De gelovigen

,,Hij spreekt zonder opwinding, zonder mij aan te kijken, met zijn blauwogige blik op oneindig en op de vastberaden toon van iemand die de waarheid in pacht heeft. Zijn assistenten luisteren als betoverd naar hem en lijken de verschrikkelijke hitte te vergeten waardoor deze kleine, kale ruimte, waar alleen een bos plastic bloemen staat, in een braadpan is veranderd. Ayatollah Al-Hakim is een man die zelden lacht en niet zozeer spreekt als wel pontificeert of dondert, zoals de profeten of de goden op de Olympus.''

Ayatollah Mohammed Bakir al-Hakim is drieënzestig jaar oud en hij heeft drieëntwintig jaar van zijn leven als balling in Iran doorgebracht. Hij is niet alleen een van de religieuze autoriteiten van het sjiisme, maar als voorzitter van de Hoge Raad van de Islamitische Revolutie voor Irak ook een belangrijke politieke persoonlijkheid. De Raad vertegenwoordigt de meerderheid van de sjiitische moslims (60 procent van de 25 miljoen Irakezen). Toen hij na zijn ballingschap in het land terugkeerde, werd er een enorme demonstratie voor hem gehouden ter verwelkoming. Overal is zijn ernstige, bebaarde gezicht te zien op posters die op de muren zijn geplakt, op de autobussen en vooral in de buurt van sjiitische moskeeën. Hij wordt beschouwd als de leider van de radicaalste afdeling van het sjiisme. Door veel mensen wordt hij ervan beschuldigd het Iraanse model te dicht te benaderen, dat wil zeggen voorstander te zijn van een fundamentalistische, theocratische regering, het monopolie van de ayatollahs. Maar hij ontkent dit categorisch: 'Irak wordt geen kopie van Iran of van welk land dan ook. Elk land heeft zijn bijzonderheden. Wij vinden dat er in Irak een democratische regering moet worden ingesteld waarin alle etnische volken en religieuze minderheden vertegenwoordigd zijn. Maar het moet een regering zijn die ook onze identiteit en onze geschiedenis eerbiedigt.'

Hij heeft een heel blanke huid en blauwe ogen, en zijn lange, grijze baard, zijn zwarte tulband en zijn grijze tuniek draagt hij met bestudeerde waardigheid. Hij ontvangt mij in de stad Najaf, de heilige stad van de sjiieten waar de schoonzoon van Mohammed begraven ligt, emir Ali, de grote spirituele leider van het sjiisme, die in het jaar 41 van de Egira, de islamitische jaartelling, is vermoord. Imam Mohammed Bakir al-Hakim leidt een sober, Spartaans leven en de kantoren van zijn beweging vertonen ook een uiterste eenvoud. Maar er worden grootscheepse voorzorgsmaatregelen genomen om hem te beschermen.

Geestelijken, lijfwachten en helpers fouilleren ons, laten ons onze schoenen uittrekken en nemen fototoestellen en opnameapparatuur in beslag (die ons later worden teruggegeven nadat is vastgesteld dat er geen wapens of explosieven in verborgen zijn). Er is in het huis geen vrouwelijke aanwezigheid te bespeuren en Morgana moet zich keurig in een islamitische sluier hullen om mij te kunnen vergezellen en foto's te nemen. Wanneer ik tegen ayatollah Al-Hakim zeg dat zij mijn dochter is, antwoordt hij gereserveerd: 'Ik heb zes dochters.' Ik ben niet zo brutaal dat ik hem vraag van hoeveel echtgenotes hij die heeft. (De sjiieten hebben, afgezien van de vier wettige vrouwen die de Koran hun toestaat, nog een vijfde vrouw. Die wordt de gelovigen toegestaan wanneer ze niet in vrouwelijk gezelschap reizen. Zij is voor het zogenaamde 'genotshuwelijk', opdat de mannen zich niet hoeven te onthouden. Dit vijfde huwelijk duurt echter zolang als de reis duurt.)

De avond voordat hij mij ontvangt heeft de ayatollah verklaard - in dit land waar dagelijks meer aanslagen plaatsvinden - dat het een vergissing is Amerikaanse soldaten te vermoorden en dat de Irakezen, in plaats van met die moordaanslagen, langs vreedzame weg, via de dialoog, hun doel zouden kunnen bereiken. Ik had gedacht dat de ayatollah tegenover mij nog eens dezelfde diplomatieke verklaring zou afleggen, maar ik vergiste me. Tegen mij vuurt hij op trage toon, zijn woorden met lichte handgebaren onderstrepend, een keiharde kritiek af op 'de troepen van de coalitie'. Hij heeft het nooit over de Amerikanen of de Britten, maar altijd over 'de coalitie' en wij weten beiden precies over wie hij het dan heeft.

'De bevrijding was louter een voorwendsel. De troepen van de coalitie zijn bezettingstroepen geworden. Bush en Blair hebben vele beloftes gedaan, maar zij zijn niet in staat gebleken ze na te komen. Er is totaal geen veiligheid in het land en onze soevereiniteit is ons afgenomen. Voorwendsel voor de oorlog waren de massavernietigingswapens van Saddam Hoessein, maar zij zijn niet in staat gebleken die te vinden. Ook de oude dictator en de zijnen hebben zij niet gevangen kunnen nemen, al zijn het mensen die eten, zich bewegen en in het voorbijgaan sporen achterlaten. Als wij onze gang hadden mogen gaan, hadden wij hen al lang gevonden.'

Hij spreekt zonder opwinding, zonder mij aan te kijken, met zijn blauwogige blik op oneindig en op de vastberaden toon van iemand die weet dat hij de waarheid in pacht heeft. Zijn assistenten, een groepje van ongeveer zes man, luistert als betoverd naar hem en lijkt de verschrikkelijke hitte te vergeten waardoor deze kleine, kale ruimte, waar alleen een bos plastic bloemen staat, in een braadpan is veranderd. Ayatollah Al-Hakim is een man die zelden lacht en niet zozeer spreekt als wel pontificeert of dondert, zoals de profeten of de goden op de Olympus.

Achter hem zit een man op zijn hurken die mij geen seconde uit het oog verliest, alsof hij klaar zit om op mij te springen zodra ik een verdachte beweging maak. Zo dicht in de buurt van de ayatollah Al-Hakim te verkeren, bezorgt mij een permanent gevoel van onbehagen. Zoals alle agnosten herken ik bij mijzelf een heimelijk gevoel van jaloezie jegens de gelovigen. Maar aangezien die net zo absoluut en vastbesloten gelovig zijn als de Iraakse imam tegenover mij, lopen de koude rillingen me over de rug.

'De oorlog is niet afgelopen', gaat ayatollah Al-Hakim verder. 'De onvrede van de bevolking wordt dagelijks groter, dagelijks is er meer verzet tegen de bezetter en dat is heel ernstig voor de toekomst van Irak. Er zijn allerlei redenen voor dit verzet: het niet-waarmaken van de beloftes en het bruuskeren van onze waardigheid. Ik heb het over het gedrag van de bezettingstroepen. Zij doden onschuldige mensen en zijn niet in staat de mensen te vinden die echt schuldig zijn aan de door de dictatuur begane misdaden. Zij doorzoeken de huizen van particulieren en roven het geld van die mensen die hun geld thuis moeten bewaren, omdat er geen banken zijn, en daar profiteren zij van. En verder beledigen zij de vrouwen en raken hen aan, wat kwetsend en beledigend is voor ons volk. Wij hebben hier in Najaf al vijf demonstraties gehouden uit protest tegen dit machtsmisbruik. Het is waar dat er ook terroristische aanslagen en sabotagedaden worden gepleegd door groepjes aanhangers van Saddam Hoessein en de Baathpartij. Maar dat is voor een groot deel de schuld van de coalitie zelf, want in plaats van die aanhangers van de Baathpartij en Saddam energiek te achtervolgen, ontwapenen zij ons, de volkstroepen. Daarom neemt de woede van de Irakezen jegens de bezetter dagelijks verder toe.'

In de straten van het saaie, halfingestorte en zeer arme Najaf dat op twee uur per auto ten zuiden van Bagdad ligt, zweeft het stof van de eromheen liggende woestijn gewichtloos in de lucht, waardoor alles gelig wordt. Hier zijn overal op de aardkleurige muren niet alleen zwarte doodsberichten te lezen van mensen die hun doden hierheen hebben gebracht om ze in deze heilige stad te begraven, maar ook opgewonden lovende woorden voor de 'Soldaten van de Islam' die tegen de goddelozen en tegen Satan vechten. En verder zijn er allerlei graffiti tegen de troepen van de coalitie. De Amerikanen worden nooit met name genoemd, hoewel alle opschriften verwijzen naar de afkeer van de gelovigen van 'de buitenlandse hegemonie', en luidkeels 'Dood aan Saddam en de Baathpartij' schreeuwen.

De vijandige houding tegenover de troepen van de coalitie en het anti-Amerikagevoel zijn duidelijk zichtbaar in de massa gelovigen die in grote processies naar de moskee toestroomt, de vrouwen gehuld in hun zeer strenge abayas, zwarte tunieken en sluiers die hen van top tot teen bedekken. Veel vrouwen dragen bovendien zwarte wollen kousen en sommigen zelfs handschoenen bij een temperauur van 45 graden in de schaduw. De massa gelovigen wordt nog groter rondom en binnenin de indrukwekkende moskee die het graf van emir Ali bewaakt. Mijn tolk, professor Bassan Y. Rashid, die aan het hoofd stond van de afdeling Spaans van de universiteit van Bagdad, moet voortdurend links en rechts uitleggen dat wij geen 'Amerikanen' zijn, maar tijdens onze hele tocht zien wij vijandige blikken en gebaren. In de moskee zijn de mensen nog oorlogszuchtiger.

Wat een verschil met wat me gisteren in de belangrijkste sjiitische moskee in Bagdad overkwam, de moskee van de Gebroeders Kadhim (kleinzoons van emir Ali), waar ik heel hartelijk werd ontvangen door de beheerders van het gebouw. Die zeiden zelfs voor de grap dat ze een goede indruk moesten maken op ons buitenlanders om ervoor te zorgen dat wij de geruchten van hun vijanden, die de sjiieten van fundamentalisme beschuldigen, zouden ontkennen. Het is ongetwijfeld een nogal onterechte beschuldiging. Samen met de Koerden hebben de sjiieten het zwaarst geleden onder de gewelddadigheid van Saddam Hoessein, die een soenniet was en die zich had omringd met moslims van diezelfde geloofsrichting. Er zijn ongetwijfeld vele gematigde sjiieten, zoals er ook fundamentalistische soennieten zijn.

Het verschil tussen de twee grote islamitische stromingen in Irak is grof gezegd dat het sjiisme vooral in de primitievere sector, op het platteland en de marginale gebieden is geworteld, terwijl de soennieten meer uit de steden en de meer ontwikkelde en sociaal bevoorrechte milieus komen. Bovendien zijn de sjiieten altijd buiten de macht gehouden, want dat was het monopolie van de soennieten.

De grootste armoede en hulpbehoevendheid heb ik hier in Najaf en in het naburige Kerbala, de andere heilige stad van de sjiieten, gezien. Door het dreigende klimaat in de stad - wij zijn op dit moment de enige 'westerlingen' - besluiten de twee mannen die belast zijn met de veiligheid van de moskee van emir Ali, ons in een kantoorruimte te laten na ons te hebben verzocht onze schoenen uit te trekken. De beheerder van de moskee vindt dat ik een lesje nodig heb en onderhoudt mij langdurig over de geschiedenis van het stoffelijk overschot van prins Ali. (Dat overkwam me gisteren in Bagdad ook in de moskee van de Gebroeders Khadim, waar een heilige man mij omstandig uitlegde dat Christus aan het einde der tijden de hand van El Madi zou komen kussen en dat er daarna totale broederschap zou heersen tussen moslims en christenen). Ik luister geduldig. De schoonzoon van Mohammed werd in Kerfa vermoord en zijn stoffelijk overschot werd door de gelovigen stiekem begraven, waardoor het lange tijd verborgen bleef. Jaren later, tijdens het kalifaat van Haroen Al Rasjied, merkte deze bij de hertenjacht dat de honden altijd met een eerbiedige houding om een bepaald heuveltje liepen. Zo werden de resten van de Emir ontdekt en werd later deze mooie moskee ter ere van hem gebouwd.

Terwijl hij mij dit alles vertelt, kijk ik naar het spektakel van de enorme massa gelovigen. Zij betreden deze immense, rechthoekige binnenplaats met de kisten van hun doden boven hun hoofd waarmee ze rondjes om de crypte van de emir lopen. De mensen duwen elkaar, zingend, biddend en Allah aanroepend met hun ellebogen, sommigen van hen in een staat van totale hysterie. Het is ongetwijfeld indrukwekkend, maar ik raak er gedeprimeerd van. Handen en monden worden vooruitgestoken om de muren, de tralies, de kieren en de randen van de deuren aan te raken en te kussen, en sommige gelovigen snikken luid, vooroverliggend, met hun voorhoofd de grond aanrakend. Rondom de crypte zie je alleen maar mannen. De vrouwen, donkere pakketten, blijven op de achtergrond, zij drommen rond de hele moskee en bewaren een magische afstand tot de mannen, die de enige hoofdpersonen van deze dramatische ceremonie zijn. Mijn zegsman legt mij uit dat veel van deze gelovigen pelgrims zijn die uit verre windstreken hier naartoe zijn gekomen 'sommigen uit Bosnië' - en dat ze op deze heilige tegels slapen.

'In Lourdes en in Fatima is het toch net zo?' Met deze woorden zal een Spaanse vriend mij die avond in Bagdad geruststellen, nadat ik hem over mijn onbehagen tijdens het bezoek aan Najaf heb verteld. Wij drinken een zuur, lauw biertje, in het donker, omdat de elektriciteit voor de zoveelste keer is uitgevallen. Is het hetzelfde? Ik geloof van niet. In de grote katholieke pelgrimsoorden functioneert een heel commercieel apparaat en vindt er een mateloze toeristische uitbuiting plaats van het geloof, waardoor het vervormd, gebanaliseerd en dus ongevaarlijk wordt. Daar is hier geen sprake van: hier is het geloof puur, volledig, onbaatzuchtig en extreem, het is het enige wat veel van deze invalide en zwaar door de ellende getroffen, kreunend en gillend biddende mensen in hun leven hebben. Dit geloof kan door een charismatische ayatollah, zoals de man bij wie ik op bezoek ben in Najaf, gemakkelijk worden gekanaliseerd tot gewelddadigheid, tot de heilige oorlog of jihad.

Op aanraden van vrienden uit Bagdad heb ik Morgana en haar vriendin Marta, die bij de Stichting Iberoamérica-Europa werkt, gevraagd geen pogingen te doen de moskee van prins Ali binnen te komen en op het plein van Najaf op me te wachten, na een tochtje te hebben gemaakt over de veelkleurige markt die eromheen ligt. Maar ik heb nooit enige macht gehad over mijn dochter. Vandaar dat zij en haar vriendin zich in geleende abayas hullen en de moskee binnengaan, zich voor Afghaanse moslimvrouwen uitgevend, terwijl zij met hun westerse gezichten niemand voor de gek kunnen houden. En met de roekeloosheid waarmee zij haar wieg al liet schudden tijdens haar oorverdovende driftbuien, begon Morgana te fotograferen. Een opgewonden gelovige liep naar haar toe en gaf haar een klap in het gezicht die werd opgevangen door haar camera. De lijfwacht die haar vergezelde stak zijn armen in de lucht van verontwaardiging over deze uiting van obscurantisme. Enkele mensen in de buurt hielden de agressor tegen en verwijderden de man. Marta had meer geluk: in plaats van een agressor viel haar een huwelijksaanzoek, in het Engels, ten deel, dat ze afwees.

In de andere heilige stad van het sjiisme, Kerbala, een ruimere stad waar je beter kon ademhalen dan in de nauwe en zeer arme straatjes van Najaf, en waar twee immense, prachtige moskeeën staan met in de ene het graf van imam Hoessein, de zoon van prins Ali, die tijdens de invasie van de Omayaden is vermoord, is de sfeer zo vijandig dat wij gedwongen worden het bezoek af te breken en met spijt in het hart de prachtige plaats met gouden koepels, muren en pleinen die met tegels en marmer belegd zijn ver achter ons te laten. Ook in de stad, in de schaduwrijke gaanderijen van de markt en in de naburige straatjes met bijna instortende huisjes, worden wij begeleid door een menigte die ons vijandig en vol afkeer bekijkt. De drie kennissen uit Bagdad die mij gezelschap houden, proberen hen er uit alle macht van te overtuigen dat wij geen Amerikanen, maar Spaanse moslims op pelgrimstocht zijn. Maar zij zijn niet overtuigd. Dan wordt ons gezegd dat wij zo spoedig mogelijk moeten vertrekken. Democratische deugden als tolerantie en coëxistentie in diversiteit lijken in deze contreien onbekend.

Wanneer ik ayatollah Al-Hakim vraag wat hij denkt van de gebeurtenissen in het buurland Iran, waar de laatste tijd steeds meer demonstraties worden gehouden door studenten die om meer vrijheid en meer democratie vragen aan het hen onderdrukkende conservatieve bewind, antwoordt hij ontwijkend, zo glad als een aal. 'Ik heb niet voldoende betrouwbaar materiaal over wat er in Iran gebeurt. Wij weten niet eens helemaal zeker wat er in de andere provincies in Irak aan de hand is. Ik durf de berichten van bepaalde media, uit Katar, de Emiraten of Jordanië niet serieus te nemen omdat zij alleen maar aanzetten tot gewelddadigheid en haat. Dus zeg ik liever niets over dit onderwerp.'

Hij heeft ook geen uitgesproken mening wanneer ik hem vraag of hij een seculiere regering zou aanvaarden voor Irak. 'Betekent een seculiere regering een bewind dat tegen de godsdienst is?' vraagt hij kortaf. Ik leg uit dat dat niet zo is, dat het een regering zou zijn die niet voor en niet tegen de godsdienst is, maar een die zich onafhankelijk en neutraal zou opstellen in godsdienstige zaken en eerbied zou hebben voor alle geloven.

Imam Al Hakim kan zijn ontstemming amper verbergen. 'De islam moet worden gerespecteerd', zegt hij vastberaden. 'Net als in islamitische landen als Pakistan, Egypte en Marokko. Zo'n soort regering zal Irak krijgen.'

Ik heb nauwelijks een halfuur van hem gekregen en het is bijna voorbij. Een van de assistenten van de imam gebaart nadrukkelijk dat ik afscheid moet nemen. Ik probeer het gesprek op een persoonlijker vlak te brengen en vraag hem wat hij voelde toen hij na meer dan twintig jaar weer in Najaf arriveerde. De imam is een politicus die zich nooit laat afleiden en antwoordt wat hij moet antwoorden: 'Ik ben blij en bedroefd. Blij, omdat ik ben teruggekeerd bij mijn mensen en omdat de tiran van zijn troon is gestoten. Maar ik ben bedroefd om de twee miljoen mensen die zijn verdwenen in de tijd van Saddam Hoessein, om de massagraven van onze gemartelde en vermoorde broeders, en om het leed en de ontberingen van het volk van Irak tot op de dag van vandaag.'

Bij mijn vertrek leed het voor mij geen twijfel dat Al-Hakim wilde dat het toekomstige Irak op Iran zou lijken. Maar hij weet dat het volk van Irak, en vooral de Amerikanen, het daar bepaald niet mee eens zijn. En omdat hij een pragmatisch politicus is ziet hij er voorlopig van af dit doel te bereiken en past hij een realistischer en minder theocratische formule toe: een coalitie van godsdienstige, politieke en etnische krachten waarin de sjiieten, die hem zullen volgen, de grootste vertegenwoordiging zouden hebben, omdat zij de meerderheid van de bevolking uitmaken. Ondanks zijn op hoge toon uitgesproken kritiek tegen de bezetters twijfel ik er niet aan dat hij, althans in deze fase, met het Voorlopige Amerikaans-Britse Bestuur (CPA) en met Paul Bremer zal samenwerken.

Ik bespreek de zaak met vrienden uit Bagdad en uit Spanje in 'De Parel van Najaf', een restaurant in Kerbala dat propvol tulbanden en abayas zit, onder het genot van de onvermijdelijke gebraden kip met rijst, kikkererwtenpuree en komkommersalade met yoghurt. Dit menu zal mij gedurende de twaalf dagen van mijn verblijf in Irak achtervolgen als mijn eigen schaduw. Morgana en Marta hebben hun sluiers afgelegd om te kunnen eten en worden verbaasd bekeken door de andere gasten.

Ik ga met een beklemd gevoel naar Bagdad terug. Ik kan het beeld van de levenslang in die wandelende gevangenissen begraven vrouwen niet uit mijn hoofd zetten. In Najaf en Kerbala zie je al heel kleine meisjes in die lappen lopen. Het ontbreekt hun bij deze verstikkende temperaturen aan het geringste comfort en zij kunnen zich in lichaam en geest niet vrijelijk ontwikkelen. Die lappen zijn het symbool van hun onderdanige toestand en hun gebrek aan soevereiniteit en vrijheid. Dit zijn de rauwe, harde Middeleeuwen. En als deze toestand prevaleert boven de andere maatschappelijke en politieke stromingen in Irak, dan is het idee dat dit land in korte tijd een moderne en goed functionerende democratie kan worden, een illusie.

Irak is het meest vrije, maar ook het onveiligste land van de wereld, omdat vrijheid zonder orde of wetten chaos betekent. Er zijn geen douanecontroles of douanebeambten, en de CPA (Coalition Provisional Authority; het voorlopige Amerikaans-Britse bestuur), geleid door Paul Bremer, heeft tot 31 december van dit jaar alle douanetarieven en invoerrechten afgeschaft, waardoor de Iraakse grenzen zo lek als een zeef zijn en alle mogelijke produkten, wapens uitgezonderd, zonder enig probleem kosteloos het land binnenkomen. De Amerikaanse bewakingsofficier aan de grens met Jordanië vertelde mij dat daar diezelfde week dagelijks gemiddeld drieduizend vrachtwagens met allerlei goederen Irak waren binnengekomen.

Karrada In en Karrada Out, de twee grote boulevards die als Siamese zusjes zigzag door Bagdad lopen, bieden dan ook in hun talloze winkels, die de trottoirs in een weelderige bazaar hebben veranderd, een enorme verscheidenheid aan industriële artikelen, eetwaren en kleding. Ook is het een paradijs van piraterij op het gebied van platen, cd's en videorecorders. Maar de inwoners van Bagdad zijn vooral belust op de schotelantennes, waarmee ze nu voor het eerst van hun leven alle tv-zenders van de wereld kunnen ontvangen. Dit tot verontwaardiging van de conservatieve geestelijken, die hierin een invasie van de zedenbedervende westerse pornografie zien. De Irakezen kunnen nu ook vrijelijk op internet surfen, wat onder Saddam Hoessein een misdaad was. Het is grappig om te zien hoe gepassioneerd de inwoners van Bagdad, vooral de jongeren, in de internetcafés die als paddestoelen uit de grond zijn geschoten, zich bezighouden met deze nieuwste sport, die hun toegang biedt tot de wereld.

Maar de levendige straathandel lijkt meer op een primitieve ruilmarkt dan op een moderne in- en verkoophandel. Alles moet contant betaald worden omdat er geen banken zijn, en dus geen cheques of creditcards. En na de ineenstorting van de dinar (de laatste dag dat ik er was kreeg je 1500 dinar voor 1 dollar), moet de koper voor elke aankoop die hij doet enorme hoeveelheden biljetten meetorsen, soms koffers vol, die hem elk moment ontfutseld kunnen worden door de plaag van het moment: de alomtegenwoordige Ali Baba's. Want behalve dat er geen douanebeambten zijn, zijn er ook geen agenten, rechters of politiebureaus waar je als slachtoffer aangifte kunt doen van beroving of geweld. Ministeries, bevolkingsregisters, post- en telefoonkantoren functioneren niet, en er zijn geen wetten of regels die voorschrijven wat de burger wel of niet is toegestaan. Alles wordt aan het gevoel, de durf, de voorzichtigheid of de intuïtie van ieder overgelaten. Met als gevolg een bandeloze vrijheid, waardoor de mensen zich hulpeloos voelen en doodsbang zijn. Het enige gezag wordt vertegenwoordigd door de tanks, gevechtsvoertuigen, vrachtwagens, terreinwagens met mitrailleurs en de groepjes Amerikaanse soldaten, die gewapend met geweren en machinepistolen in de straten patrouilleren. De huizen trillen onder het geweld van die oorlogsvoertuigen, en van dichtbij gezien ontdek je dat die soldaten net zo verloren en bang zijn als de inwoners van Bagdad. Sinds mijn komst hier zijn de aanslagen op hen systematisch toegenomen, dertig Amerikanen zijn al gedood en zo'n 300 zijn gewond geraakt. Het is dan ook geen wonder dat ze wantrouwig, met angst in hun hart en de vinger aan de trekker patrouille lopen in die straten vol mensen met wie ze niet kunnen communiceren, in een moordende hitte die hen met hun helmen, hun kogelvrije vesten en oorlogsuitrusting zwaarder moet vallen dan de gewone mensen.

De paar keer dat ik een gesprek met hen probeerde aan te knopen - het zijn veelal jongemannen nog zonder baard - waren ze zeer kortaf. Ze dropen allemaal van het zweet en keken als wantrouwige sprinkhanen voortdurend om zich heen. Mijn dochter Morgana had een wat persoonlijker gesprek met een soldaat van Mexicaanse herkomst, die van bovenaf een tank zomaar zijn hart voor haar uitstortte: 'Ik houd het niet meer uit. Ik zit hier nu drie maanden en ik heb het helemaal gehad. Elke dag vraag ik me af wat ik hier in godsnaam doe. Vanochtend hebben ze twee van mijn kameraden gedood. Ik snak verdomme naar het moment dat ik mijn vrouw en mijn kind zal terugzien. Vervloekte oorlog!'

Over de Amerikanen die in Bagdad patrouilleren doen een massa verhalen de ronde, waarvan de meeste ongetwijfeld zijn aangedikt of uit de duim gezogen. Dat ze bijvoorbeeld uit wanhoop over het groeiend aantal aanslagen de huizen binnenvallen en zich misdragen onder het voorwendsel dat ze op zoek zijn naar wapens. Ik heb geprobeerd om een paar van die beschuldigingen bevestigd te krijgen, maar ze bleken in alle gevallen ongegrond. Eigenlijk weet niemand waaraan hij zich moet houden. Voor het eerst in zijn geschiedenis is er in Irak volledige persvrijheid en iedereen kan zonder toestemming van wie dan ook een krant of tijdschrift uitgeven. Alleen al in Bagdad (waar sinds april zo'n zeventig politieke partijen zijn opgedoken, waaronder ook een éénpersoons partij) worden vijftig kranten uitgegeven, maar hun berichten zijn zo tegenstrijdig en zo fantastisch, dat iedereen klaagt dat hij in totale onzekerheid verkeert over de werkelijke situatie.

Ik ging naar het huis van meneer Kahtaw K. Al-Ani, in de Sadeawijk, want ze hadden me verteld dat er de avond daarvoor in een huis aangrenzend aan het zijne een zeer gewelddadig incident had plaatsgevonden, waarbij verscheidene doden waren gevallen. In werkelijkheid had dat incident zich vijf huizen verderop voorgedaan. De patrouille had de deur opengetrapt. 'This is no good, sir!' Een Irakees was doodgeschoten. Maar hadden ze daar dan wapens aangetroffen? Waren de soldaten beschoten? Hij weet het niet en wil het ook niet weten. Meneer Al-Ani heeft drie jaar in Reading gewoond en bewaart goede herinneringen aan Engeland. Hij was technicus op het ministerie van Landbouw en nu is hij zoals alle functionarissen van het afgezette bewind door de CPA ontslagen. Dat is toch een groot onrecht? Hij en zijn collega's haatten Saddam Hoessein en de Baath-partij, waar ze zich onder dwang bij hadden aangesloten, en ze waren heel blij dat de Amerikanen hen bevrijd hadden van de dictatuur. Maar kun je dit een bevrijding noemen, als tienduizenden gezinnen die zich slachtoffer voelden van de dictatuur zonder enige reden tot werkeloosheid zijn gedoemd en in armoede zijn gedompeld? 'This is no good, sir!' Meneer Al-Ani, een plechtstatige man op leeftijd, met vrijwel kaalgeschoren hoofd, druipt van het zweet. Zijn zonen vegen met papieren servetjes zijn zweet weg en hij excuseert zich voortdurend bij me voor het feit dat de ventilator niet werkt omdat er geen elektriciteit is. Vroeger haatte hij Saddam Hoessein en de Baath-partij, maar nu haat hij de Amerikanen. Als we afscheid nemen, laat hij me zijn auto zien: hij zet hem niet op straat uit angst dat ze hem zullen stelen en hij durft zijn huis niet uit omdat hij bang is dat ze er zullen binnenvallen en het huis in brand steken. 'This is no good, sir!'.

De anti-Israël obsessie is diep geworteld in het Iraakse volk, onder invloed van hun solidariteit met de Palestijnen en van de tegen Israël gerichte propaganda, die er tijdens de dictatuur onophoudelijk werd ingehamerd. Maar die obsessie heeft zeker ook te maken met de herinnering aan het verwoestende Israëlische bombardement, in 1981, op de kerncentrale Osirak, die werd gebouwd met behulp van Franse technici. Sinds de bevrijding zijn er allerlei geruchten ontstaan over een invasie van het Joodse kapitaal in Irak en sommige daarvan zijn ronduit waanzinnig. Terwijl ik in Bagdad langs hotel Ekal loop, op de boulevard Waziq, wijzen twee Iraakse vrienden naar het oude, grijze, zo te zien gesloten gebouw en zeggen: 'Dat hebben de Israëlische Joden gekocht. Ze kopen de hele stad tegen een zacht prijsje op.'

In de dagen daarna hoor ik van verschillende kanten dat Israël van de CPA het monopolie op het toekomstige toerisme in Irak heeft gekregen, kletspraat zonder kop of staart, maar mijn zegslieden hechten er onvoorwaardelijk geloof aan. Nadat ik op een ochtend de markt voor oude boeken in de Al-Mutanavi-straat heb bezocht en een kop koffie drink in 'De voorvechter van de kooplieden', ontstaat er opschudding in het lokaal als de klanten in de aangrenzende straat een elegante heer zien verschijnen, met een gebloemde das en een kleurig pochet in zijn vestzak (accessoires die in de hitte van Bagdad ongebruikelijk zijn), omringd door opvallende lijfwachten - met zwarte vesten, donkere zonnebrillen van een sierlijk ontwerp en langwerpige machinegeweren. Een verontwaardigd gemompel stijgt op onder de bezoekers van het café: 'De Israëlische gezant.' In werkelijkheid is dat opvallende personage de ambassadeur van Italië. Maar fantasieën creëren hun eigen werkelijkheid, zoals romanschrijvers heel goed weten: enkele dagen hierna vaardigen de soennitische imams in Mosoel een fatwa uit en bedreigen Irakezen die hun huizen of land aan Joden verkopen met de dood.

Drie oorlogen, een twaalf jaar durend internationaal embargo en ruim dertig jaar tirannie van de Baath-partij hebben Bagdad, dat in de jaren vijftig bekend stond als een zeer aantrekkelijke stad, tot de lelijkste stad van de wereld gemaakt. De strategische machtscentra van Saddam Hoessein, de ministeries en staatsinstellingen, en vele huizen van de tiran en zijn medeplichtigen staan er nu bij met open muilen en door de inslag van de Amerikaanse precisiebommen leeggehaalde buikholtes. En overal zie je huizen, winkels, gebouwen en bedrijven die werden geplunderd en in brand gestoken tijdens de misdadige heksenketel die zich in de dagen volgend op de komst van de Amerikaanse troepen meester maakte van de stad. En nog is er geen einde aan gekomen. De rovende Ali Baba's lieten de halve stad dakloos en zonder bezittingen op straat achter.

Wie waren die plunderaars? Om zijn herverkiezing als president met 100 procent van de stemmen te vieren, opende Saddam Hoessein op 15 oktober 2002 de deuren van de gevangenissen en liet alle gewone misdadigers vrij (tegelijkertijd liet hij de meeste politieke gevangenen vermoorden). Hoeveel misdadigers liet hij vrij? Ik kreeg onthutsende cijfers te horen die uiteenliepen van 30.000 tot 100.000. Dit verklaart niet alle wandaden, maar wel een groot deel ervan, zegt aartsbisschop Fernando Filoni, de pauselijke nuntius. (Hij is gespecialiseerd in rampen en begon zijn diplomatieke carrière in Sri Lanka, toen de Tamils begonnen met de onthoofdingen en slachtpartijen, en hij was de vertegenwoordiger van het Vaticaan in Teheran tijdens de oorlog met Irak, 'toen de bombardementen ons 's nachts wakker hielden'). 'Het gebrek aan ervaring met vrijheid veroorzaakt in het begin rampen. Daarom heeft de paus, die veel inzicht heeft, zich tegen deze oorlog verzet. De Verenigde Staten zijn te hard van stapel gelopen en werden dan ook opeens geconfronteerd met iets dat ze niet hadden voorzien: een escalerend vandalisme.'

Zeker is ook dat de opgehoopte haat tegen de regeringskliek veel slachtoffers heeft aangezet om de woningen van machthebbers en alle gebouwen die met het bewind verbonden waren, te verwoesten. Maar waarom de fabrieken? Nagi Al-Jaf, en deskundige fabrikant, met bedrijven in de Iraakse hoofdstad en in de Koerdische stad Suleimania, vertelde mij dat de enorme brouwerij van Farida-bier in Bagdad, die onder een gemengde leiding stond en waarin hij aandelen had, zonder pardon door de Ali Baba's werd verwoest. 'Ik kan begrijpen dat ze de dingen roofden die ze konden eten of verkopen. Maar niet dat ze alle machines vernietigden en die vervolgens, alsof dat nog niet genoeg was, in brand staken.' Hoeveel bedrijven zijn er in Bagdad verwoest? Met grote stelligheid zegt hij: 'Allemaal.' Ik vraag hem om objectief te zijn en niet te overdrijven. Hij tuurt langdurig naar de sterrenhemel van Suleimania en zegt nog eens: 'Allemaal. Geen enkele fabriek in Bagdad werd ontzien, ze zijn allemaal met de grond gelijk gemaakt.'

Hoe is dat te verklaren? Misschien kan een volk niet zo leven, zo gecastreerd en ten prooi aan zo'n verachtelijke angst en serviliteit. De Irakezen hebben immers dertig jaar lang onder de dictatuur van de Baath-partij geleefd (een zowel arabistische, nationalistische, fascistische als stalinistische partij die in 1942, in Damascus, door Miguel Aflak, een Syrische christen, werd opgericht), en vierentwintig jaar onder het bewind van Saddam Hoessein. En toen ze zich plotseling op die negende april totaal bevrijd voelden, moesten ze wel reageren met die explosie van

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden