De geboorte van een lezer

Foto bij het artikel 'Voorgangers gevraagd', Nieuwe Revu, jaargang 1971, nr. 15. (FOTO ARCHIEF REVU)

Letter & Geest vraagt zijn auteurs deze zomer te schrijven over een foto die een veelzeggend moment illustreert in hun leven of denken. Dat kan een World Press-achtige foto zijn of een uit de privécollectie, een beeld van recente datum of juist uit een ver verleden. Vandaag, in de slotaflevering: ethicus Frits de Lange over een foto uit 1971.

Van beslissende gebeurtenissen in je leven wordt zelden een foto gemaakt. En als er ooit een foto van gemaakt is, is hij soms onvindbaar. Dat overkomt mij nu.

Ik zoek in de schoenendoos met familiekiekjes, het fotoarchief van mijn overleden ouders, zwart-witte opnames uit de jaren veertig tot zestig van de vorige eeuw, witomlijnd afgedrukt met gekartelde randen. Daarin moet ooit ook de prent van een klein Fritsje gelegen hebben, zo’n zes jaar oud, gezeten in de veel te grote rookstoel van zijn vader, met trots een opengeslagen nummer van De Spiegel voor zich, het Christelijk Nationaal Weekblad waarop zijn ouders waren geabonneerd.

Mijn vader moet het moment echt een opname waard gevonden hebben; er werd nog niet gedachteloos digitaal voor het vaderland weg geklikt. Het ventje kan nog maar amper lezen en schrijven, zal hij gedacht hebben, en nu al met een volwassen blad voor zijn neus. Dezelfde vader zou later zeggen dat zijn zoon weliswaar twee linkerhanden had, maar wel onmeunig met de penne (ontzettend bedreven met de pen) was.

De foto is niet meer te vinden. Een herinnering aan het moment zelf heb ik eigenlijk niet; zij is ooit tot leven geroepen door die foto, een moment dat op zijn beurt door mijn vader tot heugelijk ogenblik gemáákt is.

Het is behelpen, maar ik schep er nu maar de mythe van ’de beslissende gebeurtenis in mijn leven’ mee: daar in die rookstoel vond ooit mijn geboorte als lezer plaats. En al lezend ben ik geworden wie ik ben. Beslissend. Wegdromend in De Spiegel werd voor mij de poort geopend naar de wereld van de verbeelding. De wereld waarin niet ’het is zoals het is’ regeert, maar waarin achter elk universum weer een ander verschijnt. Waarin het draait om interpretaties van feiten, en niet om de feiten zelf, om de betekenis van gebeurtenissen, en niet om de gebeurtenis zelf.

Al gauw had ik als jongetje niet genoeg aan de pagina ’Voor onze Spiegeljeugd’, maar laafde me aan ruim met foto’s gelardeerde reportages met koppen als ’Een kopje koffie in de Casbah. Een Spiegelreporter op speurtocht in het romantische Algiers’, ’Andalusië. Land van charme en zonneschijn’ of: ’Als Bedouïnen trouwen’ Nu zijn het reisbestemmingen op twee uur vliegen, toen waren het werelden op een andere planeet. Ook de advertenties met kloeke teksten en verleidelijke plaatjes – de Rutonstofzuiger met ’centraal gerichte zuigkracht’, de Phoenixfiets, ’de sterke vogel’ – moeten mijn verbeelding hebben wakker geroepen. Brylcreem, Roxy (’Weet wat u rookt!’) en de Kodak 8mm-camera’s – ik blader nu door een oude jaargang – suggereerden een stoere, mannelijke wereld, waarvan mijn oudere broer misschien weet had, maar waarvan ik alleen kon dromen.

Aan één wereld heeft een lezend kind niet genoeg. Thuis waren er naast de Bijbel en de Spiegelserie – een eenvormige reeks streekromans – geen boeken. De plattelandsbibliotheek bood uitkomst. Het begon met Winnie de Poeh, Arendsoog, Toon Kortooms en populair-wetenschappelijke boeken over sterrenkunde en ’Het menselijk lichaam’, maar eindigde met Carl Gustav Jung, Johan Huizinga en Nietzsche. Niet alles werd begrepen. Maar met de voeten op de rand van een zoemende kolenkachel in een hoekje bij de schoorsteenmantel werd zo, nog voor ik het zelf werd, de lezer in mij volwassen.

Lezen is ontsnappen, maar ook ontdekken. Ergens thuis raken en toch weer vreemdeling worden als het boek uit is. Lezers ontwikkelen een meervoudige identiteit, zij vallen nooit meer helemaal samen met zichzelf.

Dat je voor verbeeldingskunst eigenlijk geen boeken nodig hebt, ontdekte ik pas veel later. „Je hebt lezers, en je hebt de rest”, zegt Raimund Gregorius, de boekenwurm uit Pascal Merciers roman ’Nachttrein naar Lissabon’. Maar hij wordt pas echt een lezer, als hij op een dag na een bizarre ontmoeting met een verwarde Portugese zijn boeken laat voor wat ze zijn. Hij neemt de trein naar het hem volstrekt vreemde Lissabon om zich daar te verdiepen in het leven van een hem tot dan toe onbekende arts, Amadeu de Prado. Zo leert hij uiteindelijk zichzelf kennen. Wie hij werkelijk is wordt hem pas duidelijk via de omweg van de inleving. Lezen is jezelf worden door je af te vragen hoe het is om iemand anders te zijn.

Boeken zijn daarbij soms een onbeholpen hulpmiddel – ook al kan ik persoonlijk niet meer zonder. Ik ben nu eenmaal een lettervreter, ook beroepshalve. Als er op een morgen geen krant in de bus ligt, behelp ik mij met de tekst op het beschuitpak. Maar er bestaan ook genoeg voortreffelijke lezers die zelden een boek ter hand nemen. Zoals er omgekeerd ook genoeg bestsellerkopers zijn die over elke shortlist kunnen meepraten en er volstrekt onberoerd door blijven. Snobs zijn het, geen lezers.

Goed kunnen lezen vereist de bereidheid om eindeloos te willen interpreteren. Feiten of gebeurtenissen zo te blijven draaien en kantelen dat ze telkens een andere kleur en vorm krijgen. Om een lezer te worden heb je eigenlijk niet zoveel kennis nodig. Aan wijsheid heb je meer. Goed kunnen lezen heeft niets met een hoge opleiding of een gevulde boekenkast te maken – al kunnen die wel helpen om jezelf te leren relativeren en afstand te nemen tot je eigen kijk op de dingen. Hoe ’belezener’ in de echte zin van het woord, des te bescheidener.

Er is een mooi opstel van Paul Ricoeur waarin hij Engelse taalfilosofen een koekje van eigen deeg serveert. Zij beweren dat je elke taaluiting als een handeling moet beschouwen. Wie iets zegt, doet iets, volgens J.L. Austin en John Searle. Hij verricht een ferme daad, een taaldaad. Maar bekijk het ook eens andersom, zegt Ricoeur: wie iets doet, zegt ook iets. De vraag is dan: wat? Dat is een veel ingewikkelder puzzel dan het stellen van een kloeke daad. Want vaak weet een mens al niet wat hij zélf doet. Laat staan wat een ander doet. Een handeling, een gebeurtenis is als een raadselachtige tekst, die zijn geheim niet wil prijsgeven.

Wat je nodig hebt om het ambacht van het lezen (of, zoals dat in Ricoeurs filosofie heet: de hermeneutiek) onder de knie te krijgen is de wil om het vraagteken zo lang mogelijk laten staan. Belezenheid is in deze optiek een ander woord voor geduldige duidingskunst. Duiden betekent in dit verband niet alleen interpreteren, maar ook: gissen. We zeggen wel dat we iemand of iets begrijpen, maar vaak slaan we er een slag naar. Een ziener die zinvolle verbanden weet te leggen, is een betere lezer dan de erudiet met zijn omgevallen boekenkast.

Mensen lezen als levend document is ook minstens zo spannend. Ik lees daarom steeds minder boeken en steeds meer mensen. Dit moet – behalve met tijdgebrek en Predikers verzuchting dat er „geen einde komt” aan het aantal boeken en dat veel lezen het lichaam afmat – ook te maken hebben met dat inzicht.

Gregorius in Merciers roman ziet twee soorten mensen, lezers en de rest. De filosofe Simone Weil maakte ooit een andere tweedeling: „Er zijn eters en er zijn kijkers.” Boekenlezers zijn gulzige allesverslinders. Zij eten de tekst op, soms zo fysiek dat het meer dan alleen een beeld is. Ik snoof tijdens mijn studie theologie in antiquariaten eerst de geur op van een boek, en rook of het me wel lekker genoeg leek. De banden van Karl Barths ’Kirchliche Dogmatik’ geurden aangenaam zoet. De vorige eigenaar van Bonhoeffers ’Gesammelte Werke’ was een krachtige tabaksminnaar geweest. Paul Tillichs ’Systematic Theology’ daarentegen rook nergens naar. Hoe kun je je dan ooit zijn theologie eigen maken? Een tekst dien je te verorberen en te verteren.

Langzamerhand wordt bij mij het culinaire lezen vervangen door verwondering en contemplatie. Lezen wordt minder eten, meer kijken. Ik sta erbij en ik kijk ernaar, steeds onbeholpener, of het nu om teksten, mensen of gebeurtenissen gaat. Hoe meer ik van het leven proef, des te minder ik ervan begrijp. Ik weet steeds minder goed wat er precies wordt bedoeld. Verbazingwekkend.

Dat moet te maken hebben met een tweede foto, even beslissend in mijn leven als de eerste. De Spiegel, sinds 1901 het familieblad binnen de protestants-christelijke zuil, ging eind 1969 ter ziele, tegelijkertijd zo’n beetje met de zuil zelf. Het abonnement op het weekblad moet een van de weinige luxes geweest zijn die mijn ouders zich permitteerden. Blijkbaar wilden ze die zichzelf en hun kinderen niet zomaar laten ontzeggen.

Op de deurmat viel daarom nu wekelijks de Nieuwe Revu, in 1968 ontstaan als voortzetting van Revue en de Katholieke Illustratie. (Het genot duurde overigens niet lang: het blad bleek al gauw niet meer het tijdschrift ’dat men rustig op de leestafel kon leggen’, zoals ooit De Spiegel van zichzelf beloofde. Het abonnement werd na het eerste bloot meteen opgezegd.) In een van de eerste nummers die bij ons thuis in de bus vielen, stond een artikel over een dreigend priester- en predikantentekort in de Nederlandse kerken. De inhoud van het artikel ben ik vergeten. De bijgeplaatste foto niet. Het plan om sportleraar te worden liet ik varen. Ik ging voortaan de geest dienen in plaats van het lichaam. Ik koos voor de theologie.

Op de foto staat een alternatief geklede generatiegenoot met een forse haardos, exponent van de jaren zestig waarmee ik me graag vereenzelvigde. Hij zit op de grond met zijn rug tegen de boekenkast en bestudeert aandachtig de Biblia Hebraica, de Hebreeuwse Bijbel. Een lid van de rebellerende generatie van 1968, niet op de barricaden, maar verdiept in de Schriften.

De foto markeert een scharnierpunt in mijn leven. Er klonk geen stem uit de hemel, er was geen bliksemflits te zien. Ik heb waarschijnlijk het blad dichtgeslagen, mijn voeten van de kachelrand genomen, en ben weer baantjes gaan trekken in het zwembad. Pas veel later heeft het moment van toen zich als een knikmoment opgedrongen. Een beslissing overkomt je meestal eerder dan dat je haar neemt.

Als een magneet groepeert deze foto de fragmenten van mijn levensverhaal om zich heen. Dat dit beeld mijn studie- en beroepskeuze als theoloog bepaalde, is alleen de buitenkant. Beslissend is dat de foto een andere lezer maakte van het jongetje in de rookstoel. In die quasi-nonchalante, ondertussen intens lezende jongeman moet ik op dat moment iets van mijn eigen verzet en opstand tegen het establishment hebben geprojecteerd. Zoals ooit eens Erasmus en Luther het tegen de moederkerk hadden opgenomen, zo zou ik de protestantse kerk en theologie uit hun dogmatische sluimer wekken. Door net als hen de Bijbel in de grondtekst te lezen, zou ik ontdekken wat er wérkelijk staat. Ad fontes, terug naar de bron!

Maar wie de grondtekst echt probeert te doorgronden, merkt al snel dat hij op minder stevige bodem staat dan gedacht. Na amper een jaartje noest Hebreeuws besefte ik al dat er eigenlijk nooit staat wat er staat. Niet alleen de tekst zelf, ook zijn betekenis geeft zich zelden bloot. Beide onttrekken zich telkens weer aan de greep van de exegeet en interpreet. Er is geen oorspronkelijke tekst, er is geen beslissende betekenis.

De werkelijke dogmatische sluimer, drong gaandeweg tot mij door, is die van de eenduidigheid. Achter elke zinshorizon doemt weer een andere onvermoede horizon op. Dat maakt de tekst van de Schrift misschien ook heilig. Niet dat hij onaantastbaar is maakt hem sacraal, maar dat hij onuitputtelijk is. Hij geeft ons niet de waarheid op een briefje, maar verwijst naar een laatste Woord dat we niet kunnen uitspreken. De Schrift leert me wat het is om een tekst niet op te eten, maar er verwonderd naar te blijven kijken.

Voor het eerst geboren in de rookstoel, ten tweeden male zittend op de grond met de heilige tekst op de knieën: zo ben ik lezer geworden, van boeken en van mensen. Minder gretig ondertussen, huiverig voor oordelen over hoe het precies zit. En juist om die reden twijfel ik ook over die foto’s. Zijn ze wel zo beslissend geweest? Wie terugkijkt op zijn eerdere leven beoefent ook de kunst van het lezen. Lees ik wel goed genoeg?

Ik reconstrueer mijn levensverhaal met behulp van de foto’s en probeer er een afgerond geheel van te maken, met een mooie verhaallijn en een spannende plot. Maar ben ik daarmee geen oppervlakkige, luie lezer van mijzelf? Of nog erger: een dogmatische geest, die zegt: zo is het, dat ben ik en niet anders?

De verleiding is groot. Ik ben voortdurend in de weer om van mijn leven een leven uit één stuk te maken, voor anderen en voor mijzelf. Alleen een leven dat samenhang heeft en een doel dat het rechtvaardigt, heeft immers zin. Ben ik nu ook niet weer druk doende om mijn levensverhaal rond te breien, de open einden en rafelranden weg te moffelen? Is het gevaar van zelfduiding ook niet dat er open betekenissen op slot worden gezet? Waarom sta ik eigenlijk zo stil bij hoe ik geworden ben wie ik ben, en niet bij wie ik had kunnen zijn of nog zou kunnen worden?

„Als het zo is, dat wij slechts een klein deel kunnen leven van hetgeen we in ons hebben – wat gebeurt er dan met de rest?”, staat in genoemde roman van Mercier, het verhaal van een vijftiger die het roer radicaal omgooit. Hij weigert zijn levensverhaal al als af, als met betekenis verzadigd te beschouwen. Zijn beslissende foto ligt niet ergens in een oude schoenendoos, maar moet nog genomen worden.

In hun recente boek ’Opnieuw beginnen. Metamorfosen in het bestaan’ weiden Marli Huijer en Reinjan Mulder uit over dit soort ’doorstarters’, in en buiten de literatuur. Onze samenleving biedt daarvoor meer kansen dan ooit. Uit angst om samen te vallen met zichzelf, om de zin van hun leven al achter, en niet nog voor zich te hebben, verlaten mensen hun oude liefde en beginnen een nieuwe, zeggen ze hun baan op en starten een tweede carrière, verbranden ze schepen achter zich en emigreren. Spannend, moedig, maar ook vaak treurig. Want waarom zouden we dat nu allemaal moeten willen?

Een van de voordelen van lezen is dat je meerdere levens na elkaar of tegelijk kunt leven – zonder dat ze elkaar onderling geweld hoeven aan te doen en zonder dat je ze koste wat het kost met elkaar moet verzoenen. Ook in het leven dat achter je ligt kunnen onvermoede levens verscholen liggen, die misschien nog niet beslissend zijn geweest maar het wel kunnen worden. Lees maar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden