De Gouden Eeuw trekt uitgestreken gezicht in de portrettengalerij beeldende kunst

'Gezichten van de Gouden Eeuw. Kunsthal', t/m 22 jan. in de Kunsthal in Rotterdam, geopend di t/m za 10-17, zo- en feestd. 11-17 t/m 22 jan. Japanse catalogus met Engels supplement ¿ 89,50.

Als het om portretten gaat, kijken we gewoonlijk wel eerst naar mensen en dan pas naar schilderkunst, maar we kijken anders dan de patriciërs en predikanten van weleer. Constantijn Huygens dacht dat wij dank zij portrettisten 'in zekere zin niet sterven en nog als nakomelingen met onze verste voorvaderen vertrouwelijk kunnen spreken'. Dat is voor deze tijd echter een illusie gebleken.

De zeventiende-eeuwers spraken een andere taal. Hun portretten waren bestemd voor een publiek dat niet veel groter was dan de kring van familie en kennissen en voor mensen die hun klassieken en de Bijbel kenden.

In de zeventiende eeuw had het portret als kunstwerk veel minder aanzien dan het historiestuk. Men verkleedde zich dan ook wel eens als een historische, vooral bijbelse figuur zoals het echtpaar Scharlaken op een in de Kunsthal aanwezig schilderij van Ferdinand Bol - met een rembrandtiek fantasielandschap op de achtergrond. Jacob Backer poseerde voor zijn zelfportret als een herder, zoals die in de literatuur werd geïdealiseerd. Voor de schilder en theoreticus Karel van Mander was het portret maar een zijpad van de ware kunst.

Op dat zijpad ontmoet men in de Kunsthal wel enkele lieden van adel, maar men treft er meer gegoede burgers aan. In de welvarende zeven provinciën gaven steeds meer rijk geworden kooplieden opdrachten - tot ergernis van Gerard de Lairesse die in zijn Groot Schilderboek deze 'hovaardy' gispte. Zij matigden zich bovendien in effigie adellijke privileges aan.

Geklad

Poserend voor een fictief kasteel, deden zij het voorkomen alsof ze heerlijke jachtrechten hadden. De kunstvijandige predikant en rijmelaar Dirck Rafael Camphuysen vond het maar 'wancieraads geklad: Dees verw', dit leefloos ding daar niets dan schim is an.'

Maar voor sommige schilders was het portret een belangrijke of zelfs de enige bron van inkomsten. Van Mierevelt vervaardigde ze vlot, met helpers. Men hoefde bij hem maar twee keer model te zitten. Nicolaes Maes maakte de dames zo mooi als ze maar wilden. En Nederlands beroemdste schilderij, Rembrandts 'Nachtwacht', is ook 'maar' een groepsportret.

In de Kunsthal hangt een schilderij van Hendrick van der Burgh dat eveneens een aantredend korporaalschap voorstelt, bij de Leidse Doelenpoort, in nuchter daglicht en met wat publiek. Het verschil met de 'Nachtwacht' is fenomenaal.

Er zijn portretten bij die een schrijnende aanleiding hadden. De bejaarde Anthonie Charles de Liedekercke bijvoorbeeld gaf zijn vrouw, tegen de gewoonte in, de ereplaats aan zijn rechterzijde toen hij zich door Terborch liet portretteren samen met hun zoon aan zijn linkerzijde. De jongen, een student in de rechten, was in werkelijkheid kort tevoren overleden. Het schilderij was dus wat men noemde een 'broose gedagtenisse'. Van de vijftien kinderen op het gezinsportret van de Haagse jurist Willem van den Kerckhoven zweven er vijf, als cherubijntjes, in de lucht: ze waren al overleden.

Sommige figuren hebben op hun portret zo'n sterke aanwezigheid dat het is, alsof we hun stem zouden kunnen horen. Maar - anders dan Huygens destijds dacht - valt er over hun karakter weinig af te leiden. De gezichten zijn evenzeer in de plooi als de kleding. De Fries Wybrand de Geest gaf zijn kokette dochter de zweem van een glimlach, maar echt lachen paste niet in het morele decorum. Niets in het schilderij van Moeyaert, dat Leonardus Marius als een geleerde voorstelt, doet vermoeden dat deze roomse priester de reputatie had van een zuiplap die achter de begijntjes aan zat.

Moraal en mode

In later jaren zijn veel portretten van eens zo gewichtige lieden naamloos in de kunsthandel gekomen. Ze brachten doorgaans minder op dan landschappen of stillevens, tenzij de schilder befaamd was, zoals Frans Hals. Het is onvermijdelijk dat wij ze nu vooral bekijken als documenten die aanwijzingen geven over de moraal en de mode van hun tijd. Over de min of meer verhulde betekenissen van gebaren en voorwerpen hebben studies van prof. E. de Jongh al veel opnieuw aan het licht gebracht.

De Jongh heeft de collectie die nu in de Kunsthal hangt goeddeels samengesteld uit werken van de Rijksdienst Beeldende Kunst die gewoonlijk in ambassades en consulaten hangen. In de Kunsthal zijn er geëtste zelfportretjes van Rembrandt aan toegevoegd uit de jaren 1628 tot 1651. In de weekeinden worden van gekopieerde platen drukken gemaakt die voor 45 gulden per stuk te koop zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden