DE GNOSIS VOLGENS PETER SLOTERDIJK

De belangstelling voor religieuze bewegingen is de laatste jaren toegenomen. Het gnosticisme is zo'n beweging. Het ziet het universum als een reusachtige gevangenis met de aarde als binnenste kerker. Cipiers voeren er een schrikbewind. Ontsnapping is slechts mogelijk door 'gnosis': kennis of inzicht. Wat is het gnosticisme? Als we alleen al naar West-Europa kijken, dan zien we vanaf de late middeleeuwen een bizarre stoet langstrekken, van Katharen, Spiritualen, Begarden, Turlupijnen, en Lollarden tot Rozenkruisers, Vrijmetselaars, Illuministen, Theosofen en Antroposofen. De Duitse filosoof Peter Sloterdijk verzorgde een bloemlezing over de gnosis van de oudheid tot nu. Peter Sloterdijk en Thomass H. Macho (red.): 'Weltrevolution der Seele. Ein Lese und Arbeitsbuch der Gnosis von der Spatantike bis zur Gegenwart.' Uitg. Artemis & Winkler, 2 banden, 1031 blz., f 102,20.

Het gnosticisme is rond het begin van onze jaartelling ontstaan en heeft in de loop van de eerste eeuwen als een brede religieuze beweging voet aan de grond gekregen in veel landen van het MiddenOosten. Voor onze kennis van deze periode waren we tot in de negentiende eeuw hoofdzakelijk aangewezen op het werk van kerkelijke auteurs, allen tegenstanders van het 'ketters' gedachtengoed der gnostici. Na de kerstening van Constantijn de Grote in de vierde eeuw kreeg het christendom voldoende politieke steun om de verspreiding van gnostische geschriften met succes te kunnen verbieden.

Pas in de loop van de laatste honderd jaar zijn enkele van deze geschriften weer tevoorschijn gekomen, bijna zonder uitzondering in Egypte, waar ze eeuwenlang onder het woestijnzand verborgen zijn geweest. Vooral de vondst van een complete verzameling evangelien en epistels in Nag Hammadi aan het einde van de Tweede Wereldoorlog heeft in wetenschappelijke kring en daarbuiten hernieuwde belangstelling gewekt voor de gnosis.

Anders dan de Grieken beschouwden de gnostici het universum niet als een manifestatie van het goddelijke, maar als het onvolkomen maaksel van demonische machten, de Archonten en hun opperhoofd, de Demiurg. Het universum werd voorgesteld als een reusachtige gevangenis, met de aarde als binnenste kerker en de hemelsferen als concentrisch elkaar omsluitende muren, waar de Archonten als cipiers een heus schrikbewind uitoefenden. Bevrijding uit deze situatie is slechts mogelijk via 'gnosis', hetgeen letterlijk 'kennis' of 'inzicht' betekent. Deze kennis is kennis van god, een volstrekt buitenwereldlijk en a-kosmisch wezen: dat wil zeggen een wezen dat zich bevindt aan gene zijde van de wereld, waarmee het geen contact onderhoudt en waarvoor het ook geen verantwoordelijkheid draagt.

Kennis van god is volgens de gnostici zelfkennis, zijn openbaring zelfopenbaring. De gnostici waren er namelijk van overtuigd dat het innerlijk van de mens van goddelijke herkomst is. Deze goddelijke kern duidden zij over het algemeen aan met de term 'pneuma'. Dit werd voorgesteld als een lichtdeeltje, dat zich heeft afgesplitst van het oorspronkelijke Eerste Licht en dat verdwaald is geraakt in de duistere kosmos, waar het door de Archonten gevangen wordt gehouden. Het pneumatische zelf mag niet verward worden met de 'psyche' van de mens. Net als het lichaam beschouwden de gnostici (ook wel 'pneumatici' genoemd) de psyche namelijk als een produkt van lagere machten. Deze hebben de goddelijke lichtdeeltjes of 'vonken' in een aards lichaam opgesloten en hebben dit lichaam vervolgens bepaalde begeerten en hartstochten ingeplant, ten einde de mens onwetend te houden.

De toestand waarin de mens als gevolg van dit kosmische drama verkeert wordt beschreven als een toestand van slaap, bedwelming, of vergetelheid. De mens ontwaakt uit deze toestand wanneer de 'roep van buiten', die afkomstig is van het ene Licht, door het lawaai van de wereld heenbreekt en gehoor vindt.

Vanaf dat moment ervaart de mens in alle hevigheid zijn verlatenheid en wordt hij overmand door verlangen naar het Licht der Lichten. Ten diepste verwant aan God is hij voortaan een vreemde in deze wereld. In de roep valt degeen die roept en verlossing brengt uiteindelijk samen met degeen die aangeroepen wordt; hij wordt daarom ook wel de 'verloste Verlosser' genoemd.

De opkomst van het christendom als een geestelijke en wereldlijke macht betekende voor het gnosticisme een enorme uitdaging, die het probeerde te beantwoorden via een herinterpretatie van het Oude en Nieuwe Testament. Zo draaiden de gnostici de rollen van de scheppergod Jahweh en de slang - 'de sluwste aller dieren' - volledig om. Jahweh en zijn engelenschaar beschouwden zij als boze machten die het mensengeslacht gevangen hielden. De slang daarentegen werd opgevat als belichaming van het pneumatische principe, als afgezant uit het lichtrijk en als voorbode van Christus. Ook de rollen van Kan en Abel werden door de gnostici verwisseld. De figuur van Kan, het prototype van de verworpene, door God veroordeeld 'een zwerver en een vluchteling op aarde te zijn', werd verheven tot een pneumatisch symbool van de hoogste orde. Hij staat aan het begin van een lange reeks verschoppelingen, antihelden die door de gnostici geprezen werden omdat ze gods wet met voeten traden. Van de slang loopt er via Kan, Korah, Dathan, Abiram, Esau een rechte lijn naar Christus, de 'verloste verlosser'.

Deze voorbeelden maken duidelijk dat de gnostici een creatieve omgang met teksten en tradities beschouwden als het voornaamste kenmerk van iemand die spiritueel tot leven was gekomen. In hun gemeenschappen werd van ieder lid verwacht dat hij in staat was om - via herziening van de mondelinge en schriftelijke overlevering - op persoonlijke wijze gestalte te geven aan zijn innerlijke ervaringen. Wie geen eigen verhaal kon vertellen, bewees daarmee dat zijn voorgangers meer levend waren dan hijzelf.

Bisschop Irenaeus, die de gnostici fel veroordeelde, verweet hen dan ook er 'trots op te zijn de bedenkers en uitvinders te zijn van fictieve verhaaltjes', en hij beschuldigde hen ervan slechts mythologische poezie voortgebracht te hebben.

Het gnosticisme ontleende niet alleen ideeen aan de christelijke gedachtenwereld, zoals men lange tijd op grond van de polemische geschriften der kerkvaders veronderstelde, maar liet zich eveneens inspireren door oosterse mysterieculten als die van Isis, Mithras en Attit, door de leer van Zarathoestra uit Perzie, door de Babylonische astrologie, de Egyptische alchemie en door het van oorsprong Griekse neo-pythagorisme en neo-platonisme. Naast de christelijke variant van de gnosis bestaat er ook een joodse en een islamitische variant.

Het is dan ook misleidend om over 'de' gnosis te spreken. Wat verrast is juist de verscheidenheid van stromingen met vaak sterk uiteenlopende overtuigingen. Aan de ene kant zijn er dualistische stelsels, waarin wordt uitgegaan van een scherpe scheiding tussen goed en kwaad; aan de andere kant overheersen monistische systemen, waarin goed en kwaad in zekere zin beschouwd worden als twee kanten van eenzelfde medaille. Nu eens wordt een streng ascetisme aanbevolen, dan weer is libertinisme de regel. Bewust esoterische bewegingen bestaan naast geloofsgemeenschappen die een brede volkskerk nastreven.

Het beeld dat zich opdringt is dat van een bonte lappendeken met uiterst rafelige randen. Wat men nog tot de gnosis wil rekenen en wat niet is tot op grote hoogte willekeurig. 'Ketters' lijkt de enige gemeenschappelijke noemer, maar ook dit predikaat dient met de nodige voorzichtigheid gehanteerd te worden. Het beeld van een immer uitdijende lappendeken wordt nog versterkt wanneer we de blik op West-Europa richten. Hier zien we vanaf de late middeleeuwen een bizarre stoet langstrekken, van Katharen, Spiritualen, Begarden, Turlupijnen, en Lollarden tot Rozenkruisers, Vrijmetselaars, Illuministen, Theosofen en Antroposofen.

In het traject dat de gnosis door de Europese cultuurgeschiedenis van de late Middeleeuwen tot heden heeft afgelegd kunnen grofweg drie staties worden onderscheiden. In de Renaissance staat de natuurfilosofische invalshoek centraal, waarbij gnostische schema's vooral dienen ter verklaring van het ontstaan en de opbouw van de kosmos.

In de Verlichting overheerst het geschiedfilosofisch perspectief en verschijnt de gnosis primair als het prisma waardoor men het historisch drama van de mensheid beschouwt.

Sinds de tweede helft van de vorige eeuw treedt de gnosis-receptie weer een nieuw stadium binnen. De gnosis wordt nu betrokken op de processen van individualisering en zelftransformatie. In deze 'existentiele' fase vindt de gnosis-receptie vooral plaats in twee contexten: de context van de avantgardistische kunst en die van de psychotherapie. De laatste context vormt ook het middelpunt van de tweedelige bloemlezing - met teksten over de gnosis van de late oudheid tot heden - die de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, samen met Thomas H. Macho, uitgaf. In een inleidend essay zet de auteur van het boek over de 'Kritiek van de cynische rede' zijn visie op de gnosis met veel verve uiteen.

In dit essay onderstreept Sloterdijk het individualistische karakter van de gnosis. De teksten der gnostici vallen eerder onder het genre van de 'metaphysical fiction' dan onder dat van een op reproduktie gerichte dogmatiek. Met 'polymythische brutaliteit' verzinnen de ketters zelf waarin ze willen 'geloven'. Ze prediken niet een bepaald leerstelsel of een bepaalde levensstijl. De wereld van de gnosis, stelt Sloterdijk, is geen universum maar een 'multiversum'.

Overeenkomstig dit inzicht heeft hij in de bloemlezing, die hij samen met Thomas H. Macho samenstelde, teksten van de meest uiteenlopende auteurs direct naast elkaar laten afdrukken. Mystici en theologen staan hierin zij aan zij met filosofen, wetenschappers, kunstenaars en therapeuten.

Sloterdijk is ervan overtuigd dat al deze auteurs in een grote samenhang geplaatst kunnen worden; hij spreekt in dit verband van een 'specifieke psychohistorische visie'. Gegeven deze visie beschouwt Sloterdijk de vondst van Nag Hammadi als een onbelangrijk incident. De ware betekenis van de gnosis kan volgens hem niet uit het woestijnzand opgegraven worden, maar komt slechts aan het licht in radicale meditaties over onze ziel en ons zelfbewustzijn: Nag Hammadi ligt in onszelf. Sloterdijk gebruikt gnostische schema's uitsluitend ter verheldering van psychologische processen en hij verzet zich tegen de projectie van dergelijke schema's op de kosmos of op de wereldgeschiedenis.

De weg die het zelf moet afleggen bestaat volgens Sloterdijk uit een heenweg naar de wereld en een terugweg uit de wereld. De heenweg staat in het teken van het verval. 'Die Welt ist alles, was im Fall ist', stelt Sloterdijk met een knipoog naar Wittgenstein, wiens 'Tractatus logico-philosophicus' uit 1921 met de volgende stelling opende: 'Die Welt ist alles, was der Fall ist'. Op zijn weg naar de wereld valt de mens ten prooi aan zelfvergetelheid en wordt het pneuma ondergeschikt gemaakt aan de psyche.

De terugweg staat in het teken van de verlossing en kan alleen maar worden afgelegd zodra en zolang het pneuma zichzelf in gedachtenis brengt. 'Wo Psyche war, soll Pneuma werden', schrijft Sloterdijk ook nu weer met een knipoog, dit keer aan het adres van Freud, die het doel van de psychoanalyse ooit op de volgende formule bracht: 'Wo Es war, soll Ich werden'.

Net als Freuds psychoanalyse beoogt Sloterdijks 'pneumatherapie' de mens door herinnering en 'herhaling' van de last van het verleden te bevrijden. Bij Freud gaat het daarbij om concrete biografische ervaringen en historische lotgevallen, terwijl het bij Sloterdijk letterlijk om 'niets' draait. Het pneuma kan evenmin als de buitenwereldlijke god waar het van afstamt langs positieve weg gekarakteriseerd worden. De basis voor zijn pneumatherapie wordt dan ook (naar analogie van de negatieve theologie) gevormd door een 'negatieve psychologie', waarin het niets centraal staat. 'De gnostische therapie', stelt Sloterdijk, 'heelt door de integriteit van het niets'.

Op de vraag hoe dat in zijn werk gaat kan men het antwoord bij zijn leermeester Martin Heidegger vinden. 'Das Nichts nichtet', schreef deze tot hilariteit van menig vakgenoot en Sloterdijk zegt het hem met droge ogen na. De pneumatherapie voert het subject volgens Sloterdijk terug in een voor-psychische en dus voor-geboortelijke toestand waarin de tendensen tot zelfvernietiging teniet gedaan worden.

Door gehoor te geven aan de 'onuitgesproken' boodschappen van de 'wereldloze' bronnen van het zelf voltrekt zich de wending ten goede 'vanzelf'. Wanneer deze ommekeer slaagt kan de mens zich met een zekere 'gelatenheid', zonder ressentiment in de wereld bewegen. Hij kijkt dan, aldus Sloterdijk, met een zekere dankbaarheid terug op de tijd van verval en proeft de zoete smaak van de overwonnen dwaling.

Sloterdijk erkent volmondig de rijk geschakeerde pluriformiteit van gnostische verhalen, maar tegelijk dwingt hij de gnosis op het procrustesbed dat door Heidegger werd opgemaakt. Dat leidt tot een merkwaardige tegenstrijdigheid: enerzijds beschouwt hij de gnosis als uitdrukking van een metafysische revolte, als de 'oergeschiedenis van alle dissidentie', terwijl hij anderzijds een houding van gelatenheid en 'horigheid' aanbeveelt die met deze rebelse houding op gespannen voet staat. Deze kritiek doet niets af aan het belang van zijn bloemlezing, die de invloed van de gnosis op onze cultuur veelkleurig belicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden