DE GEHEIMZINNIGHEID VAN NEDERLAND

“Om mij heen staan, geheel onzichtbaar maar in mijn geest aanwezig, Constantijn Huygens, F. Bordewijk, Jan Campert en Multatuli.” Bij het ontvangen van de Hugo Ball-prijs 1993 in Pirmasens op 19 september hield Cees Nooteboom een dankrede over zijn beschermengelen.

CEES NOOTEBOOM

Als Nederlanders iets niet weten, of als ze ruzie hebben bij scrabble, of als een dichter eenvoudigweg door een woud van woorden wil zwerven, dan gaan ze te rade bij Van Dale. Zo is Van Dale zijn eigen spreekwoord geworden, een van die kleine geheimen die een taal met zichzelf heeft, en waar men in het verre buitenland, waar het nabije binnenland nu juist het verre buitenland is, niets van weet. Over de geheimzinnigheid van Nederland, daar zou ik vanavond iets over willen zeggen. Maar eerst over dat Franse woord dat wij met huid en haar in onze taalschat naar binnen hebben geslokt als herinnering aan de tijd dat wij geregeerd werden door een broer van Napoleon en de betere kringen het nodig vonden met elkaar in het Frans te converseren, zodat het een eeuw later nog bon ton was om bon ton te zeggen als je wilde uitleggen waarom grote Nederlandse schrijvers als Louis Couperus - die in Florence en Nice woonde - en Multatuli, die in Indie, en daarmee bedoelen wij dan Indonesie in de tijd dat de Nederlandse koning daar ook koning was, en in Mainz woonde - waarom deze schrijvers die elk voor zich meesterlijk Nederlands schreven, daar zoveel Franse woorden doorheen deden?

Misschien bent u nu al de draad kwijt. Ik heb dingen gezegd die voor mij vanzelfsprekend zijn en die voor u duister moeten klinken, omdat die dingen, sleutels, trefwoorden, codes, chiffres zijn uit het gezelschapsspel dat elke cultuur nu eenmaal is, en dat in dit geval Nederland heet, een land dat over zijn hele lengte aan het uwe grenst zonder dat dat ertoe geleid heeft dat u ook maar enigszins in de geheimen van ons vaderlandse gezelschapsspel bent ingewijd. Dat is natuurlijk niet uw schuld: als we de zee niet meerekenen grenzen wij maar aan twee landen en u wel aan acht of negen, nee, het is eerder de schuld van onze taal die een gordijn tussen u en ons heeft gehangen van woorden die op elkaar lijken en dan toch weer net iets anders betekenen, en van onze geschiedenis van over zee uitstarende natie die geen ogen in zijn rug heeft, en die ook liever niet wil hebben, en die bovendien zijn absolute vorsten op een vroeg tijdstip vervangen heeft door ceremoniele, hetgeen gevoegd bij een calvinistische traditie van het eigen geweten-als-maatstaf geleid heeft tot een volkskarakter waarmee onze buren het nogal eens moeilijk hebben, zoals wij het soms moeilijk hebben met het hunne, vooral als ze er langdurig mee op bezoek komen, zoals Philips de Tweede, keizer Napoleon en Adolf Hitler.

'Maar nu heeft u nog steeds dat woord niet gezegd', zult u opmerken met de consequentheid die u eigen is - en ik geef het toe, als ik ergens een meester in hoop te zijn dan is het in de Omweg, de Afleiding, de Uitweiding, de Omtrekkende Beweging, de door Diderot ooit als hogere kunstvorm aangeprezen Digressie. Je wandelt door het gebied van je herinnering, door het domein van Allusie en Associatie, door de provincies van het Toeval en de Inval, en je komt langs de kant van de weg van alles tegen dat je kunt gebruiken. Schrijvers zijn strandjutters, en de wereld is het strand.

Diegenen in de moderne filosofie die de schrijver als subject uit de literatuur hebben proberen te verwijderen door zijn verondersteld almachtige gestalte te deconstrueren tot een doorgeefluik van gevonden voorwerpen of als de sprekende pop van de in duizenden jaren opgetaste structuur van de zogenaamde werkelijkheid, weten waar ik - als ik, pardon, dat woord tenminste nog gebruiken mag - het over heb. Maar ook zij kennen de structuur van mijn werkelijkheid niet, want mijn werkelijkheid is nu eenmaal in de Nederlandse taal en geschiedenis gedompeld, en kan dus uitsluitend gedecontrueerd worden door mensen die zelf met klompen aan geboren zijn en zijn opgegroeid in de schaduw van tulpen, windmolens en andere nationale parafernalia.

Zeg nu toch dat woord, zult u zeggen, en daarin moet ik u gelijk geven. Op deze manier komt er veel te veel nadruk op te liggen. Het woord was tutelair en het wordt soms in ethnologische kringen gebezigd in samenhang met goden of geesten, het heeft te maken met voogdijschap, beschermheerschap, geesten of goden, atavistische patroonheiligen, godweet engelbewaarders, bedoeld om een volk, een stam, een mens op zijn gevaarlijke weg door het leven te begeleiden: tutelar gods, zeggen de Engelsen, en natuurlijk zit daar het woord tutor in wat zowel voogd als opvoeder kan betekenen, tutelare Gotter, en ik hoop dat hier geen Engelsen en geen ethnologen aanwezig zijn, want om mijn literair-ethnologisch-futuristische theorie te ontwikkelen heb ik mij voorgesteld dat wij ooit, in een ondenkbare toekomst, net zo bestudeerd zullen worden als wij anderen bestuderen die zich hebben opgehouden in wat wij ons verleden noemen, met alle vervalsingen die daarbij horen.

Zo zou het kunnen gebeuren dat een revolutionair ethnoloog uit de vierentwintigste eeuw op grond van documenten tot de conclusie komt dat schrijvers en dichters in de twintigste eeuw tijdens plechtige ceremonien waarbij muziek gespeeld werd en waarbij retorische toespraken werden uitgesproken, onder tutelage, onder bescherming, misschien ook wel onder curatele gesteld werden van de geesten van weer andere, eerdere schrijvers. Zo'n ceremonie zou dan volgens deze nog lang niet geboren historische ethnoloog een prijsuitreiking genoemd worden, waarbij de geest van Goethe, of van Buchner, of van Erasmus, of van Goncourt, of van Hugo Ball, aan het verdere geestelijke arsenaal van de recipient werd toegevoegd om er voor te zorgen dat de inkt van zijn ziel niet zou opdrogen, en dat het in geharnaste tijden zo bedreigde vlammetje van zijn talent niet door het rumoer van de wereld zou worden uitgeblazen.

Nu wil ik terugkomen op het idee van het vaderlandse gezelschapsspel. Ik ben namelijk niet vijf jaar geleden in Duitsland geboren, maar zestig jaar geleden in dat andere land hier vlakbij waarvan de taal zijn buren zo geheimzinnig toeschijnt, terwijl wij nu juist weer zeker weten dat er in die taal romans, gedichten, essays geschreven worden en zijn die het discours van de wereld zouden beroeren als ze maar uit de gevangenis van die taal bevrijd konden worden. En zelfs als dat af en toe gebeurt - want er zijn nog moedige uitgevers - dan begint de strijd pas, dan moet dat ene, losgeweekte deel uit hun waarschijnlijk veel grotere oeuvre de lange mars beginnen door de moerassen, de woestijn en het hooggebergte van kritiek, media, commercie, het vindt zich terug op de bureaus van literaire redacties en de tafels van grote en kleine boekwinkels tussen letterlijk honderden andere boeken uit allerlei talen die om aandacht en erkenning smeken, fluisteren, mompelen, roepen.

Elk boek van werkelijke waarde heeft zijn mogelijke, zijn platonische lezer in allerlei andere talen: alleen, hoe moet die lezer weten dat dat boek bestaat, en soms zelfs al vertaald is? De Tranen der Acacia's van Willem Frederik Hermans, de Boeken der Kleine Zielen van Louis Couperus, de kristallen zuiverheid van de gedichten van Remco Campert, de poezie van Gerrit Kouwenaar waarin een filosofie zijn eigen taal heeft ontwikkeld en omgekeerd, de romantische, weerbarstige persoonlijkheid van de te vroeg gestorven scheepsarts Slauerhoff wiens gedichten mij op mijn reizen begeleiden, dat alles is in de geheime kluizen van onze taal versloten, samen met nog zoveel andere schatten zoals de mystieke middeleeuwse dichteres Hadewych, het grote barokke theater van Hugo Claus, de Historien van Hooft, het nergens eindigende oeuvre van Vestdijk, de alchemistische gedichten van Achterberg waarin de dichter over de dood heen een unio mystica beleeft met de vrouw die hij vermoord heeft, en al die andere geheimen die, op een enkele uitzondering na, alleen aan specialisten en speurzoekers bekend zijn.

Beschouwt u dit niet als een uitbarsting van nationalisme; daar heb ik weinig last van. Nee, ik woon in die taal en ken haar geheimen, en zou ze willen delen, en dat is, door de onbekendheid van de taal zelf, nu juist niet mogelijk.

Toch wil ik enige woorden zeggen over de andere tutelaire goden die sinds jaar en dag over mij waken, en die mij, zo ver gaat mijn geloof of bijgeloof toch wel, in zekere zin tot vandaag hier op dat podium gevoerd hebben om samen met mij Hugo Ball te ontmoeten, en hoewel ze waarschijnlijk alle vier bien etonnes over deze ontmoeting geweest zouden zijn, kan ik u verzekeren dat ze elkaars gezelschap gewaardeerd zouden hebben. In Nederland kennen wij ook literaire prijzen, en, zoals een boosaardig iemand heeft opgemerkt, als je maar vroeg genoeg begint en lang genoeg doorschrijft krijg je ze op den duur allemaal. Dat is in mijn geval niet waar, want hoewel ik vroeg begonnen ben - in 1954 - danst de mooiste en de grootste nog steeds voor mij uit, iets dat aan de ene kant zeer goed is voor de nederigheid, en aan de andere kant tot een geheime voldoening leidt.

Dat ik mijn beschermengelen hier wil noemen is, hoop ik, niet zozeer uit ijdelheid, maar om u een inzicht te geven in een literatuur die naar alle waarschijnlijkheid voor u een letterlijk gesloten boek is. Om mij heen staan, geheel onzichtbaar maar in mijn geest aanwezig, Constantijn Huygens, F. Bordewijk, Jan Campert en Multatuli. Van de laatste is overigens dit jaar de schitterende Max Havelaar verschenen die u zich niet mag laten ontgaan, een aanklacht uit de vorige eeuw tegen het Nederlandse koloniale bewind, een roman die geen roman is, een commentaar op het schrijven zelf, een sprookje, een levend, beweeglijk, hartstochtelijk en, zeker in de context van de Nederlandse literatuur van die dagen, een verbijsterend modern en geniaal boek. Bordewijk en Campert kwamen beiden, net als ik overigens, uit Den Haag, maar groter verschillen kun je nauwelijks bedenken. Jan Campert was een bohemien die een van de aangrijpendste en meest bekende verzetsgedichten van de tweede wereldoorlog heeft geschreven en omkwam in het KZ Neuengamme, Bordewijk was een steile wat wij noemen zeer Haagse advocaat die een aantal zeer eigenaardige modernistische romans geschreven heeft waarvan de sfeer mij in mijn jeugd buitengewoon opwond, boeken met tiels als Blokken, Knorrende Beesten, Bint, die misschien voor mij een aanduiding geweest zijn van de mogelijkheid de voorgeschreven ideologie van het vertellen te verlaten en andere, dwarsere wegen in te slaan.

En daar heb je het weer, het geheimzinnige van de andere taal: een van zijn voor ons eigenaardigste karakteristieken zoudt u waarschijnlijk niet opmerken, namelijk zijn manieristische manie om zijn hoofdpersonen met de meest vreemde namen uit te dossen. Voor u zouden het vreemde namen tout court zijn, maar het vreemde van dat vreemde voor ons zoudt u, tenzij u zeer goed Nederlands kende - en het aantal van de buitenlanders die Nederlands studeren groeit - nooit kunnen navoelen.

Blijft over Constantijn Huygens, staatsman, dichter, componist, groot internationaal figuur uit onze Gouden Eeuw, die met evenveel gemak poezie schreef in het Frans en het Latijn als in het Nederlands, en die het mooiste gedicht over sneeuw uit de wereldliteratuur geschreven heeft, dat begint met de regel 'Droog water, koele wol, wit roet, gehakte veren', alleen al vanwege dat ene, vijfregelige gedicht houd ik van hem, en het is niet voor niets dat ik een Franse regel van hem als motto gekozen heb voor mijn allereerste boek, Philip en de Anderen, dat in het Duits vertaald is als Das Paradies ist nebenan. Die regel luidde, ces povres reveurs, ces amoureux enfans, en in zekere zin zijn die arme dromers, die arme kinderen de hoofdpersonen van al mijn boeken gebleven.

Vandaag wordt aan dat Nederlandse gezelschap een Duitse schrijver toegevoegd, en nu is het tijd voor een bekentenis. Natuurlijk wist ik wie Hugo Ball was, maar zoals gewoonlijk betekende dat, dat ik uberhaupt niet wist wie Hugo Ball was. Ik had de gebruikelijke connotaties van Dada en Cafe Voltaire en Zurich, en wie weet zou ik de oppervlakkigheid van dit soort schamele kennis verder met me meegedragen hebben als ik deze prijs niet gekregen had. Alleen al daarom ben ik dankbaar dat deze jury mij de eer heeft waardig gekeurd.

Zijn boek Die Flucht aus der Zeit, de biografie van Hermann Hesse - eindelijk eens een schrijver die die meest civiele van alle deugden, de bewondering, zonder reserve uitleeft - en vooral Zur Kritik der deutschen Intelligenz hebben mij in aanraking gebracht met een wonderlijke, uiterst scherpzinnige, zichzelf vaak tegensprekende geest, een fascinerende kruising van monomanieen, een homo politicus van wie de voorspellende gave in retrospect bijna angstaanjagend is. Wat hij in Zur Kritik der deutschen Intelligenz, voortbordurend op Proudhon en Bakoenin, zegt over Marx en het marxisme laat zich nu lezen als een negatieve blauwdruk voor een toekomst die voor de miljoenen in Rusland en Oost-Europa de ellendige praktijk van hun leven zou worden. De beweeglijkheid van Dada en de hang naar de stabilitas loci van de contemplativiteit, de wilde werveling van dansen en liederen en van de nieuwe experimenten van Klee en Picasso naast een verlangen naar de ascese van een anachoretenbestaan, de zuigkracht van een oeroud christendom in een steeds wereldser wereld, de zwenkingen tussen conservatisme en anarchie, soms lijkt het of deze ene man in zijn veel te korte leven de tegenstellingen van de eeuw die voor een groot deel nog moest komen in zich heeft opgezogen in wat misschien een vorm van extase maar zeker ook een vorm van lijden aan de wereld geweest is.

Door niets zijn voor mij die tegenstellingen zo duidelijk geworden als door de geestelijke zigzagbewegingen van zijn dagboek waarin hij midden in de grote periode van Dada eigenlijk innerlijk afstand van die beweging neemt, of waarin, na een vers als 'Bambino Jesus klettert auf den Treppen, und Anarchisten nahen Militargewand', plotseling even verder een passage volgt over een katholieke avonddienst, waarin hij stelt dat de katholieke kerk de enige sleutel is tot oneindig veel verschijnselen en genieen, en dan als voorbeeld Rembrandt noemt, “die men alleen begrijpt in zo'n katholieke avonddienst, waar een grote kaars het hele mystieke gewelf verlicht”.

Er bestaat een foto van hem uit 1916, die mij zeer dierbaar is. Hij staat daar, stijf en hieratisch, in een eigenaardig kostuum dat hij zelf als volgt beschreven heeft: “Mijn benen waren gehuld in glanzend blauwe, bordpapieren zuilen, die tot mijn heupen rezen, zodat ik er tot daar als een obelisk uitzag. Daaroverheen droeg ik een reusachtige, uit karton gesneden mantelkraag, die aan de binnenkant met scharlaken en aan de buitenkant met goud was beplakt, en die zo bij de hals was vastgemaakt, dat ik hem door het heffen en laten zakken van de ellebogen als vleugels kon bewegen. Daarbij een cylinderachtige, hoge, wit en blauw gestreepte sjamanenhoed.”

De hogepriester die daar staat wist wat hij deed, en hij wist waar hij op uit was: “De dadaist houdt van het buitengewone, vooral het absurde. Hij weet, dat het leven zich in tegenstrijdigheden handhaaft en dat zijn tijd als geen andere op de vernietiging van het edelmoedige uit is. Wat wij Dada noemen is een narrenspel uit het niets, waarin alle hogere vragen verwikkeld zijn; een gladiatorengeste; een spel met armzalige resten; een terechtstelling van aanstellerige moraliteit en overvloed.”

Alles is in die foto aanwezig, de neiging naar het theatrale en naar het sacrale, het scharlaken en de zelfbedachte mijter van de pontifex, de engelenvleugels waarmee men misschien toch nog weg zou kunnen vliegen, en tussen al die pseudoreligieuze paramenten de heldere, wakkere, scherpe ogen van een man die door de chaotische bewegingen van zijn eigen tijd ver in een onvrolijke toekomst kon kijken. Dat ik van u hier vandaag het recht heb gekregen om hem af en toe aan te roepen komt mij, in deze nog steeds verwarrende tijden, goed uit. Ik dank u.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden