De gevangenistheologen van het terrorisme

'Nummer 2 strijdt voor een islamitische staat met een kalief (een grote chef voor alle islamitische landen). Hij legt me uit dat de democratie zoals wij die kennen geen goede keuze is. Hij onderhoudt me ook over het joodse complot. Hij is hartgrondig anti-Frans omdat die regering de Algerijnse machthebbers steunt in de strijd tegen zijn broeders.'

Aan het woord is een anonieme gedetineerde in een Franse gevangenis, die onlangs in Le Monde verslag deed van zijn vele ervaringen met moslimgedetineerden die hun medegevangenen proberen te bekeren tot de radicale islam. Zijn verhaal doet denken aan dat van bomschoenterrorist Richard Reid, die op 22 december werd gepakt bij een poging een vliegtuig van American Airlines op de vlucht van Frankrijk naar Amerika op te blazen. Reid werd in de Engelse jeugdgevangenis van Feltham bekeerd tot de islam door de rondreizende imam Abdoel Ghani Qureshi, die in 1996 wegens onbetamelijk gedrag werd ontslagen. Qureshi's zoon nam het werk van zijn vader over maar werd kortgeleden geschorst, omdat hij zich na 11 september fanatiek anti-Amerikaans had uitgelaten. Twee andere gevangenisimams werden om dezelfde reden geschorst. Niet bekend is of in Nederlandse gevangenissen ook radicaal-islamitische bekeringsijver bestaat. Omdat de Nederlandse islamitische gemeenschappen geen zendende instantie kennen, wat bij de katholieken, protestanten, joden en humanisten wel het geval is, worden islamitische geestelijke verzorgers naar eigen voorkeur door de gevangenisdirecteur aangenomen en ontslagen. Elke moslim die het gebed kan zeggen, kan optreden als gevangenisimam. Tijdens de gesprekken tussen geestelijke verzorgers en gedetineerden zijn geen derden aanwezig, ook geen bewakers.

Ik zit in de gevangenis sinds eind 1996 voor een gewoon misdrijf. Vanaf het begin van mijn opsluiting heb ik beseft dat het probleem van bekeringsijver [proselitisme, red.] binnen de gevangenis echt een rol speelt in het dagelijkse leven. Daarom wil ik over dit onderwerp schrijven. Voordat ik begin, zal ik mij voorstellen: ik ben drieëndertig jaar, Fransman van Algerijnse origine, ik leef samen met een rasechte Franse, we hebben twee kinderen. Ik ben gelovig maar ik aanvaard geen enkele profeet, al respecteer ik eenieder die dat wel doet. Ik eet regelmatig varkensvlees, ook hier in de gevangenis. Omdat ik groot ben, met brede schouders, zal niemand mij dat verbieden, zoals ik regelmatig heb zien gebeuren in de jaren die ik in het gevangenismilieu doorbracht. Het favoriete doelwit van de pasbekeerden, waarvan er enige honderden in de Franse gevangenissen zitten, zijn de gevangenen die er fysiek en psychisch niet zo best aan toe zijn.

De eerste keer dat ik in de gevangenis zat, in 1984, ik was toen twintig, waren dat soort proselitische toestanden er nog niet. Die propaganda, die boekjes, die redevoeringen, al die fanatiekeningen op de luchtplaats die er tegenwoordig zijn. In 1992 waren er de eerste pro-islamisten, maar nog geen proselitisme in de ware zin van het woord. In 1993, na een overplaatsing om het einde van mijn straf uit te zitten, zag ik voor het eerst extremisten die hun tijd doorbrachten met het trachten te bekeren van zoveel mogelijk medegevangenen, met het bedrijven van proselitisme tot het uiterste.

Na enige maanden in de gevangenis heb ik toen kennisgemaakt met het eerste 'geval', ik zal hem Y noemen. Hij had een baard en droeg een sjéchia (een klein kalotje), en hij hield altijd een Koran in zijn handen. In ieder gesprek refereerde hij aan zijn religie, die hij interpreteerde zoals het hem goeddunkte. Hij was dertig jaar, sprak vloeiend Frans, en hij zat voor heling. Het tweede 'geval', ik noem hem Z, was vijftig jaar, een zeer sterke persoonlijkheid. Hij was veroordeeld wegens heroïne. Kort tevoren was hij overgeplaatst uit een andere gevangenis, waar de directie hem verweet dat hij zijn medegevangenen wilde bekeren. En vooral dat hij de woordvoerder, in feite de leider was van een groep gevangenen die allerlei eisen had, waaronder een gebedszaal met een imam.

Die twee hadden elkaar al snel gevonden, en het sportterrein werd meteen hun favoriete plek want daar wemelde het van de potentiële slachtoffers. Het sportterrein is de enige plek waar alle gevangenen uit de verschillende gebouwen elkaar tegen kunnen komen zonder dat de bewakers hen op de huid zitten. Y en Z hadden adepten binnen de gevangenis. Ze hadden een sterke greep op sommige gevangenen en hadden enkele bekeringen bewerkstelligd, zelfs van twee geboren en getogen Fransen, die nu oosterse voornamen hadden aangenomen. En dat na een paar maanden.

Y en Z slaagden erin tachtig gevangenen te laten bijdragen aan een geldinzameling om tapijten, Korans en andere spullen voor een gebedsruimte te kunnen kopen. Tachtig. Op een totaal van vierhonderd gevangen is dat 20 procent. Een rilling van paniek ging door de burelen van de directie. Na een paar dagen besloten ze Y over te plaatsen, nadat hij enige dagen in isolatie had doorgebracht. Wat Z betreft, die werd voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Eind 1996 kwam ik opnieuw in de gevangenis terecht. Toen ik op de luchtplaats kwam, zag ik twee oude makkers die ik goed ken, onder wie S, die me vertelde over de andere gevangenen. Voor je eigen veiligheid is het erg belangrijk om te weten wie hier zit, en waarvoor. Het viel mij op dat er meerdere mannen met baarden gevangen zaten wegens zaken die te maken hadden met hun kwaadaardige geloof, dat zij wilden uitdragen.

Al snel maakte ik kennis met Nummer 1, die op cel zit met mijn makker S. Nummer 1 is veroordeeld tot achttien jaar wegens moord met voorbedachte rade. Hij is Fransman van Algerijnse origine, dertig jaar oud, en sinds vijf jaar in de gevangenis. Hij is in de gevangenis tot het geloof gekomen en doet sinds twee jaar zijn gebeden. Buiten was ook hij een ongelovige. Hij legt me uit dat tijdens zijn opsluiting zijn broeders (zo noemen ze elkaar) zich voor hem zijn gaan interesseren, en erin geslaagd zijn hem te doen beseffen dat er een andere manier van leven is. Dat wij, de kinderen van de immigranten, geen enkele identiteit meer hebben, dat we door de westerse landen gemanipuleerd worden, en zij op hun beurt weer door de joden. Sinds hij in de gevangenis zit, is hij antisemiet geworden. Hij heeft me verteld dat hij voordien wel joodse vrienden had.

Op een dag, na vele vele discussies over diverse onderwerpen waarover we het nooit eens werden, zegt Nummer 1 tegen me dat ik niet meer een korte broek moet aantrekken om te gaan hardlopen. Het is zo dat van de zeven gevangenen die aan hardlopen doen, S en ik op dat moment de enigen zijn die daarbij een korte broek aantrekken. Hij zegt me dat het des noods is toegestaan, maar dan een broek die over de knieën valt. Want iets anders verbiedt de Koran, en het getuigt ook van een gebrek aan respect voor de praktizerende gelovigen.

Onder degenen die het hardst werken om zoveel mogelijk gevangenen radicaal te bekeren, is ook de man die ik Nummer 2 zal noemen, en met wie ik regelmatig praat. Van meet af aan heeft hij tegen mij gezegd: Jij bent onze broeder, zie hoe Frankrijk je heeft opgesloten, daarom moet je meegaan in onze strijd. Nummer 2 strijdt voor een islamitische staat met een kalifaat (een grote chef voor alle islamitische landen), een soort geestelijk leidsman zoals, onzaliger nagedachtenis, ene ayatollah Khomeini was. Hij legt me uit dat de democratie zoals wij die kennen geen goede keuze is. Hij onderhoudt me ook over het joodse complot. Hij is hartgrondig anti-Frans omdat die regering de Algerijnse machthebbers steunt in de strijd tegen zijn broeders.

Toen hij ontdekte dat ik geen Arabisch spreek, zei hij opgewonden: Dat is niet normaal. Het is niet jouw fout want je bent verfranst op school, door je vrienden, door de maatschappelijk werkers, etcetera. We moeten je bij de hand nemen en je lesgeven samen met je broeders hier.

Zoals ik al vertelde is hun favoriete doelwit de jongere van Noord-Afrikaanse afkomst, maar ze laten de zwarten en de Europeanen ook niet met rust. Vroeg of laat worden alle gevangenen geconfronteerd met hun praatjes. Ik heb hen meerdere keren opmerkingen zien maken tegen gevangenen die zich bij een bijnaam lieten noemen, zoals Momo voor Mohammed, Nono voor Nordine, Dédé voor Dérian. Ze legden uit dat die namen ons gegeven waren door westerlingen, om ons verder te verwijderen van onze herkomst, om ons nog een beetje verder te verfransen. Zij wilden liever dat we bijnamen kozen van dieren, zoals de leeuw, de valk of de vos. Een vergelijking waarin, dat moet gezegd, ik hen voor één keer gelijk geef.

Er zijn er duizenden die zich de wet laten voorschrijven door de 'ultras', en velen van hen zouden best een lekker stukje varkensvlees willen eten, maar de druk op hen is zo groot dat een meerderheid het niet durft. Ze vermijden liever de confrontatie met bepaalde lieden, de er niet voor terugdeinzen hun woorden kracht bij te zetten met hun handen. In de gevangenis is het nu eenmaal zo dat de gevangene het met zijn directe omgeving moet zien uit te houden, de bewakers zijn er maar op bepaalde ogenblikken.

Ook Nummer 3 heeft een zeer politiek verhaal. Hij verwijst naar de ellende van de Pales tijnen, de Irakezen en de Bosniërs om aan te tonen dat het allemaal de schuld is van de joden, die gefinancierd worden door het Westen, of andersom. Hij heeft het ook over de oorlog verklaren. Hij onderbouwt zijn verhaal met citaten uit de Koran, stuk voor stuk vertaald op zijn eigen manier, volgens zijn humeur van het moment. Al deze godsdienstwaanzinnigen die preken zoals hij, zijn niks anders dan de theologen van het terrorisme.

Ik zal eindelijk eens iets positiefs vertellen, namelijk dat een overgrote meerderheid van de bekeringen meer uit een behoefte aan rust voortkomen dan uit religieuze overtuiging. Zeker, sommigen hangen de extremist uit door de roepen: Leve het FIS, leve de GIA [Algerijnse moslimfundamentalistische partij en beweging, red.]. Ze beweren dat ze hun gebeden doen en solidair zijn met de terroristen, maar de meesten zijn gewoon hasjrokers. Uit gesprekken met meerdere van deze eendagsvliegen, is me gebleken dat ze geen gezeur aan hun hoofd willen, dat ze niet voor verraders willen doorgaan, en dat ze daarom doen alsof ze tot inkeer zijn gekomen.

In 1997 werd ik overgeplaatst om dichter bij mijn familie te kunnen zijn. De eerste keer dat ik een ommetje ging maken over het gevangenisterrein, herkende ik een gevangene, een Antilliaan. Ik riep hem bij zijn westerse naam, zoals ik hem kende. Hij vertelt me dat hij een oosterse naam heeft aangenomen na een volledige bekering. Hij was vroeger namelijk christen. Hij legt me uit dat hij begonnen is zich te interesseren voor het geloof in een andere gevangenis. Het waren medegevangenen die hem de ogen geopend hebben. Toen hij vrij was heeft hij zich zelfs laten besnijden. Ik heb hem gekend voordat de indoctrinators erin geslaagd zijn hem te overtuigen: hij rookte hasj op het sportterrein en hij was fan van Mike Tyson (die ook bekeerd is).

Op een dag toen ik samen met Nummer 4 gelucht werd, vroeg ik hem of zijn broeders accepteerden dat hij van origine Fransman was. Hij antwoordde: Alleen goddelozen praten over etniciteit. Wij, wij zijn allemaal moslims, wat onze nationaliteit ook is, wij strijden voor een moslimstaat met als enige wet de sjaria, en daar zullen we hoe dan ook in slagen. Ik vroeg hem of hij al aan de strijd had meegedaan. Hij legt me uit dat hij tijdens een stage in Afghanistan heeft meegedaan aan een aanval op een raketwerper, maar dat hij op dat moment alleen toeschouwer geweest is. Hij gaf me overtuigende details van de uiteindelijke aanval, die zich heeft afgespeeld op een vlakte in de buurt van Kaboel. Hij is daar ook getraind in het gebruik van wapens, explosieven en gevechtstechnieken. Er waren meerdere Fransen, maar ook Fransen van buitenlandse herkomst, en allerlei andere nationaliteiten.

Er zijn ook echte gematigden die zich niet voor anderen interesseren. Mijn buurman bijvoorbeeld, een man van veertig jaar. Ik heb hem zijn gebeden zien doen, maar hij praat daar nooit over. Hij heeft mij ook wel eens varkensvlees zien eten, zonder er ooit een opmerking over te maken. Hij is discreet, geheel het tegenovergestelde van degenen die ik veroordeel en die met hun houding, hun baard en hun gepreek de wandelgangen vullen met hun doctrine waarin het geweld wordt verheerlijkt in de strijd voor hun visie op het leven, die van een onmetelijke triestheid is.

Op de lijst van bekeerlingen staat ook een Kaapverdiaan die zit voor moord. Hij is zesentwintig. Vier weken heeft hij bij ons op de afdeling gezeten voordat hij naar een ander gebouw ging. Sinds vier jaar zit hij in de gevangenis, enkele weken geleden is hij bekeerd. Sindsdien heeft hij een oosterse voornaam. Iedereen heeft het erover, ook Nummer 4 en Nummer 5, die hem ten voorbeeld stellen aan de anderen. Het is een overwinning voor de zaak die zij voorstaan. Nummer 5 spreekt regelmatig met een gevangene uit een ander gebouw. Dertig jaar oud, honderd procent Fransman. Op een dag roept Nummer 5 me om me hem voor te stellen met een oosterse naam, en hij voegt eraan toe dat ook deze jonge broeder zich zojuist bekeerd heeft tot de islam. Nummer 5 is echt trots, hij heeft hier hard voor gewerkt. Hij zegt me ook: Kijk naar hem, hij is Fransman, en hij leert Arabisch, hij bidt, hij is een echte moslim geworden, en dat zou jij ook moeten doen in plaats van je Frans en je wiskundelessen te volgen.

Ik heb hem geantwoord: Insjallah (Als God het wil.)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden