De gevallen vriend van Parijs

Oktober 1997: de Franse president Chirac ontvangt zijn Tunesische collega Ben Ali met open armen. (FOTO REUTERS) Beeld
Oktober 1997: de Franse president Chirac ontvangt zijn Tunesische collega Ben Ali met open armen. (FOTO REUTERS)

Zine el-Abidine Ben Ali kon tot op de dag van zijn val rekenen op Frankrijk, dat Tunesië tussen 1881 en 1955 bestuurde. Werd voorheen vol enthousiasme de rode loper voor hem uitgerold, nu wordt hij nu steeds vaker gezien als de wrede tiran.

Wie Tunesië de afgelopen decennia bezocht, ook al was het maar voor een weekje Hammamet, kon het niet ontgaan. Overal grijnsde het portret van leider Zine el-Abidine Ben Ali je tegemoet en de kranten en de staats-tv openden elke dag met zijn grootste daden. Arm leken de bewoners niet, maar van de ’gunstige positie van de vrouw’ waar de reisgids het over had, was weinig te zien. Op de terrassen zaten, waar je ook kwam, uitsluitend mannen. Op de stranden waar de bevolking zelf kwam, was 90 procent van de vrouwen gehoofddoekt en ging de meerderheid in een jurk te water.

Toch was Tunesië – tot iets meer dan een week geleden – volgens tal van Franse politici, intellectuelen en journalisten een gunstige uitzondering in de regio, een baken van licht in een donkere Arabische wereld.

Veel van Ben Ali’s Franse fellow travellers zijn in Tunesië geboren, zoals bijvoorbeeld de socialistische burgemeester van Parijs, Bertrand Delanoë. Ze hebben er huizen in het mondaine Sidi Bou Saïd of de zuidelijke havenstad Bizerte. Ze prezen Ben Ali als een modernisator die het werk van zijn voorganger Habib Bourguiba had voortgezet. Ze wezen op zijn economische liberalisme, de aanwezigheid van een middenklasse, de economische groei die zonder olie werd gerealiseerd, de rechten van vrouwen (die juridisch gezien inderdaad beter af zijn) en het islamisme dat geen kans kreeg.

Tunesië een politiestaat? Nepverkiezingen? Ben Ali een dictator? Zwaar overdreven, zei de flamboyante minister van cultuur Frédéric Mitterrand een paar dagen voor de vlucht van de president. Bij de protesten waren toen al tientallen doden gevallen. Het prominente parlementslid Eric Raoult (van de centrumrechtse regeringspartij UMP) betreurde het dat ’al het goede’ van Ben Ali opeens was vergeten. „Iedereen ziet plotseling alleen nog maar corruptie en dictatuur. Maar hij was heus niet de ergste boef.”

Mitterrand, die de Tunesische nationaliteit cadeau kreeg en twee Tunesische kinderen adopteerde, heeft zijn excuses aangeboden. Hij heeft zich altijd ingespannen voor de oppositie, vertelde hij. Maar de beste manier om dat te doen was door juist geen openbare kritiek te leveren op Ben Ali. Delanoë beriep zich ook op oncontroleerbare wapenfeiten in de sfeer van de stille diplomatie.

Van Ben Ali-enthousiasteling Antoine Sfeir, als Midden-Oostendeskundige een vaste verschijning in tv-journaals, wordt nu weinig vernomen. In een speciaal Tunesië-nummer van zijn gezaghebbende tijdschrift Cahiers de l’Occident dat oktober 2009 verscheen, stak Sfeir nog de loftrompet over de gevallen leider. „Waarom stemmen de Tunesiërs op Ben Ali?”, vroeg hij aan de vooravond van presidentsverkiezingen die Ben Ali 89,62 procent van de stemmen opleverden. „Omdat Ben Ali geloofwaardig is. Hij kan bogen op een positieve balans op economisch, sociaal en politiek gebied.”

Over de eerste tekenen van sociale onrust die toen de kop opstaken zweeg Sfeir. In het mijnbouwgebied Gafsa, een van de streken die was overgeslagen door het veelgeprezen ’economisch mirakel’, brak in 2008 een opstand uit die maanden aanhield. Aanleiding was de manier waarop de CPG, het staatsbedrijf voor de fosfaatmijnen en de enige lokale werkgever, personeel wierf: de banen gingen naar familieleden en bekenden van de leiding.

Kort voor het Tunesië-nummer van Sfeirs tijdschrift publiceerden de journalisten Nicolas Beau en Cathérine Graciet een boek over het machtsmisbruik van de clans rond de president en zijn vrouw, de voormalige societykapster Leila Trabelsi. Beau en Graciet eindigden hun onderzoek met de vaststelling dat in Tunis de lucht van een fin de règne hing. Het laatste hoofdstuk van hun ’La régente de Carthage’ (De regentes van Carthago) kreeg een profetische titel: ’De wind draait voor Ben Ali’.

Aan het beleid van Frankrijk leek die observatie voorbij te gaan. Van grote invloed was hierbij, als we afgaan op WikiLeaks, de vorige Franse ambassadeur in Tunis, Serge Degaillax. Amerikaanse diplomaten noemden hem ’eerder Ben Ali’s ambassadeur voor Frankrijk dan andersom’. Een van de ambtsberichten citeerde een bron die beweerde dat Degaillax voor niets een huis bewoonde om de hoek bij Ben Ali zelf. „Tunesië is geen dictatuur en Ben Ali is zich niet bewust van de omvang van de corruptie in zijn land”, zo citeert de Amerikaanse ambassadeur collega Degaillax. Leden van de oppositie werden vrijwel nooit gesignaleerd in de Franse ambassade, wel in die van de Verenigde Staten.

Degaillax’ Amerikaanse collega maakte zich zorgen over de hardheid en de willekeur van het regime. Toenmalig minister van buitenlandse zaken Condoleezza Rice vroeg Ben Ali zelfs zich in 2009 niet voor een vijfde termijn verkiesbaar te stellen. Dit om de stabiliteit van het land voor de daaropvolgende jaren niet in gevaar te brengen. Egypte, een veel groter land, dat bovendien voor Washington van groot belang is met het oog op Israël, is voor de Amerikanen een ander hoofdstuk.

Frankrijk bleef Ben Ali juist steunen, met hetzelfde argument: stabiliteit. Het islamisme, dat hij met succes bestreed, woog het zwaarst voor Parijs, dat voor alles Algerijnse toestanden (het land was in de jaren negentig het toneel van een burgeroorlog) wilde voorkomen. Die houding culmineerde in een beschamend dieptepunt toen minister van buitenlandse zaken Michèle Alliot-Marie Ben Ali hulp aanbood bij het bedwingen van de opstand.

„Ben Ali bood inderdaad lange tijd bescherming tegen het islamisme”, zegt Pascal Boniface, analist bij het Institut de Relations Internationales et Stratégiques. „Maar de fout is geweest dat men niet in de gaten had dat dit niet meer het geval is. Corruptie op deze schaal, de politieke onbeweeglijkheid, de afwezigheid van elke vorm van vrije meningsuiting; dát zorgt voor een ideale voedingsbodem voor de politieke islam.” Frankrijk had zijn stem eerder moeten verheffen, vindt Boniface. „Parijs kan niet optreden als scheidsrechter, maar tussen neo-koloniale reflexen en stilzwijgen dat verdacht veel lijkt op instemming zit wel ruimte zou ik denken.”

Voor Frankrijk zal de schade waarschijnlijk meevallen, verwacht Boniface. In Tunesië wil niemand een breuk met het voormalige moederland. In Tunesië leven 22.000 Fransen, in Frankrijk 600.000 Tunesiërs. Veel Fransen zijn van Tunesische origine. De regering heeft beloofd dat het alles zal doen om te voorkomen dat de Ben Ali-Trabelsi-oligarchie nog Franse bezittingen kan verkopen of in veiligheid brengen.

Frankrijk is de eerste handelspartner van Tunesië en de vraag is of dit zo zal blijven. Werkgeversvereniging Medef zegt zich geen zorgen te maken. Het bedrijfsleven ziet ’nu juist grote mogelijkheden’ in Tunesië, nu niemand nog afhankelijk is van ’de familie’ zoals de Ben Ali’s werden genoemd. Er zijn veel Franse bedrijven die niet ingingen op de eisen van de familie en die dus niet besmet zijn door samenwerking.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden