De fysieke zelfhaat van Joden

Joodse turners. (UIT HET ARCHIEF BERT BAKKENES) Beeld
Joodse turners. (UIT HET ARCHIEF BERT BAKKENES)

De Joods-Amerikaanse schrijver en antropoloog Melvin Konner schreef een boek over de verhouding die Joden in de afgelopen eeuwen met hun eigen lichaam hadden en hoe anderen naar dat lichaam keken. De fysieke verdachtmakingen begonnen ver voordat Hitler nog geboren moest worden.

Politici van Wilders tot Rutte hebben er de mond vol van. Maar bestaat de Joods-christelijke cultuur eigenlijk wel? Want wat wordt er bedoeld als er gesproken wordt van de joods-christelijke traditie? Veel meer dan dat we gezamenlijk een halve bijbel - het oude testament - en eenzelfde soort God delen, kan het niet zijn.

En zelfs dat is een beschamend recente ontdekking, die pas gedaan werd nadat de Holocaust min of meer een onvoorziene finale werd van op zijn minst 2000 jaar antisemitisme. Want dat daarvoor de twee nooit positief in één adem zijn genoemd, kan geen toeval zijn. Wanneer christenen over 'het oude volk' spraken dan was dat altijd om de eerstgenoemde gunstig te onderscheiden van de zonen Abrahams die 'ons' dan wel één God hadden gebracht, maar deze onbeholpen hadden aanbeden door de Verlosser niet te erkennen en vervolgens te vermoorden.

De Joden, kortom, zijn een kleine 2000 jaar afgeserveerd als de schlemielen van ons monotheïsme en van onze beschaving, alle lippendienst aan de gewenste gezamenlijkheid verandert daar niets aan. Hun geest dwaalde en heel hun lichamelijke verschijning was een tastbaar bewijs van hun onvolmaaktheid. Dat is de meest bondige samenvatting van de christelijk gelegitimeerde westerse houding tegenover de Joden, die op den duur zelf ook gingen geloven dat, behalve hun God, alles aan hen minder was.

Het is dan ook goed dat de Joods-Amerikaanse schrijver en antropoloog Melvin Konner een studie heeft geschreven waarin hij als zelfbewuste Jood kijkt naar zichzelf en zijn volk. 'Het Joodse lichaam' heet zijn boek, en alleen dat al is een prettige provocatie tegenover de geschiedenis, waarin de jood al in 1888, ver vóór Hitler dus, werd omschreven als herkenbaar aan zijn 'onrustige, achterdochtige oogopslag', 'kromme neus en neusvleugels', 'dikke lippen en rattentanden' en zijn 'afstotelijk achteraanzicht'. En dit soort fysieke verdachtmakingen begonnen al veel eerder, laat Konner zien in zijn boek dat zowel beeld als zelfbeeld van het jodendom behandelt.
Konner neemt zogezegd het heft in eigen handen. Wat een Jood was, werd heel lang door anderen bepaald, nu vertelt een Jood dat zelf. En het is misschien wel tekenend dat de auteur dat besluit te doen als hij voor het eerst vader wordt en het begrip kwetsbaarheid een veel riskantere betekenis krijgt, nu hij een kind heeft om voor te staan.

Sterk, zwak, en uiteindelijk weer sterk; krijger van Jahweh, horige van de westerse beschaving, en opnieuw krijger, maar dan van Golda Meïr. Dat is kort gezegd de geschiedenis van het Jodendom, die na de succesvolle oudtestamentische tijden tot en met de stichting van de staat Israël vooral reactief is. En dat is ook het verhaal dat Konner beschrijft. Zijn boek gaat telkens heen en weer, van de ideologie naar de werkelijkheid; van Joodse geest naar Joods lichaam en omgekeerd.
In den beginne hadden de Joden alleen een God die hen onderscheidde van de rest, deze Jahweh maakte hen machtig, terwijl hij tegelijkertijd zijn helden als David en Samson kneedde en beproefde naar zijn wil. Ze moesten zich besnijden en zich aan zijn wetten houden. Uiteindelijk draaide het bij het Joodse heldendom om God, niet om de sterveling; vroomheid was de hoogste categorie; ondanks alle grote oudtestamentische militaire prestaties 'bleef er een zekere scepsis heersen tegenover alles wat fysiek was', schrijft Konner.

En het is precies deze dubbele erfenis, die de Joden parten zou spelen op het moment dat zij als het ware alleen nog een kop hadden en geen lichaam meer - dat wil zeggen geen eigen land, plek of staat meer. Wat overbleef in de diaspora was een geleerd hoofd, een handelskop, voor de rest was de Jood weerloos, en begon hij zich ook steeds afkeriger te voelen van zijn eigen lichaam. Zijn eigen symbolische gedrochtelijke schepping, de Praagse Golem, getuigde van fysieke zelfhaat en evenzeer deed de twintigste-eeuwse mode onder welgestelde joden om hun neuzen te laten rechttrekken en couperen dat, een verschijnsel dat natuurlijk ook ingegeven was door toenemend antisemitisme.

Zoals gezegd, begon de lichamelijke marginalisering heel vroeg, al ver voor het christendom.
In de antieke tijd vertegenwoordigden Apollo en Aphrodite het lichamelijke ideaal. Iedere Griek, iedere Romein mat zijn of haar eigen schoonheid af aan deze twee ook in talloze beelden aanwezige goden. De Joden hadden alleen een 'God zonder lichaam', die ze niet af mochten beelden.

Welbeschouwd bleef het Apollinische ideaal de maatstaf. Zelfs het schelden op de baal bloed, vocht en drek die het lichaam was van kerkvader Augustinus, kon niet voorkomen dat, zeker vanaf de Renaissance, schoonheid gelijk stond aan welgevormdheid en harmonie, die ook het lichaam van de ontjoodse Jood Jezus aan het kruis nog sierde. De Jood was alles wat de westerse mens niet was. Of deze denkwijze vanzelfsprekend moest leiden tot de Shoah, is een debat waarin Konner zich niet begeeft. Wel trekt hij de onvermijdelijke conclusie dat de Jood als Jood niet hoefde te bestaan voor de meeste beschaafde christenen; Hitler maakte daarvan 'niet mocht bestaan'.
Maar hij bestond wel, ook lichamelijk, en steeds lichamelijker naarmate het antisemitisme toenam, maakt Konner duidelijk. En hij vertelt hoe de joden, zoals Mark Twain schreef, 'door de eeuwen heen een fantastische strijd hebben geleverd, en nog wel met de handen op de rug gebonden'. Konner speurt in het verleden en komt uit bij onverslaanbare Amerikaans-Joodse boksers uit de jaren twintig met namen als 'Jackie Kid Berg' en 'Maxie Slapsie Rosenbloom'.

Veertig uit hun rijen werden wereldkampioen. Hoezo geen lichaam, lijkt Konner aldus te zeggen. En natuurlijk refereert de auteur aan het zogenoemde 'Muskeljudentum' dat theoretisch werd gefundeerd in 1898 door de Joodse arts Max Nordau. Dit spierkracht-Jodendom stond aan de basis van de staat Israël dat op eigentijdse wijze de krachtige Hebreeër deed herleven en dat als zodanig de mythe van de zwakke Jood - een cultuurchristelijke schepping - logenstrafte.
Konners boek is verplichte kost voor belijders van de Joods-christelijke cultuur als vanzelfsprekendheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden