De gouverneur droogt zijn tranen

Hij stond een jaar geleden te huilen toen 'zijn' stad, Hongkong, werd overgedragen aan de Chinezen. Chris Patten, de laatste gouverneur van de voormalige Britse kolonie, schreef een boek over zijn ervaringen. “We hadden er veel eerder een echte democratie van moeten maken.”

Christopher Patten, doorgaans de vriendelijkheid zelf, schudt narrig het hoofd. Met ruim twee uur vertraging is hij zojuist uit Londen aangekomen. “Een vluchtje van nog geen drie kwartier”, klaagt hij. “Ik verbaas me er altijd over dat we zomaar accepteren dat vliegtuigen nu eenmaal vertraging hebben.”

Het is meteen ook de laatste keer dat hij over zijn eigen sores praat; verder in het gesprek is Patten (54) voortdurend de diplomaat, de politicus die zichzelf wegcijfert en uitsluitend 'de zaak' wil dienen. En de zaak, dat is in zijn geval Hongkong, de voormalige Britse kroonkolonie waarvan hij de laatste gouverneur was. Van 1992 tot en met 1997 was Patten de burgervader voor wie er alles aan gelegen was dat zijn stad zo netjes mogelijk zou worden overgedragen aan de Volksrepubliek China.

Emotioneel kan hij zijn. De tranen stroomden over zijn wangen toen hij op de voorplecht van de Queen Elizabeth op 1 juli vorig jaar afscheid nam van Hongkong. Maar dat hij zijn persoonlijke betrokkenheid buiten schot kan laten, blijkt uit zijn boek Oost en West, dat hij over zijn ervaringen in Hongkong schreef. “Het zijn niet mijn memoires”, zegt hij met nadruk. “Het gaat niet over mij. Het gaat over Hongkong, over China, over Azië en hoe westerlingen daar tegenaan kijken. Het raakte me dat de mensen in het Westen eerst het economische succes van Azië zwaar overdreven, het een wonder noemden en datzelfde succes vervolgens bagatelliseerden toen de crisis toesloeg. Ik wil de politici en zakenlui laten zien dat zij ongelijk hebben door te stellen dat dictatuur zo goed is voor Azië en dat democratie tegen hun cultuur zou indruisen. Schokkend vind ik die stelling. En daarnaast wil ik met dit boek mijn vrienden in Azië meer munitie geven om hun strijd voort te zetten.”

Westerse politici zijn wat Patten betreft door de mand gevallen, ook al vormen zij het nest waaruit hij zelf afkomstig is. Hij was staatssecretaris en minister onder Margaret Thatcher en partijvoorzitter van de Conservatieven ten tijde van Major. Toen Patten in 1992 zijn zetel in het Lagerhuis verloor, bood Major hem aan de laatste gouverneur van Hongkong te worden. Patten accepteerde de baan, die hij later de mooiste uit zijn carrière zou noemen.

In Hongkong belandde hij tussen twee vuren: de Britse politiek aan de ene kant, die veel te weinig deed voor de kroonkolonie (“We hadden er veel eerder een echte democratie van moeten maken en we hadden de Hongkongers een Brits paspoort moeten geven.”) en aan de andere kant de Chinezen die met argusogen volgden wat Patten aan het doen was in de stad die na 150 jaar Brits koloniaal gezag aan Peking zou worden overgedragen.

De Britten bedrogen de Hongkongers eind jaren tachtig door de uitkomst van een volksraadpleging zodanig te verdraaien dat het leek alsof zij niet op democratisering zaten te wachten. Patten bevestigt het in zijn boek. Westerse politici hebben boter op het hoofd, vindt hij. “Daarvan kreeg ik vorige maand, toen ik in Indonesië was, nog een voorbeeld te zien. Elke dag kwam er wel een westerse minister op bezoek die president Habibie uitgebreid de les ging lezen over democratische beginselen. Waar waren zij toen Soeharto aan de macht was? Habibie is geen toonbeeld van democratie. Hij heeft echter geen les nodig, maar hulp!”

Tegenover het westerse onbegrip stonden de Chinezen die niets moesten hebben van de democratisering die Patten in de laatste jaren van Britse heerschappij doorvoerde. Chinezen, schrijft Patten, hebben niets tegen vrije verkiezingen, mits zij van tevoren weten wat de uitslag is. Woedend waren ze op Patten, die in hun ogen van Hongkong nog snel even een rebellerende stad wilde maken. Een stad die weldra heel China zou kunnen aansteken.

In zijn boek schetst Patten hoe kafkaiaans de gesprekken verliepen, die hij als gouverneur met de Chinezen voerde:

Keer op keer betichtten Chinese functionarissen mij ervan dat ik de Gezamenlijke Verklaring en de Basiswet had geschonden. 'Op welke manier heb ik dat gedaan?', vroeg ik aldoor. 'Zeg me waar.' 'U weet dat u het hebt gedaan', werd er geantwoord. 'U moet het gedaan hebben, want anders zouden wij het niet zeggen.' 'Maar waar dan?' 'Het is niet aan ons om dat te zeggen: u moet weten waar u bent afgeweken.' 'Geef me één voorbeeld', wierp ik tegen. 'Wel', zo zeiden ze dan meestal tam, 'u heeft zich op zijn minst niet aan de geest van de Gezamenlijke Verklaring en de Basiswet gehouden.' 'Wat bedoelt u precies met 'de geest'? Betekent dit alleen dat u het niet met me eens bent? Waarom praten we dan niet over wat ik heb gedaan? Kom op met uw voorstellen.' 'Wij kunnen niet met onze voorstellen komen, totdat u naar de geest van de tekst bent teruggekeerd.' Zo draaide het gesprek in kringetjes rond en glipte datgene waar het over had moeten gaan, steeds tussen onze vingers door.

Tijdens andere bijeenkomsten moest de gouverneur voortdurend op de hoede zijn voor het onnavolgbare Chinese begrip 'belediging'. Dan werd hij door een lage ambtenaar van het vliegveld opgehaald en kreeg hij een plaatsvervanger te spreken van degeen met wie hij had afgesproken. Om vervolgens van de Chinese media de vraag voorgelegd te krijgen: 'Bent u nu beledigd?' De relatie draaide voortdurend om gezichtsverlies en het voorkomen ervan.

Toch, zegt hij, heeft hij geen anti-China boek willen schrijven. “Ik ben absoluut niet tegen Chinezen. Ik ben tegen de Chinese autoriteiten. Het leninisme is aan het eind van een doodlopende straat beland. Dat moet het Westen zeggen. Wij hebben altijd een veel te onderdanige houding aangenomen tegenover de Chinezen. We mogen de ogen niet sluiten voor wat zij met de mensenrechten doen. Maar toen Nederland daar vorig jaar wat van zei, stond Peking te stampvoeten en wisten de andere Europese landen niet hoe gauw ze de andere kant op moesten kijken. De Europese Unie had toen één front moeten maken en tegen China moeten zeggen dat we dit niet accepteren. Wat denk je wat voor effect die lakse houding in Azië had? Besef wel dat China ons veel meer nodig heeft dan wij China nodig hebben.”

Harder en brutaler moet het Westen zijn. Maar wie neemt het voortouw? Onlangs was de president van het machtigste land ter wereld op bezoek in China. Clinton bracht er de mensenrechten ter sprake en vloog vervolgens door naar Sjanghai om er de zegeningen van de handel te loven. “We zullen zien wat het effect is”, zegt Patten voorzichtig. “De Chinezen hebben gezegd dat zij het convenant van de mensenrechten zullen tekenen. Wij moeten zeggen: het gaat niet om tekenen, het gaat om ratificeren en als jullie dat niet doen, gaan we terug naar de onderhandelingstafel in Genève.”

“Ik geloof in onderhandelen, ja. Ik geloof niet in een boycot. In Zuid-Afrika heeft de economische boycot wel een rol gespeeld bij het afschaffen van de apartheid, maar die rol was bescheiden. En de acties van de Verenigde Staten tegen Cuba hebben er alleen maar voor gezorgd dat Castro nog langer op zijn plek bleef zitten. Kortom, ik houd politiek en economie liever gescheiden. Dat blijkt ook te kunnen: ook al hebben we meningsverschillen, de Chinezen willen onze producten en ze willen hun producten aan ons verkopen.”

Pattens vertrouwen in de goede afloop der dingen doet naïef aan. De zakenman zal de mensenrechten immers niet gauw aan de orde stellen. “De politicus wel?”, roept Patten. “Wat is het voordeel van de rode loper als de mensenrechten toch niet aan de orde mogen komen? Je weet best wat er gebeurt als zo'n westerse politicus op bezoek komt. Ze praten wat en tekenen wat en helemaal aan het eind zeggen ze: 'We hebben ook nog een paar zaken die onze ambassadeur later nog wel met uw minister zal bespreken'. Een wassen neus is het.”

“Dat klinkt misschien wat zuur, maar het is waar. Na een handelsmissie staan er juichende koppen in de kranten over miljardencontracten en banen die worden gered. Maar bij nadere beschouwing blijkt het allemaal niet zoveel voor te stellen. Een van de weinige kranten die op de details van dit soort trips ingaan, is de Asian Wall Street Journal. Na terugkomst uit China zitten ze in het Westen niet op dit soort berichten te wachten. Ik stuurde eens een selectie van analyses uit de krant naar het Britse departement van Handel en Industrie. Niet omdat ik duidelijk wilde maken dat het geen zin had zakenlieden voor de Chinese markt te interesseren, maar omdat het mij beter leek dat het ministerie dit werk met open ogen en zonder zelfmisleiding doet. Ik heb nooit antwoord gekregen.”

Jaren later zou hij met een vergelijkbaar staaltje van huichelachtig zakendoen geconfronteerd worden. In eerste instantie zou Patten's boek worden uitgegeven door een dochteronderneming van de Australische mediatycoon Rupert Murdoch. Toen die er lucht van kreeg, sprak hij onmiddellijk een veto uit, bang als hij was om zijn zakelijke belangen in China bedreigd te zien.

Iedere pagina van Oost en West ademt Patten's betrokkenheid met het welzijn van Hongkong. Toch slaagt hij er niet geheel in zich van het imago van de Britse koloniale overheerser te ontdoen. Bijvoorbeeld als hij tussen neus en lippen door beschrijft hoe hij de Chinese ambassadeur in Groot-Brittannië trakteert op een helikoptervlucht boven Hongkong die eindigt met een riant buffet aan boord van het privéjacht van de gouverneur zelf.

Patten had het goed, daar in Hongkong, met een salaris van tegen de zes ton per jaar, een Rolls-Royce, twee Daimler limousines, een schitterende residentie en een riant vakantiehuis. Om niet te ver boven het volk te staan deed hij iets aan zijn kleding:

Als ik een overheid wenste die zo open mogelijk was, moest ik het goede voorbeeld geven. Dit was een van de redenen voor mijn besluit om bij officiële gelegenheden niet het uniform van de gouverneur te dragen - het zomeruniform was van wit brokaat onder een tropenhelm met daarop struisvogelveren, waardoor je eruit zag als een pas gestorven hen; het winteruniform was in het blauw en rood van een maarschalk van een of ander operettelandje. Met informele toestemming van de koningin kleedde ik mij als ieder ander, opgelucht dat ik er, van middelbare lengte en doorgaans te dik als ik ben, niet belachelijk uit zou zien. Mijn ijdelheid kwam mijn politieke instinct te hulp.

Het is ontegenzeggelijk waar dat Patten ertoe heeft bijgedragen dat de inwoners van Hongkong op dit moment meer voor het zeggen hebben dan de Chinezen voor ogen stond. De democraten scoorden hoog bij de verkiezingen. Zij kregen uiteraard niet het aantal zetels waar zij recht op hadden, maar toch . . .

Democratie, het is een sleutelwoord in het boek van Patten. Roeide hij niet tegen de stroom in door te veronderstellen dat hij praktisch in z'n eentje en op de valreep van Hongkong nog een heuse democratie kon maken? Immers, de Britten hadden hun handen al van de kroonkolonie afgetrokken. En evenmin als de Chinezen hadden de zakenlieden in Hongkong er belang bij dat er opeens een doorzichtig, democratisch bestuur zou komen. “Ik ben ervan overtuigd dat de overgang naar een liberale democratie in Hongkong niet is tegen te houden”, zegt hij stellig. “En dat geldt voor heel Azië. Zelfs voor China, dat niet meer achteruit kan, maar doodsbang is om vooruit te gaan. Het Westen kan daarbij helpen door op te houden zich te verkneukelen over de huidige economische crisis. Dat is een foute instelling. Daardoor bestaat het gevaar dat regeringen teruggrijpen op protectionisme, zoals momenteel in Maleisië gebeurt. Het is toch verschrikkelijk dat vice-premier Anwar Ibrahim, een charismatische en intelligente man, daar het zwijgen is opgelegd. Maar ook in Maleisië zullen ze erachter komen dat globalisering de oplossing is. Ze zullen zien hoe Thailand en Zuid-Korea zich ontwikkelen richting echte democratieën. Indonesië is helaas een tragisch voorbeeld van hoe het niet moet. Twintig jaar vooruitgang is daar bijna weggepoetst. Het is hard nodig de boel overeind te helpen, want 97 miljoen mensen leven er in absolute armoede.”

Niettemin roemt Patten in zijn boek de stadstaat Singapore, die het economische succes grotendeels te danken heeft aan een ijzeren discipline en vergaande overheidsinmenging. Patten schrijft dat Singapore zo stabiel kan zijn doordat het een regering heeft die lange tijd de touwtjes in handen houdt en zich niet door verkiezingen laat verstoren. “Dat betekent niet dat ik voor een dictatuur pleit”, zegt hij vergoelijkend. “Het succes van Singapore geeft geen enkel land een vrijbrief om het op dezelfde manier te gaan doen. Singapore is bovendien het minst Aziatisch van alle Aziatische landen. De harde hand is daar succesvol gebleken. Maar ik denk dat het beeld ook daar gaat veranderen.”

Dat optimisme legt Patten in zijn boek voortdurend aan de dag. “Dat klopt. Ik ben optimistisch”, zegt hij. “Ik weet dat het economisch herstel van Azië niet snel zal gaan en dat het tempo per land zal verschillen. Maar ik denk dat het een onomkeerbaar proces is. Juist door de crisis zijn de Aziatische tijgers van weleer gedwongen zich te hervormen, meer democratie door te voeren en hun economische stelsel transparanter te maken. Het zijn processen die westerse landen ook hebben doorgemaakt, alleen hebben zij daar een eeuw over gedaan.”

Voor de overdracht van Hongkong werd daar lang niet zo vrolijk over gedacht. Er deden de meest sinistere toekomstverwachtingen de ronde. Het Chinese leger zou er door de straten marcheren en Peking zou er een middeleeuwse tucht invoeren. Het is allemaal niet uitgekomen. Patten is daarover niet verbaasd. “Chinezen hebben altijd oog gehad voor het eigenbelang. En China heeft alleen iets aan Hongkong als de stad een succes is. Het is en blijft een bastion van de markteconomie. Dat houdt in dat je er niet zoveel aan moet veranderen. Bovendien hebben de inwoners van Hongkong laten zien dat zij erg hechten aan hun vrijheden en dat zij die niet zomaar willen opgeven.”

“Wat de huidige autoriteiten van Hongkong betreft: ik wil niet te veel over mijn opvolgers praten. Maar ze hebben er goed aan gedaan de munt aan de dollar gekoppeld te houden, ondanks de grote druk van buitenaf. Daarnaast hebben zij ook ingegrepen op de beurs door zelf aandelenpakketten op te kopen en die actie strookt niet bepaald met de beginselen van een open economie. Maar er is geen sprake van een nieuwe koers, ze zullen er snel weer uitstappen.”

De Britse krant de Financial Times noemde hem na zijn terugkeer uit Hongkong 'een man die een grote toekomst achter zich heeft'. Wat kan er immers nog volgen voor een man van 54 die niet tot het kamp van de succesvolle Tony Blair behoort? Dat zou kunnen meevallen. Blair achtte Patten hoog genoeg om een belangrijke missie te leiden die de hervorming van de politie in Noord-Ierland controleert. Die taak is volgend jaar zomer afgelopen.

Daarnaast duikt zijn naam op in de strijd om het burgemeesterschap van Londen. “Ach”, wuift hij alle suggesties weg. “Ik ontken niets en ik bevestig niets. Het is allemaal interessant om te horen. Sinds ik ben teruggekeerd uit Hongkong heb ik in mijn huis in Zuid-Frankrijk dit boek geschreven en ik heb voor de BBC drie televisieprogramma's over Azië gemaakt. Ik ga nog twee programma's maken over de relatie tussen eten en cultuur, dat heb ik altijd een fascinerend onderwerp gevonden. Die klus in Noord-Ierland duurt nog bijna een jaar, dus ik kan nog wel even vooruit.”

“Waar ik echt naar uitkijk is mijn bezoek aan Hongkong, volgende maand. Het is voor het eerst sinds juli vorig jaar dat ik er weer terugkom. Hoe ze me zullen ontvangen? Ik denk goed, gezien de positieve reacties die ik kreeg op mijn boek. Mijn kritiek op de Chinese autoriteiten is daar wel goed gevallen.”

Het boek is al aan zijn tweede druk toe in Taiwan. Het Chinese vasteland moet het vooralsnog doen met illegale kopieën. Niet dat de Chinese autoriteiten Patten na lezing ervan met andere ogen zullen bekijken. Toen hij in functie was, waren 'slang', 'misdadiger' en 'hoer van Europa' nog de mildste benamingen die zij voor de gouverneur in petto hadden. Patten's reactie daarop staat in het boek, als hij uit Gesprekken met Confucius citeert:

De meester zei: 'Alle mensen begeren rijkdom en status, maar als iemand die alleen kan verkrijgen door tegen zijn principes in te gaan, behoort hij van dat streven af te zien'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden