'De gedenkplaats in het Bendlerblock is een belediging voor mijn vader'

Er is in deze eeuw voor het herenigde Duitsland weinig om met trots op terug te blikken. Zozeer belasten de oorlogsjaren de collectieve herinnering dat bijna elke vorm van opkomend nationaal bewustzijn verdacht gemaakt wordt. Maar zelfs 'onverdachte' momenten in de vaderlandse geschiedenis kunnen nog aanleiding tot strijd vormen. De aanslag op Hitler verjaart dit jaar voor de vijftigste maal, maar de herdenking dreigt een treurig schouwspel te worden. Niet alleen is er kritiek op de inrichting van de gedenkplaats voor het Duits verzet in Berlijn, ook over wie er een rede mag houden - de bondskanselier, de bondspresident of de SPD-oppositieleider? - is wrevel ontstaan. Een gesprek met Franz Ludwig graaf von Stauffenberg, de zoon van de beramer van de Hitler-aanslag brengt veel bitterheid aan het licht. “Ik huiver bij deze wijze van omgang met het herdenken.”

Verbonden met die actie is vooral de naam van Claus Schenk graaf von Stauffenberg, de man die in het centrum van het complot stond en die zelf de tas met daarin de bom in de vergaderruimte, een barak in de Wolfsschanze, plaatste. De bom ging af, maar de aanslag mislukte. Hitler kwam er met lichte verwondingen van af, Stauffenberg werd nog diezelfde nacht op de binnenplaats van het hoofdkwartier van de Wehrmacht, het zogenaamde Bendler-Block, in Berlijn geëxecuteerd. 'Es lebe das heilige Deutschland' zouden zijn laatste woorden voor het vuurpeloton geweest zijn.

Hij en zijn medeberamers stonden voor 'het andere Duitsland', hoe klein het ook geweest moge zijn. Want erg groot was het Duitse verzet tegen Hitler niet, het meeste ervan past op één verdieping van het 'Bendlerblock', precies die verdieping waar zich de kantoren van Stauffenberg en zijn mede-officieren bevonden. Sinds 1989 is er - nog op instigatie van de vroegere burgemeester van Berlijn, Richard von Weizsücker - de 'Gedenkstütte deutscher Widerstand' ingericht - een gedenkplaats van het Duitse verzet. De man die de gedenkplaats opzette is de historicus Peter Steinbach, die zijn concept van een overzicht van de hele schakering van het Duitse verzet wist door te drukken. 'Doordrukken' is in dit verband geen slechte formulering want er was heftige kritiek gerezen. Die kritiek gold vooral de opname van Duitse verzetsgroepen uit de voormalige Sovjet-Unie, het National-komitee Freies Deutschland (NKFD) en de Bund der deutschen Offiziere (BDO).

De BNO en het NKFD waren onder Stalins regie opgebouwde organisaties van Duitse krijgsgevangenen en communistische emigranten. Onder de laatsten bevonden zich figuren als Wilhelm Pieck, de latere DDR-president en Walter Ulbricht, de latere DDR-partijleider. De NKFD is wegens zijn 'wervingsmethoden' omstreden; dat bleek nog eens toen een zoon van een Duits officier die slachtoffer van de NKFD was geweest naar voren trad om tegen de vermelding van de NKFD in de gedenkplaats te protesteren. Maar mag men tussen goede en kwade tegenstanders van Hitler onderscheid maken?

Aan de vooravond van de vijftigste herdenkingsdag van de aanslag is de oude strijd opnieuw opgelaaid. Aangesloten bij de kritiek op de gedenkplaats heeft zich ook Franz Ludwig graaf von Stauffenberg, de 56-jarige zoon van Claus. Stauffenberg, lid van de Beierse CSU en drie dagen in de week in Berlijn werkzaam als manager van een Treuhand-organisatie die in de ex-DDR bosgebieden privatiseert, is bereid tot een gesprek.

Aan de telefoon had hij zijn standpunt al onmiskenbaar samengevat: “De gedenkplaats in het Bendlerblock is een belediging voor mijn vader.” Zes jaar was hij, toen zijn vader stierf en als er al foto's van hem in de openbaarheid zijn gebracht dan is hij daarop als drie- of vierjarige te zien, op de schoot van zijn glimlachende, goed uitziende vader in 'Heimaturlaub'. De 56-jarige van nu is een bedachtzaam formulerende heer die weigert in de openbaarheid of in de Duitse media over het begrip 'verzet' te spreken. “Elk jaar worden mijn familie en ik (Graaf Stauffenberg heeft nog twee broers en een zuster) wel gevraagd om een rede te houden of zoiets - de 20ste juli moet toch op de één of ander manier afgewerkt worden - maar wij hebben altijd gezegd dat we daar niet aan mee werken. Deze staat beroept zich jaar voor jaar opnieuw op het geestelijke erfgoed van het verzet en dan kan het niet de taak van de achtergebleven familie zijn de herinnering aan dit erfgoed brandend te houden. Dat kan men ons niet aandoen, het is onwaardig.”

Graalridders

De Stauffenberg-kinderen willen in Duitsland niet 'de graalridders van het Duitse verzet' zijn. “Telkens wanneer men over de 20ste juli spreekt, moet men zich ook met het nazi-verleden bezighouden. Die bereidheid is beperkt en dat is menselijk gesproken begrijpelijk. Men kan inderdaad niet dertig, veertig jaar lang in een boetekleed rondlopen, vooral als men zelf pas twintig, dertig jaar oud is. Het is voor de Duitsers een opgave om zich telkens weer met de donkere zijden van het eigen verleden bezig te houden, maar het is tegelijkertijd de voorwaarde om zich te kunnen wijden aan de smalle lichtblik van het verzet. Zoiets kan men niet op de overgebleven kinderen van verzetsmensen afwentelen, zoiets te organiseren is een zaak van de staat, van de overheid. Maar als de staat dat fout doet, dan behoud ik me het recht voor te zeggen: zo niet.”

Precies dat heeft Stauffenberg gedaan. Het Steinbach-concept van de gedenkplaats staat hem niet aan. “De vraag wat verzet is kan niet door een historicus beantwoord worden. Het begrip moet eerst gedefinieerd worden, pas dan kan de historicus bepalen wie men daartoe kan rekenen. Maar in Berlijn heeft het verzetsbegrip uit politieke gezichtspunten en via politieke doelstellingen een inflatoire uitbreiding ondergaan, zodanig dat het begrip aan zeggingskracht verloren heeft.”

“In het normale Duitse spraakgebruik spreekt men van 'verzet' als iemand zich verheft tegen de heersende macht, binnen het domein waar de macht wordt uitgeoefend. Daarbij speelt het persoonlijke risico een rol, een innerlijke overtuiging ook tegen onrecht en machtsmisbruik te willen strijden, maar niet als deel van een invasieleger. Alleen zo laat zich verzet definiëren. Maar organisaties als de NKFD en de BNO in de Sovjet-Unie, die door de Sovjet-Unie en binnen het machtsdomein van de Sovjet-Unie waren opgezet en waarvan de leden hoogstens een risico voor hun in Duitsland levende verwanten aangingen, dat noem ik geen verzet. Dat kan je strijd noemen of oorlog, maar dat is geen verzet en daar komt nog eens bij dat de NKFD ook uit humanitaire gezichtspunten een problematische aangelegenheid was.”

“Ik stel mijzelf de vraag: wie herdenken de Duitsers eigenlijk? Ik zie voor een staat die zich baseert op de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en menswaardigheid - de idealen waarvoor de verzetsmensen stierven - geen aanleiding om plechtig die mensen te eren of zelfs mijn kinderen ten voorbeeld te stellen, wier tegenstand tot Hitler uitsluitend gebaseerd was op het doel om onder een andere vlag en een andere ideologie de mensen te onderdrukken. Mijn vader was geestelijk noch politiek noch historisch een kompaan van Walter Ulbricht.”

Stauffenberg herkent in de gedenkplaats de politieke overtuiging van de SPD-er Steinbach. “Toen het idee van de gedenkplaats ontstond overheerste in brede kring, ook in die van de CDU, het belang van een geestelijke en emotionele ontspanning naar het oosten. De uitdijing van het verzetsbegrip en de opname van het communistische verzet van de latere DDR-leiding is slechts vanuit deze politiek-pragmatische tijdgeest verklaarbaar. Na de Duitse hereniging kan men deze opstelling moeilijk volhouden en heeft ook Steinbach in de gaten. Die poogt nu te redden wat er te redden valt, inclusief zijn wetenschappelijke geloofwaardigheid.”

Urn Honecker

Steinbachs politieke doelstellingen zijn voor Stauffenberg ook elders in de gedenkplaats zichtbaar. “Gaat u maar eens kijken naar welke Duitse verzetsactiviteiten in het buitenland worden opgesomd. Die waren er tenslotte ook in Londen, in Parijs en in Amerika. Denkt u ook aan het literaire terrein, dat de Zwitsers toen in het enige, duitstalige en niet gelijkgeschakelde theater in Zürich geduld hebben. Zulke zaken vindt u er niet. Ik geloof ook niet dat Marlene Dietrich er te vinden is. Niemand kan toch bestrijden dat ze in toorn vertrokken is en dat ze haar artistieke vermogen ook in dienst van de strijd tegen Hitler gesteld heeft. In de gedenkplaats is eenzijdig gefilterd en geselecteerd. Ik geloof dat men er Thomas Mann kan aantreffen, maar dat is dan ook het uiterste.”

“Ik zie niet in wat zo'n gedenkplaats waarin mijn vader omlaag getrokken wordt op het niveau van Ulbricht en Pieck, aan boodschappen moet overbrengen. Alleen al het feit dat we er nu over praten moeten en dat het niet vanzelfsprekend is dat dit tot protest en verontwaardiging leidt, zegt me dat we zelfs niet in staat zijn met het goede in het Duitse verleden om te gaan. U kunt zich voorstellen hoe verdroetig me dat maakt. Een voormalige deelgenoot van het verzet, toen een jonge officier, zei pas in een interview: 'Bij deze wijze van verzetsherdenken ontbreekt nog dat men de urn van Honecker in het Bendlerblock in de Stauffenbergstrasse opstelt'. Dat is natuurlijk een macabere, sarcastisch bedoelde uitlating maar het verschrikkelijk eraan is dat ze niet eens overdreven is.”

Stauffenbergs gezicht betrekt geheel en al als de politieke strijd over wie op de 20ste juli een rede mag houden ter sprake komt. In de huidige stand van zaken heeft bondskanselier Helmut Kohl - en niet de verse bondspresident Roman Herzog - het exclusieve spreekrecht voor zich opgeëist. Het is tenslotte ook verkiezingsjaar. Kohl beroept zich daarbij op het feit dat het de beurt was van de CDU om de redenaar te bepalen, vorig jaar heeft een SPD-er gesproken. “Dit geruzie is vreselijk deprimerend. Het openbaart iets wat niet alleen familieleden pijn doet. Er blijkt kennelijk een regel te zijn die bepaalt dat SPD en CDU bij toerbeurt mogen spreken. Dat betekent dat we met een soort schraal geworden ritueel van doen hebben. Alsof de Duitsers dat ene stukje geschiedenis uit de jaren '33-'45 dat we met opgeheven hoofd kunnen tegemoet treden, alleen maar een soort partijpolitieke proportionaliteit behandelen kunnen. Ik huiver bij deze wijze van omgang met het herdenken. Men moet deze door herhaling hol geworden vorm veranderen. Anders kan men er maar beter helemaal mee ophouden.”

Op 20 juli zou een peloton soldaten de binnenhof van het Bendlerblock binnen marcheren en het geweer presenteren. Steinbach heeft dat militair vertoon op de plaats waar de executies plaatsvonden onsmakelijk genoemd. “De opvatting van meneer Steinbach is volledig misplaatst. U moet niet vergeten: mijn vader was soldaat en is als soldaat gestorven. De vraag die ik mezelf stel is: hebben we vandaag soldaten die zich in de traditie van de 20ste juli willen verplaatsen en is dat niet beter dan de indruk te willen wekken dat soldaten hier niets te zoeken hebben? En daarmee uit te willen drukken dat soldaten van een democratische rechtsstaat die een eed hebben afgelegd op de verdediging van de vrijheid, met de geest van het verzet niets te maken hebben? Ik zou me eraan storen als men zou zeggen: ik beken me tot de geest van het verzet maar ik sluit het leger uit. Mijn oudste broer is beroepssoldaat en noch hij noch ik hebben in zijn beroep ooit een tegenspraak tot de erfenis van mijn vader gezien. Er is een kazerne die de naam van mijn vader draagt, daar ben ik erg trots op.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden