooral de oude Asjkenazische en Sefardische begraafplaatsen aan de Kwattaweg verloederden.”

Robles neemt regelmatig de tijd om de dingen weer boven te halen en klopt af en toe aan bij het geheugen van zijn vrouw Carla, die naast hem op de bank zit. „De oude Sefardische begraafplaats was vol en werd ook in mijn kindertijd niet meer gebruikt. Ik denk dat hij is gesloten rond 1870. Daarna gebruikten we de nieuwe Sefardische begraafplaats, aan diezelfde Kwattaweg, dichter bij het centrum.”

„Geld voor onderhoud was er niet. De graven waren overwoekerd – alles groeit hard in de tropen – en het ergste van alles: er werden op de graven ontuchtigheden bedreven!”

Voor de kerkenraad was dat onverteerbaar, hun historische dodenakker een overwoekerde afwerkplek voor vluchtige seks. Robles: „We wilden daarom wel van het terrein af, maar een Joodse begraafplaats ruimen is not done.”

Het probleem werd voorgelegd aan de Sefardische opperrabbijn in Jeruzalem. Robles: „Hij had alle begrip voor onze zorgen. We kregen twee alternatieven voorgelegd. Als eerste optie suggereerde het opperrabbinaat om het terrein op te hogen met zes voet zand en verder te laten rusten. We kozen voor de tweede optie: het stuk voor stuk en onder strikte voorwaarden elders herbegraven van de stoffelijke resten.”

Robles werkte eind jaren vijftig als civieltechnisch ingenieur bij het ministerie van Openbare Werken en Verkeer en kreeg daarom de verantwoordelijkheid voor de operatie. „We hebben het terrein verkocht aan twee instanties, de Vrijmetselaars en aan Standard Oil: ze bouwden er loge ’de Volharding’ en een Esso benzinestation.”

Het verhuizen van de begraafplaats moest secuur: elk graf registreren, openen en de eventuele stoffelijke resten volgens voorschriften uit Jeruzalem in ruwhouten kistjes van zestig bij dertig centimeter doen. „Volgens de opperrabbinale voorschriften moesten we de kistjes zo mogelijk voorzien van naam, die registreren en de kistjes herbegraven. We hebben toen een gemeenschappelijk graf op de nieuwe Sefardische begraafplaats ingericht.”

De oude zerken die niet waren geroofd en als bouwmateriaal gebruikt, probeerde Robles voor verder verval te behoeden. Hij zag de historische waarde ervan; ze kwamen uit Amsterdam en de VS.

„Sinds kort zijn ze weer te zien: uitgestald rond de Hoogduitse synagoge aan de Keizerstraat. Een deel van de grafteksten is in het Portugees, een deel in het Nederlands. Veelvoorkomende namen: De la Parra, Fernandes, Robles de Medina, Del Prado of Bueno de Mesquita.”

Jules Robles (’ik ben een echte Portugees, mijn vader heette Juda Robles, mijn moeder Julie Sipora Fernandes’) heeft de goede jaren van het Sefardische leven van Paramaribo nog meegemaakt. „Ik ben nog vertegenwoordiger geweest van de zionistische organisatie Keren Hayesod, in 1920 opgericht om fondsen te werven voor een Joods Nationaal Tehuis. Van de opbrengst kochten ze in Palestina grond van Arabieren.”

De Tweede Wereldoorlog gaf een laatste impuls aan het Joodse leven in Paramaribo. „Er kwamen veel Joden uit België en Nederland die nog net voor de komst van de Duitsers hun land wisten te verlaten. Vooral rond de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 trokken veel Surinaamse Joden naar de VS en naar Nederland, slechts weinigen gingen naar Israël. De economische gevolgen van de revolutie van Desi Bouterse en van de Decembermoorden van 1982 waren de genadeslag voor onze gemeente.”

Ook Jules en Carla Robles- Kleine vertrokken na zijn pensionering in de jaren tachtig naar Nederland. „Een van onze zonen woont nog in Paramaribo, waar hij een aantal modezaken heeft. Daar zijn we enkele maanden per jaar. We liepen laatst langs de synagoge aan de Keizerstraat en zagen er toen de grafstenen van mijn voorouders liggen.”

Robles maakt een Sefardische grap over Asjkenazische Joden – de tweespalt is eeuwenoud: „Het neerleggen van die grafzerken lijkt nobel, maar volgens mij wilden ze eigenlijk alleen maar minder gras maaien rond de sjoel.” Ernstig: „Moet je eens kijken wat een verloederde en losbandige toestand het nu is op de oude Asjkenazische begraafplaats aan de Kwattaweg! Gelukkig zijn er nu plannen voor renovatie, de Asjkenazim wilden dat terrein nooit verkopen. Wij Sefardim hebben het goed gedaan, ik kijk er tevreden op terug.”

Waar wil Robles zelf begraven worden? Het is even stil. „Na mijn dood moeten ze niet met me sjouwen. Waar ik sterf wil ik begraven worden. Ik heb een plekje gereserveerd op de nieuwe Sefardische begraafplaats in Paramaribo, maar het kan dus ook hier dichtbij op de Portugese begraafplaats ’Beth Chaim’ worden, in Ouderkerk aan de Amstel.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden