De God van Nederland valt niet. Hij zit, met een rapport in de eersteklas- coupé naar Delft.

Volgens de schrijver Nescio weet de duivel duivels goed wie de God van Nederland is. Hij is „de God van al die menschen, die zullen zeggen: ’Dat had ik van jou niet gedacht’, als je eens echt probeert te leven; ’de God, die niet hebben kan, dat je ’s Zaterdagsmiddags vrij bent’; de God van de boekhouder ’die vindt, dat je teveel naar de lucht kijkt’; de God ’van Surhuisterveen en Spekholzerheide, donateur van de Vereeniging tot opheffing van gevallen vrouwen’.”

De God van Nederland is tegen vallen. Daarom valt hij tegen. Want het dichtertje van Nescio heeft slechts één vurige wens: „Een groot dichter te zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan loo-pen de mooiste meisjes altijd aan de overkant van de gracht.”

De duivel is de leugenaar van den beginne. Want God is juist de grote valspecialist. Valt hij niet als een Woord in de mond van de profeten van Israël, en als een slaaf op zijn knieën om vissersvoeten te wassen? Omdat hij de Verhevene is, de Allerhoogste, weet hij als geen ander wat vallen is.

Maar voor Nederlanders in hun vlakke landje, waarin een stoeprand al een adembenemende hoogte is, is vallen zo’n onbekend en griezelig fenomeen dat ze denken dat het wel iets diabolisch moet wezen. In elk geval is het niet goddelijk. De God van Nederland valt niet. Hij loopt. Hij loopt met ’z’n wandelstok met zilveren greep’ over het Damrak, zegt Nescio. Zijn gezicht, ingeklemd tussen ’grauwige bakkebaarden,’ fronst naar onfatsoenlijke dichters. De God van Nederland is een onwankelbare vertegenwoordiger in normen en waarden, met een deukhoed op en een burgermansjas aan en schilfertjes op zijn kraag.

„Een groot dichter zijn en vallen.” Groot is een mens als hij of zij eens uit de overzichtelijke helderheid van zijn bestaan valt, als hij kan knielen voor wat groter is dan hemzelf, als hij zijn oordeel over zichzelf en anderen eens loslaat, als hij zijn leven kan ontvangen zoals een vrouw een kind ontvangt: „en het heilige dat in jou verwekt wordt, zal kind van God genoemd worden.”

Het leven vind je toch pas als je het prijsgeeft: liefde vraagt overgave; creativiteit lef om buiten de veilige kaders te stappen; genieten dat je jezelf vergeet. Dat is leven als God in – nee, niet in Nederland.

De God van Nederland valt niet. Hij zit. Hij zit met een rapport in zijn hand en een stapel dossiers naast zich in de eersteklascoupé van de trein naar Delft.

Wat staat er in dat rapport? Vermoedelijk een decreet dat het gehele Nederlandse rijk zich in moet laten schrijven, ieder in zijn stad, in het on-gevallenregister. Zwart op wit moet elke Nederlander verklaren dat hij nooit is gevallen, momenteel niet vallende is, en zulks niet van plan is in de toekomst te gaan doen.

Maar elk mens wil toch léven. Elk mens wil groot zijn en vallen. Als dat niet mag, wordt elke keer wanneer je onherroepelijk toch een tuimeling maakt een uitglijder, een dreun, een zondeval. Nederlanders die zich nooit laten gaan, smijten in het voetbalstadion de stoelen naar beneden. Nederlanders die zichzelf als de ware kerk beschouwen, vallen uit de oecumene. Nederlanders met een rechte politieke rug, laten kabinetten struikelen. Want er moet gevallen worden, als het niet goedschiks kan dan kwaadschiks.

Als vallen verboden wordt, krijgt het iets demonisch. Kijk maar naar het dichtertje van Nescio:

„Altijd getrouwd is zoo erg lang. En een heel lief, jong, levendig en natuurlijk vrouwtje, dat veel van haar man houdt en zijn manuscripten in ’t net schrijft, maar tweeduizend nachten naast ’m heeft geslapen en weet datti niet tegen tocht kan en ‘s morgens niet uit zijn bed kan komen en niet van de jam af kan blijven, al is i een dichter, dat is nu echt iets voor den Duivel.”

Wanhopig wil het dichtertje vallen. Hij gaat dwalen in het Museumkwartier, verliefd op een gebontjaste gehuwde dame hoewel hij toch een ’welopgevoed mannetje’ was. Hij zit op een terras en verlangt dat de kleren van de vrouwen zullen vallen. Tot hij op een dag dan eindelijk valt – te pletter in de waanzin.

Ach Nederland, laat toch de kleren vallen waarmee u God hebt uitgedost! Weg met die wandelstok, bakkenbaarden en burgermansjas. Ruk het rapport uit zijn hand, sleur hem uit die eersteklas-coupé.

Maar schrik niet wanneer u zijn deukhoed afneemt. Ziet u die groeiende knobbels op zijn hoofd? En, kijk, zijn voeten: wat zijn die vreemd harig en benig en rond...

God zit niet in de trein naar Delft. God loopt niet over het Damrak. Wat doet hij dan?

Hij valt, als een ster in Bethlehem.

Om mensen groot te maken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden