De glorie van een paar mespuntjes verf

Goed, u staat voor De Nachtwacht. Hij ziet er eigenlijk, eerlijk gezegd, een beetje vreemd uit, zo... zo... nieuw. Maar dat komt misschien door de entourage. Alles om hem heen is nieuw. Ruikt nieuw.

Het was persdag gisteren in het Rijksmuseum. Zeshonderd aanmeldingen, de helft uit het buitenland. Vóór mij bij de balie registreerde zich de cultuurcorrespondent van de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

"Waar moet ik beginnen?", vroeg de cultuurcorrespondent. Het meisje achter de balie dacht even na en antwoordde: "Misschien bij de Eregalerij, het sanctum sanctorum".

"Sanctá sanctorum", corrigeerde de cultuurcorrespondent.

Ja, ik was nog niet binnen of het ging er Latijns aan toe, passend bij de gewijde omgeving en de wederopstanding van het 'katholicisme' van Pierre Cuypers.

Zo nieuw oogde alles, zo fris, al had men bij de historische reconstructie van de negentiende-eeuwse decoraties de grootst mogelijke terughoudendheid betracht.

Nieuw, maar dan met patina.

Niettemin onderga je bij het betreden van de Voorhal en de Eregalerij het kathedrale gevoel dat Cuypers voor ogen moet hebben gestaan, met aan het eind van de brede middenbeuk met zijkapellen dat koor met De Nachtwacht, door directeur Pijbes niet voor niets het altaarstuk van de collectie genoemd.

Wat een weelde, dit museum.

Ik sloeg bij De Nachtwacht linksaf, doorliep een stuk van de zeventiende eeuw, in geschiedenis en kunst, en belandde in zaal 2.6, waar men genre-schilderkunst had opgehangen. Ik had op die wandeling in olieverf inmiddels de Beeldenstorm beleefd, de Spaanse vloot bij Gibraltar ten onder zien gaan en de stok van raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt bezichtigd, alsmede het zwaard waarmee hij zou zijn geëxecuteerd.

Achtduizend objecten, in tachtig zalen, uit acht eeuwen. Het tolde me als ik aan dit Klein Verslag dacht.

'Waar moet ik beginnen' werd de cruciale vraag van alle cultuurcorrespondenten.

Maak het klein, dacht ik.

Aan de wand in zaal 2.6 hing een stil landschap. Een riviergezicht bij maanlicht. Het was rond 1645 geschilderd door Aert van der Neer. Een visser stond in zijn bootje. Op de oever zwaaide een man met een stok naar een keffende hond. Het maanlicht spiegelde in het rivierwater, en het weerkaatste tegen enkele vensters van de huizen, op het verenkleed van een eend en op de witte kraag van een koetsier.

Mespuntjes witte verf.

Meer niet.

Eigenlijk is dit weergaloze, monumentale museum, met een looproute van anderhalve kilometer, van een ongelooflijke intimiteit. Het zachte grijs van de wanden, de warme belichting, de verfijnde vitrines van ontspiegeld glas - de kunst fonkelt je tegemoet. Als nieuw.

De restauratie duurde langer dan de bouw. Buiten zag ik hoveniers in de weer tussen de buxushagen.

Voor al diegenen die de vluchtigheid beklagen, de crisis en de leegte, ga naar het Rijks en bedenk in wat voor superieure tijd we leven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden