De grauwe jachtvelden van de Papoea's

Irian Jaya, het vroegere Nederlands Nieuw-Guinea, heeft rijke bodemschatten. Grote buitenlandse bedrijven, zoals de mijngigant Freeport, graven naar koper en goud. Zonder veel rekening te houden met de tradities van de plaatselijke bevolking. De Papoea's voelen zich tweede rangsburgers in hun eigen land en komen in opstand.

De modder die door de Otomona stroomt is asgrijs. De rivier ontspringt in het hooggebergte van Irian Jaya. Op meer dan 2400 meter hoogte graaft hier de Amerikaanse mijngigant Freeport de Grasberg af, de berg met 's werelds grootste koper- en goudvoorraad. Per dag worden duizenden tonnen gruis aangeboord. Slechts drie procent daarvan is koper of goud. De resterende tonnen afval worden via de Otomona rivier afgevoerd. De eens zo weelderige jungle in het dal is daardoor in een groot kaal modderlandschap veranderd.

Simon Sinaga, zegsman van mijnbedrijf Freeport, spreekt over de 'visuele vervuiling' als hij het heeft over de afgestorven bomen en de verdwenen vegetatie in de rivierbedding. Milieuspecialisten van zijn bedrijf zijn sinds kort bezig met een herstelprogramma voor het gebied. Volgens de Javaanse hoogleraar Soewono van de landbouwuniversiteit in Manokwari zal het mijnbedrijf eerst al het slib moeten weggraven. Op deze onvruchtbare grond groeit helemaal niets.

Voor de komst van het mijnbedrijf was de Otomonarivier de levensader van de Kamoro, de oorspronkelijke papoea-bewoners van deze streek. De Kamoro klagen steen en been dat hun basisgewas, de sago, niet meer groeit op de grond. Bovendien is het water ondrinkbaar geworden en is visvangst niet meer mogelijk. De vissen kunnen zich niet in leven houden in het vervuilde water.

Simon Sinaga zegt dat zijn bedrijf heel wat heeft gedaan voor de plaatselijke bewoners. ,,We hebben de Kamoro plaatsvervangende woonruimte aangeboden, maar ze verwaarlozen hun huizen', verweert Sinaga zich. Maar zijn bedrijf Freeport heeft zich nooit echt verdiept in de culturele tradities van de inheemse bewoners. De Kamoro zijn jagers en hebben als semi-nomaden geen vaste verblijfplaats. Ze leven in hutten die ze snel kunnen afbreken en opbouwen.

Het was in 1936 dat de Nederlander Jean-Jacques Dozy als jong geoloog de kopervoorraad in de Grasberg ontdekte. Onder leiding van Anton Colijn (zoon van premier Colijn) beklom Dozy als eerste Europeaan het hooggebergte. Zijn rapport verdween in een bureaula van de Leidse Universiteit door alle gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog. Een zekere Forbes Wilson, die in dienst was van het Amerikaanse Freeport, vond in de jaren vijftig Dozy's vooruitstrevende onderzoeksrapport. In 1967 stapte het mijnbedrijf naar de Indonesische regering en sleepte een contract voor dertig jaar in de wacht. In 1991 werd het contract met maar liefst vijftig jaar verlengd.

Voor het Amungme-bergvolk dat eeuwen aan de zuidflanken van het hooggebergte woonde, had de overeenkomst verstrekkende gevolgen. De mijnbouwers hadden last van de Amungme, ze zaten doodgewoon in de weg. Mijngigant Freeport zou volgens afspraak de inheemse bevolking plaatsvervangende woonruimte aanbieden. Een beperkte groep kwam hiervoor in aanmerking. Ibu Emma en haar gezin besloten in 1974 hun eigen dorpje te verlaten. Op deze plek werd de gloednieuwe stad Tembagapura gebouwd voor de mijnwerkers. Door de komst van al die mijnwerkers en militairen die de mijn moesten bewaken, voelden Ibu Emma zich ernstig bedreigd. Ze woont nu in een krot in het dorp Timika. Haar zeven kinderen gaan geen van allen naar school. En geld heeft ze niet.

Het dorp Timika werd voor de verdreven bevolking een nieuwe woonplek. Voor de Amungme is deze compensatieregeling van het bedrijf Freeport beslist onvoldoende. Hun jachtgronden in de bergen zijn niets meer waard. Ze mogen zelfs niet meer in deze gebieden komen. Ook de bergkammen waarover ze zich vroeger verplaatsten zijn verboden gebied. Maar voor de Amungme zelf is nog het meest kwetsend dat samen met het gruis de geesten van hun voorouders zijn afgegraven. Volgens de mythologie woonden de geesten in het hooggebergte.

Amungme-leidster Mama Josepha vecht al jaren voor de rechten van haar bevolkingsgroep. Ze is al verscheidene keren opgepakt. In 1993 sloten ze haar voor een maand. Ze leefde tussen de uitwerpselen van haar medegevangenen. Haar werd verweten dat ze de guerrillabeweging OPM, de Beweging voor een Vrij Papoea, steunde. De OPM pleegde aanslagen op de mijn. In de aanklacht stond dat ze de plaatselijke commandant van OPM, Kelly Kwalik, te eten had gegeven. Mama Josepha is de stiefmoeder van Kwalik.

Met behulp van juristen vecht ze nu bij de Verenigde Naties het 'onrechtmatige' Freeportcontract aan. Jakarta sloot de zakelijke overeenkomst in 1967 toen Irian Jaya officieel nog niet van Indonesië was. Nederland had in 1962 zijn kolonie overgedragen aan de Verenigde Naties. Indonesië kreeg in die tijd het tijdelijk bestuur. De bevolking mocht zich in 1969 volgens de regeling nog in een referendum uitspreken over de toekomst van Irian Jaya. Maar in plaats van een volksstemming brachten slechts duizend geselecteerde Papoea's hun stem uit. Ze kozen voor aansluiting bij Indonesië. ,,Het was allemaal doorgestoken kaart. Indonesië was niet van plan ons West-Papoea terug te geven. Freeport zou Jakarta immers miljarden dollars opleveren', zegt een boze Mama Jospeha.

Van al dat geld is bitter weinig bij de inheemse bevolking terechtgekomen. Het door Freeport gebouwde Timika is nu een troosteloos dorp met veel oude huizen en verroeste daken. De aanwezigheid van de mijn trok duizenden migranten aan. De gelukzoekers (Boeginezen, Javanen en Menadonezen) zijn er hun handeltjes begonnen en bezitten nu betere huisvesting dan de autochtone bevolking.

De mijnwerkers troffen het nog beter in het luxe Tembagapura in de Waa-vallei. Het ontbreekt hen aan niets. Ze beschikken over een zwembad, karaoke-tenten en een bioscoop. Beneden in het dal, twintig kilometer buiten Timika, verrees in 1996 het dorpje Kuala Kencana. Hier woont de staf van Freeport, voornamelijk Javanen en buitenlanders, in luxe villa's. Militairen bewaken de toegang naar het dorp.

De mijn biedt nauwelijks werkgelegenheid aan de inheemse bevolking. Freeport zegt dat het zijn beleid inmiddels heeft aangepast. De papoea's - grotendeels nog analfabeet - krijgen een gratis opleiding met uitzicht op een baan in de mijn. Woordvoerder Simon Sinaga zegt dat 23 procent van de 6000 werknemers inmiddels uit Papoea's bestaat. Dat is dan snel gegaan want in 1996 waren nog slechts 200 Papoea's - hoofdzakelijk schoonmakers - in dienst van Freeport.

Onder druk van veel negatieve publicaties in de pers probeert Freeport sinds 1995 een beter sociaal beleid aan de buitenwereld te verkopen. ,,Sinds we de Grasberg in 1988 in gebruik namen zijn onze financiële middelen toegenomen. Door de hoge aanloopkosten hadden we niet eerder geld voor gemeenschapsontwikkeling', zegt Sinaga. Hij geeft toe dat het wel erg lang heeft geduurd voordat het mijnbedrijf met een 'werkelijke' compensatie over de brug kwam. ,,Volgens het contract waren we niet verplicht om scholen of een ziekenhuis op te zetten. Maar Freeport wil graag een goede buur zijn.'

Sinds 1995 krijgt de bevolking jaarlijks 15 miljoen dollar, 1 procent van de totale winst en dat tien jaar lang. Maar volgens de Nederlandse pater Bert Hangendoorn, die sinds 1971 in Timika woont, draagt deze gift eerder bij aan de ondergang van de Papoea's. ,,Je maakt ze afhankelijk van een geldschieter van buitenaf. Niemand wil nu meer werken of naar school. Er zijn prostituées gekomen en biertenten. Het moreel is ondermijnd.' Het geld zou gebruikt moeten worden voor de ontwikkeling van Timika. ,,Scholen draaien hier nauwelijks. Betere huisvesting is er niet gekomen. Van het geld worden luxe consumptiegoederen gekocht. Maar dat interesseert het bedrijf Freeport niets. Ze kopen hun schuldgevoelens af', zegt pater Bert.

Timika staat symbool voor heel Irian Jaya. Veel Papoea's menen dat Freeport de bron van al het kwaad is in de hele provincie. De ongelijkheid tussen verschillende bevolkingsgroepen is de voedingsbodem voor de onafhankelijkheidsstrijd die onlangs opnieuw oplaaide. De Papoea's voelen zich behandeld als tweederangsburgers. Irian Jaya is rijk aan vele bodemschatten. De opbrengst gaat voor 99 procent naar Jakarta. De Papoea's in Timika beseffen zelf ook dat ze op een goudmijn wonen. ,,De grond behoort ons toe. Net zoals de kopermijn. We blijven net zolang vechten totdat Freeport en Indonesië ons onze rechten teruggeven', zegt Mama Jospeha.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden