DE FRANCIGENA

“Van alle wegen die naar Rome leiden is de Francigena - de weg van de Franken, letterlijk: de weg die van de Franken of Frankrijk afkomt - de avontuurlijkste en wat mij betreft de mooiste.” De dichter Rein Bloem trok de afgelopen jaren langs de landschappen, de stadjes, de kerken, de kloosters en de pleisterplaatsen van deze pelgrimsroute naar de Eeuwige stad. In 10 afleveringen doet Bloem komend jaar verslag van zijn tocht langs 's Heren wegen. Vandaag een inleidend verhaal: “Elke keer als ik het kleine stadje Fidenza nader verkeer ik in spanning: hier zullen we de bergweg naar Berceto en de Cisa-pas inslaan, om later af te dalen naar ons geliefde Toscane. Allons, suivont les mages, ach laat ons uw paden betreden, volgens een Oud-Utrechtsch Kerstgezang.” U denkt misschien dat wij op de hoogte zijn van deze plaats, maar wij zijn pelgrims net als u. Dante (Vagevuur, Canto II)

Bertus Aafjes mag dan in de Voetreis naar Rome als dichter langs de Rijn zijn afgezakt en over de Brennerpas, langs Verona, Bologna, Florence, Arezzo, om het Trasimeense Meer heen, zijn doel bereikt hebben ... de ware Europese route daalt af van de Grote St. Bernard, trekt langs Aosta Lombardije binnen en dan begint, zo ervaren de pelgrims, bij Pavia in de Po-vlakte, de bedevaart pas goed.

Die weg naar de Eeuwige Stad, aardser gezegd het centrum van de beschaafde wereld, werd al door de Longobarden vanaf de zevende eeuw bereisd, vooral om politieke redenen: Rome te vriend houden en de Byzantijnse erfvijand ontlopen en liever nog voor altijd verjagen. Sinds Karel de Grote werden die Longobarden - een beschaafder volk dan bijvoorbeeld Slauerhoff dacht: de lage aard nog op 't gelaat geronnen - gekerstend en opgelost in het Frankenrijk; maar hun culturele erfenis is ook nu nog zichtbaar langs 's Heren wegen; menige kerk, toren of klooster draagt de sporen van longobardische motieven: fantastische krullen en onbestaanbare dieren, waaraan de christenen op hun weg danig plezier konden beleven. En voor de min of meer heidenen onder ons geldt dat eveneens, aangenomen dat zij de vanouds bestaande reisgidsen raadplegen en dermate nieuwsgierig zijn, dat zij van tijd tot tijd daar vanaf durven te wijken.

De eerste reisgids van belang is die van Sigeric, bisschop van Canterbury. Hij maakte tegen het eind van het eerste millenium de reis van Engeland naar Rome ... het gevreesde jaar 1000 waarin de wereld zou moeten vergaan en, toen dat niet gebeurde, het hoopvolle jaar dat zou dienen als springplank voor een gouden toekomst. Toen hij die hachelijke tocht overleefd had, werd hij door de dienstdoende paus in rang bevorderd en vervolgens noteerde hij op de terugweg alles wat hij maar zag: landschappen, stadjes, kerken, kloosters, pleisterplaatsen, wetenswaardigheden enz., tot hij aan het eind van zijn latijn weer thuis was.

Het kaartje van zijn route moet dus van onder naar boven, dat wil zeggen van Rome naar Calais, gelezen worden. Nog verrassender is het dagboek van de IJslandse abt Nikulas van Munkathvera, die in 1154 op reis ging naar Rome en dan door naar Het Heilige Land, vice versa. Het was de eeuw waarin drie soorten pelgrimages massaal op gang kwamen: naar Rome, naar Santiago di Compostella in Noordwest Spanje, naar Jeruzalem. De eeuw waarvan wij het moeten hebben, ook wel De geboorte van de Westerse Beschaving genoemd (J. Mak) of The renaissance of the 12th century (C. Haskins).

Onze abt vertrok uit Thingor in IJsland over zee naar Bergen, stak over naar Aalborg, trok door Denemarken naar Haddeby (Heidaboer in het Oudnoors, waarin hij zijn journaal schreef), de grens over in Sleeswijk, naar Itzehoe (Heitsinnaboer) tot Stade aan de Elbe (Stothborg) in de buurt van Hamburg. Daar was een tweesprong: je kon rechtdoor naar Hannover en rechtsaf naar - geloof het of niet - Frijsland, til Deventar en Trekt. Voorts via Keulen, Mainz, Straatsburg, Basel, Vevey (aan het Meer van Genève, toen San Martino ofwel Marteins vatn; dan de Alpen in naar St. Maurice d'Augaune, waar volgens onze zegsman de heilige met een leger van 6666 (heil)soldaten voor eeuwig in het ijs rust; logeren op de pas in het hospitium San Pietro, ook 's zomers onder de sneeuw, en verder bergaf naar Aosta, richting Pavia, en we zijn weer waar we wezen wilden: het begin van de Frankenstrasse.

Pavia

'Een waarlijke tuin van verrukking'... een 12de eeuwse Duitser waande zich met vele andere reisgenoten, na alle ontberingen, in een paradijs: Wahrhafte Garten der Wonne. Twintigduizend voetgangers liepen toen in de vier zomermaanden - zo werd gemeten in een Zwitsers dorpje toentertijd - hun geluk tegemoet. Een laat middeleeuwse Fransman maakte het nog mooier dan het al was: 'Dit land is het mooiste stuk van Lombardije, het schoonste vorstendom van het ganse christendom. Overal waar men komt zijn er fraaie, stenen bruggen, aangename kaarsrechte wegen met vaarten aan weerszijden, omzoomd door bomen en hagen, alleeën gelijk. Geen aardkluit die niet tweemaal jaars vrucht draagt, een rijkdom aan gewassen, fruit en wijn bij de vleet...'

Je vertrouwt je ogen, oren en neus niet als je heden ten dage door de Padane (de Po-vlakte) racet: er hangt bijna altijd een grauwe mist, veroorzaakt door de honderd kilometer uitgestrekte industrie langs de rivier, die zwaar is vervuild en dat ruik je als een cacao-fabriek in Amsterdam. Een enkele filmer heeft zich in dat troosteloze gebied begeven en ik moet zeggen: wie van treurigheid houdt kan daar ruimschoots aan zijn trekken komen.

Wat betekende Ticinum, Pavia's vroegere naam, voor de pelgrims en wat is daar nu nog van overgebleven? Weinig of niets. Ooit een rijke, drukke havenstad op een knooppunt aan de Ticino, zijrivier van de Po, nog steeds bevaarbaar, maar ik zie er zelfs geen plezier- of vissersboot meer. De hoofdstad van het rijk der Longobarden verloor op den duur de concurrentiestrijd met Milaan en werd eeuw na eeuw getroffen door zware branden, en een uitzonderlijke aardbeving legde alles in as, liet haar in de rook opgaan die er nu nog hangt. Dat neemt niet weg dat Frederik Barbarossa zich in 1155 liet kronen in de herbouwde San Michele, de kerk van de aartsengel ... maar echt vlotten wou het niet meer.

De andere kerken van de stad, alle in baksteen uitgevoerd zoals de mode was in Lombardije, trokken weinig bezoekers. Zelfs de illustere graftombes in de San Pietro d'Oro zijn nu vergeten en verstoken van kransen en kaarsen. Toch liggen daar Boëthius, doodgemarteld om niets, in de cel waar hij de onsterfelijke Troost der Filosofie schreef; kerkvader Augustinus, de wijsgeer van zijn tijd, wiens geleerde beenderen uit de zondvloed in Noord-Afrika gered werden en verscheept naar Pavia; Liutprand, de gekerstende Longobarden-koning, die in de 8ste eeuw het gelijknamige klooster stichtte en één van de opdrachtgevers was van de bouwwerken langs de Francigena; onderweg zullen wij, als God het ons geeft, daar het nodige van zien...

In Pavia zelf is dus niet veel bezienswaardigs meer, op één gevel na, die van de San Michele. Een westfront op een krap plein in de stad; gehavend door de steensleet op de uitgekiend aangebrachte reliëfs, die nauwelijks prijs kunnen geven wat ze vroeger te vertellen hadden. Maar die vlakverdeling staat ons toch toe tussen de witregels te lezen wat er niet meer is ... dat en de sierlijke Longobardische motieven in de portalen, daar sta je van te kijken.

De pelgrims op het punt van vertek voor een tocht, in etappes van 30 tot 40 kilometer, naar de Adriatische zee, 160 kilometer verder, in de buurt van La Spezia voor wie het wil opzoeken. Dan hebben we de Apennijnen achter de rug en zullen jubelend Toscane binnen lopen. Maar zover zijn we nog lang niet, we staan immers pas aan het begin. Wat bezielt ons eigenlijk? Godsvrucht vanzelfsprekend, aflaat van zonden misschien, daar waren de kerkelijke prelaten scheutig mee, want het spekte de kas als de boetelingen terugkeerden. Zucht naar avontuur en gewin, de onverzadigbare drang iets te ontdekken, dat je eerst niet voor mogelijk had gehouden en dat je op de een of andere manier aan het thuisfront wil laten zien.

Een graf, een kerk, een gevel, een beeld ... al die zaken kun je niet meenemen voor later, maar geen nood, langs de weg is van alles te koop: de knoken van een apostel, Petrus of Johannes dat maakt niet uit en middenhandsbeentjes mogen ook; elke kerk waar de pelgrims langs zouden komen, had wel iets aparts in huis want dat lokte hen in groten getale naar binnen en een kopie was snel gemaakt; en als men toevallig niets in de aanbieding had, dan jatte men met Gods hulp en smoesjes een relikwie uit een nabije kerk en voilà.

Er was een levendige handel in heilige aandenkens, waarmee je bij thuiskomst goede sier kon maken. Het meest in tel waren de attributen van de Heer, de Elvis Presley avant la date. Dat geldt natuurlijk niet voor de zogenaamde insignes, die waren te groot want betroffen het hele lichaam of daaromtrent; ook niet voor de notabels, waarbij het ging om een kaak of een hele hand; maar wel voor de minimes, gemakkelijk in je ransel te stoppen, bijvoorbeeld - lach niet - een tand, de navel, een nagel, een haar, een traan, een druppel bloed, een stukje voorhuid ... als je dat op de kop kon tikken, dan was je zeker van een voorspoedige bevalling van je vrouw en mocht dat tot dusver nog niet gelukt zijn, dan zou zulks, na een trektocht van een paar jaren, er zeker snel van komen.

Ook zeer gezocht waren de dingen van het kruis: de spijkers, de spaanders, de flarden kleding. Een fel begeerd kleinood was de hoed, waarmee bepaalde maagden the private parts van de Heiland aan het gezicht probeerden te onttrekken. Chapeau! Alle pelgrimswegen aller tijden staan onder het patronaat van Mercurius.

Piacenza

De mannen van de vlakte hadden een dagmars van om en nabij de 40 kilometer in de benen. Als er tenminste geen overstromingen waren in dit waterrijke gebied en als de schipbrug over de Po niet onklaar was geraakt. Dat is nu geen punt: die brug is er niet meer en je merkt, vanwege de niet aflatende mist en de snelheid op de A 1, niet eens dat je over de ijzeren brug komt. De Francigena valt hier samen met de Via Aemilia, de oude Romeinse weg, van Milaan naar Bologna, Florence enzovoorts, maar vóór die tijd zijn we, zoals het routekaartje aangeeft, al rechts afgeslagen, dwars door de Apennijnen, langs de Via Bardone, waarin we de Longobarden herkennen. Rechtstreeks zuidwaarts trekken was eeuwenlang te gevaarlijk, vanwege de Byzantijnen.

Piacenza was een etappeplaats die je niet mocht missen. Er waren, afgezien van de obligate pretparken die bij elke toeristenindustrie horen, minstens twee kerken die bezocht moesten (en moeten) worden:

De kathedraal van de vrije grote stad was na de al genoemde aardbeving die de streek in het begin van de eeuw geteisterd had, in snel tempo herbouwd. Beroemde architekten als Wiligelmo en Niccolò hadden de hand in de reliëfs aan de buitenkant. De architraaf (dekbalk) boven het linker portaal van de voorgevel is gewijd aan het leven van Jezus. In zeven ereboogjes, onderscheiden door flieterdunne pilaartjes, worden de highlights van zijn jonge jaren verteld: de annunciatie, de visitatie, de geboorte, de kerststal, de herders, de drie koningen.

Sinds mijn jeugd heb ik een zwak voor het kerstverhaal; een ware openbaring was het zoldertje van de kathedraal in Autun (Bourgondië) - op naam van Gijs, want op het timpaan aan de voorgevel staat dat in een blijk van trots te lezen: Gislebertus hoc fecit, hij maakte het dus ... Daar bij onze lieve heer op zolder kon ik de naar boven overgebrachte kapitelen van dichtbij bekijken en zelfs, ik zeg het tot mijn schande, aanraken. Onvergetelijk zijn de drie koningen in slaap, ze liggen onder één deken die eruit ziet als een omelet.

Daar zag ik ook Jozef, die op een zijvlak pips zit te wachten tot de receptie, breeduit aan de voorkant van het kapiteel verbeeld, voorbij is en de wijzen uit het oosten hun geschenken aan zijn stiefzoon overhandigd hebben. En kijk hoe moe Jozef elders is: hij loopt in de vlucht naar Egypte met zijn tong uit zijn mond, als hij een soort feestkar op wielen, waarin moeder en kind zalig zitten, voortsleept:

God Jozef - je bent moe, verwilderd oog en open mond, zwaard over de schouder op de vlucht naar egypte.

God Jozef - je bent moe en de teugel hangt keurig naar je bokkende ezel met lok en daarachter de ganse familie.

Het kind - niet het jouwe - zijn hand al op de globe en de moeder zorgzaam stut wel degelijk het hare.

Alles loopt op rolletjes, praalwagen waar jij alleen bijloopt omdat het zo hoort. God Jozef - je bent moe.

Hoe vergaat het Jozef in Piacenza? Nieuwsgierig zoek ik hem op.

Maria ligt te bed, een wollen deken is in plooien over haar heen getrokken. Jozef, ogen dicht, groot hoofd, zit aan het voeteneinde. Naast hem, één pilaartje verder, liggen de dieren, de ogen half ontloken.

In een andere voorstelling, de vlucht naar Egypte, zijn ezel, moeder, kind en ook Jozef samengeperst in één boogje, allen met de ogen opengesperd, verbijsterd misschien, niet om vrolijk van te worden...

Inwendig zorgt de kathedraal voor een wereldse verrassing: zeven ingelijste kapitelen, die de plaatselijke gilden vertegenwoordigen: kleermaker, schoenlapper, leerlooier, wagenmaker, schilder, schoenmaker en bakker.

Wie die beroepen niet zou herkennen - en dat is niet denkbeeldig, want de pilaren zijn hoog - heeft misschien steun aan het Latijn dat in grote letters vermeldt dat we te maken hebben met bijvoorbeeld de bakker: HAEC EST COLUMNA DI CARICO (deze zuil is voor de bakker).

Eén vakman leren wij zelfs met naam en toenaam kennen, de wagenmaker JOHANNES CACAINSOLARIO, misschien uitverkoren om zijn zeldzaam patroniem.

De losstaande kapitelen van religieuze aard zijn in de kathedraal zo hoog aangebracht, dat herkennen bijna onmogelijk is: zou dat Daniel in de leeuwenkuil zijn - een frekwent motief waar ook in de middeleeuwse wereld - maar wat moeten dan aan de zijkant die wandelaars, pelgrims als wij? Nog iets hoger wordt misschien de Heilige Stefanus gestenigd en opzij daar staat een man met een schort voor, zijn hand daaronder, klaar om de zoveelste steen te werpen?

Zou het opzet zijn geweest om de arbeiders in vol ornaat, goed zichtbaar af te beelden en de heiligen onzichtbaar in den hoge? Van dat soort vragen, waar geen antwoord op mogelijk is, moet een aandachtige pelgrim het zijne denken, het verlicht onderweg zijn tred.

Veel minder bekend dan de kathedraal, is tegenwoordig de kloosterkerk San Savino. In mijn Zodiak-deel over Emilia-Romagna (Italia Romanica 6, 1984) wordt er maar één, weinigzeggende bladzij aan besteed. Na de gebruikelijke tralala wordt gewag gemaakt van een aantal mozaïeken in de crypte en op de vloer van het koor, 'un sontuoso mosaico' met een uitgewerkte allegorische compositie van menselijke deugden, vervaarlijke krijgers en diverse andere beesten. Ik herinner me weinig van die overdaad, maar één beeld laat mij niet los, het staat mij nog helder voor ogen en juist dat tijdverdrijf krijgt geen vermelding: we zien een schaakbord met zo'n twintig stukken; op de zwarte velden staan ze in het wit, op de witte in zwart, zodat je eigenlijk niet kunt zien wie zwart heeft, wie wit en bovendien zijn de vormen niet goed te onderscheiden: is dat een paard of een loper of de koningin?

Op een grote, witte stoel links zit een man, geheel in het wit gestoken; hij raakt met zijn rechterhand een zwart stuk aan op de onderste rij, voor kenners b1, hij lijkt dus aan zet; met zijn linkerhand plus overmatig uitgerekte vinger wijst hij naar zijn opponent, die alleen qua arm in het beeld is en notabene ook een stuk aanraakt, zwart op een wit veld; j'adoube (zet recht) of speelt hij vals? Zou de man in het wit in opstand komen tegen de inbreuk op de spelregels of wordt hij juist tot de orde geroepen en is het de arm van de goddelijke wet die daar op veld c6 korte metten maakt met de schakende amateur?

Het bord staat niet op poten, wie de partij na wil spelen zal zich languit op de stenen vloer moeten vlijen om in het mozaïek veld voor veld af te tasten en te gissen hoe de twintig stukken in stelling zijn gebracht, maar je hoeft je nauwelijks af te vragen wie er aan de winnende hand is.

Fidenza

Rechttoe, rechtaan langs de Aemilia naar Fidenza, in de middeleeuwen Borgo Donnino genaamd, naar de plaatselijke martelaar, die in de derde eeuw, de laat Romeinse tijd, bekeerd werd tot het christendom en dat onder de heerschappij van Maximiliano Herculeus bekopen moest met de dood en ... daaraan op wonderbaarlijke wijze ontsnapte. De 35 kilometer lange wandeling noodt niet tot uitstapjes. Zo laten we het strenge klooster Chiaravalle di Colomba, waarvoor het spook van de opera, te weten Bernard van Clairvaux, in 1135 naar Piacenza was gekomen - hij, de befaamdste cisterciënzer van de eeuw, doctor mellifluus, de honingzoete redenaar, een van de grootste schuldigen aan de Kruistochten, - hij, zo vaak in gebed verzonken, dat hij na een rijtoer niet meer wist dat hij op een paard had gezeten, - hij, die de werkelijk humane nieuwlichter van de 12de eeuw, Abélard, naar de verdommenis hielp ... ja, dat klooster laten wij links liggen, ondanks dat er een mooie kruisgang moet zijn. Rechts van de weg, op afstand, ligt nog een veel ouder klooster, Bobbio, gesticht in 612 door de Ierse monnik Sint Colombano, waar een aanlokkelijk scriptorium en dito bibliotheek voor ons open staat, wie weet komen we er nog ooit eens aan toe.

Moedig voorwaarts ... elke keer als ik het kleine stadje Fidenza nader, zo heette het dus in de Romeinse en in onze tijd, verkeer ik in spanning: hier zullen we de Aemilia verlaten en de bergweg naar Berceto en de Cisa-pas in slaan, om later af te dalen naar ons geliefde Toscane. Per auto of te voet, we zullen er voor de zoveelste keer stil blijven staan. Er is nog een reden voor spanning: ik weet niet goed raad met de kathedraal ter plekke; die is nu na tientallen jaren eindelijk gerestaureerd, staat niet meer in de steigers, afficheert zich als rustpunt. Daar zit 'm de kneep, want er zit zoveel betekenis aan vast, dat je er duizelig van wordt.

Marcel Proust heeft voor het begrijpen van complexe kerkarchitektuur een mooie volzin in zijn anti-Sainte Beuve geschrift En mémoire des églises assassinées (indachtig de vermoorde kerken): '... een kathedraal betekent niet alleen het opdoen van schoonheid; zelfs als het u niet om meer gaat dan een levensles die u moet opvolgen, dan toch tenminste om een boek dat begrepen moet worden...'

Als er één kathedraal is, die gelezen en begrepen moet worden dan is het deze kathedraal van Fidenza, een stripboek waar geen eind aan schijnt te komen, hoewel de afwerking voortijdig werd gestaakt; de kerk van Sint Donnino staat te boek als 'de onvoltooide'. Torens en gevels zijn bezaaid met beeld-verhalen, waarvan de lotgevallen van de peetvader de ereplaats innemen en de grootste trekpleister vormen. Voor daarop omzichtig in te zoemen, moet ik eerst het vooraanzicht beschrijven.

Als je door een open poort in een aloude wachttoren, met zicht op de te verdedigen brug over de snelstromende Stirone, het bescheiden plein betreedt, zie je een indrukwekkend, evenwichtig samengesteld, westelijk front, zo gaaf dat je het gevoel krijgt voor een maquette te staan.

Het avondlicht valt op een zandstenen benedenverdieping, geflankeerd door twee, niet al te hoge torens in dezelfde steensoort, alles zachtgeel van kleur. Daarboven een afdak met keurig gelegde, bruine pannen. Dan de tweede verdieping in het onbewerkte baksteen van de Po-streek. Het hoogste punt van het dak van de kerk ligt op het nivo van de beide torens, de elegante torenspitsen niet meegerekend.

Van ver wordt al duidelijk, dat we ons moeten richten op de beneden-etage, met zijn draaiboek voor pelgrims. In vogelvlucht: de twee portalen links en rechts aansluitend bij de torens, een tweemaal zo groot portiek, uitspringend, precies in het midden, twee identieke nissen links en rechts met grote beelden erin opgesteld, twee zuilen tussen de kleine portalen en die nissen. Symmetrischer kan het bijna niet.

We komen dichterbij en lopen op de linker, de noordelijke, toren toe, je moet toch ergens beginnen. Ons oog valt op twee reliëfs met een Griekse lijst er omheen: Herodes die opdracht geeft tot de kindermoord, als je dat niet meteen ziet is er een opschrift, met grote letters in het reliëf gebeiteld, dat je op weg helpt. Iets naar rechts, maar pal daarboven, meteen al een aangename verrassing: de drie koningen te paard, in volle galop, hun namen kennen we al lang, maar voor alle zekerheid zijn ze boven de lijst geprint, door de tekenaars van vroeger wel te verstaan: Caspar Balthasar Melchior, mooi is dat.

Naast de toren het noordelijk portaal. Van onder tot boven zien we eerst de twee buitenste pilaren, gedragen door twee op elkaar lijkende dieren, elk op een sokkel. Aan de bovenkant van de pilaren twee consoles met stierenkop en in de sierboog van de ene naar de andere zuil allerlei kleine dieren, elk in zijn eigen kwadraatje.

Kijk je het portaal in dan kun je de taps toelopende zuiltjes naar de onaanzienlijke houten deur (van onze tijd) overslaan, niets bijzonders. Maar de lunet, het halvemaantje boven de deur springt weer in het oog: Maria met kind in het midden op een ongemakkelijke troon, aan weerszijden bijgestaan door zeven biddende getrouwen, door de maker opgesteld als was hij een hoffotograaf: een kleintje rechts en links in de uiterste hoek van het maantje, dan één grotere, dan twee achter (boven) elkaar, tenslotte drie, opgestapeld, van wie er twee een hand opsteken, het geheel spiegelbeeldig.

Het portaal wordt bekroond met een driehoek, waarin we van links naar rechts, geholpen door Latijnse tekst, Karel de Grote ontwaren, dan Paus Hadrianus II die Donnino, daar staat hij al, een mijter overhandigt, daarnaast een kerk waar een pelgrim, van zijn paard afgestapt, zijn hoofd in steekt, want hij is doodziek, staat te lezen, maar kan genezen worden.

Boven het hoofd van de Paus zweeft het Lam Gods, geflankeerd door twee fabeldieren. En heb je er dan nog niet genoeg van, zie je rechts van het portaal de eerste grote, dikke zuil met bovenaan een kapiteel met Daniel, die of het niets is twee leeuwen, die een poot op zijn schoot leggen, de muil openspert, een circusstunt. Bovenop de zuil staat Apostel Simon, een verklarende banderolle in zijn hand: Simon Apostolus Roman Sanctus demonstrat hanc viam, wat zoveel betekent dat hij langs deze weg de passerende pelgrims op hun heilige plichten wijst.

Dit is niet de enige plaats in het stripboek waar pelgrims verschijnen: boven de nis, naast de Simon-zuil, met een enorm David-sculptuur, zien wij links een drietal rijke pelgrims, van rechts gewenkt door een engel; tussen gids en volgelingen in, boven het hoofd van David, vindt de presentatie van de jonge Jezus in de tempel plaats; het kind met dikke kop ziet er krijgshaftig uit. Rechts van het grote portaal is het spiegelbeeld te vinden: op dezelfde hoogte als links ontmoeten we eerst de wegwijzende engel, dan een stukje verder, een drietal arme pelgrims. Blijkbaar is aan alles gedacht: wat links te zien is, moet rechts, in contrast, ook functioneren. Dus staat ook rechts een nis met een reus erin. Ditmaal de profeet Ezechiël, die over een afstand van pakweg 12 meter zijn confrater David begroet en die doet dat tegelijkertijd ook. Boven het hoofd van de profeet is ook Jezus weer in beeld: het kindeke Jezus, zittend op moeders schoot en opnieuw zien wij dat geblokte, ouwelijk hoofd.

De nis-beelden zijn ongetwijfeld gemaakt door de grote Antelami, die zijn atelier had in het nabijgelegen Parma. Zijn leerlingen hebben onderdelen van de beeldverhalen voor hun rekening genomen, de meester zal er kritisch maar welwillend op toegezien hebben. Van eigen hand is nog een derde meesterwerk te bewonderen: naast de apsis aan de zuidkant van de veelbeproefde kathedraal is een enorme Maria ingemetseld, met dito kind, waarvan helaas het hoofd voor de helft door de tand des tijds is afgevreten.

Terug naar de zoekplaat aan de voorzijde, bent u daar nog? Zien we niet rechtsboven, naast de zuidelijke toren hoe, Elia met paard en wagen hemelwaarts rijdt? Ja, dat zien wij, want het verhaal is weer ondertiteld. En is dat, nog iets hoger, Enoch niet, toevend in het aardse paradijs, ja dat blijkt hij te zijn.

In een flits naar het andere, noordelijke uiteinde, warempel daar zijn de drie koningen weer, boven het begin van het San Donnino-stripverhaal, waarover straks meer. Naamloos maar onmiskenbaar brengen zij hun geschenken naar de kerststal, de magiërs die Moeder en kind adoreren. Het kind, veel te oud voor zijn leeftijd, houdt de scepter al vast in de hand, hij is een onverbeterlijke machthebber. Rechts van hem, buiten spel als zo vaak, slaapt Jozef, nog vermoeider dan de zich vergapende reizigers op het plein, die zolang omhoog moeten staren dat ze er draaierig van worden. Naast de van niets wetende, in slaap gesukkelde Jozef, zien we nog een kerk in aanbouw met er boven een hangende engel en nog meer naar rechts twee raven die in een wijwater vat pikken. Waarom? In een commentaar lees ik dat dit vignetje zo hoog is aangebracht, dat niemand het ziet; het is misschien een grapje van een van Antelami's leerlingen en we moeten er niets achter zoeken ... kom nou!

Dat is cruciaal: we worden gedwongen alle boodschappen tot ons te nemen, een lawine van betekenis te verstouwen. En wat hebben we, al kijkend en speurend, niet allemaal gemist: Abraham, Abacus, Job, Alexander de Grote (die in zijn eentje op een steenblok van de zuidelijke toren het luchtruim kiest!), de evangelisten, een centaur, een piepkleine Michaël met onder zijn voet een nog veel kleiner draakje, Hercules met (ondersteboven) de mythische leeuw, een griffioen die een hert afmaakt, tientallen zaligen met ieder een bord met tekst voor hun buik, de heilige Raimondo, ondertiteld, in de acroterie van het rechter portaal...

Het leger van beeldhouwers onder aanvoering van Antelami, heeft alle registers open getrokken. In die veelheid is er voor elck wat wils, maar het is de vraag of we met z'n allen bereid zijn daar uren, wat zeg ik, dagen, maanden lang voor over te hebben.

Zouden de pelgrims in de 12de eeuw of later de grabbelton voor lief genomen hebben of hebben ze zich overeten en is het daarom dat het kunstwerk nooit is voltooid, dat er ondanks de vooropgezette spiegelingen, variaties en al die tekens aan de wand, nog zoveel lege plekken zijn. Hebben Antelami en de zijnen hun hand overspeeld?

Talloze bezoekers zullen zich, ten einde raad, na een aantal goedwillende blikken op de bonnefooi, afgekeerd hebben van de wirwar van betekenissen en met de moed der wanhoop naar eenvoud gezocht en... goddank, die hebben ze gevonden in het verhaal van San Donnino, dat vlot wordt verteld op de fries die van zuil links tot zuil rechts doorloopt, ononderbroken ook in het grote, diepe portaal in het midden. Titels in die stomme film zorgen er voor, dat wij ons geen ogenblik afvragen wat er gebeurt en waarom. Het is een legende, die de stad aan zijn naam en zijn roem heeft geholpen, een reclame voor een godswonder, waar we een kinderlijk plezier aan kunnen beleven, kijk maar: Donnino kroont keizer Maxilianus, een man met een zwaard en een gewichtige dignitaris wonen de plechtigheid bij ... korte tijd later staan die getuigen links en rechts van de troon, waarin de keizer nors aan zijn baard trekt ... de christenen zijn in ongenade gevallen en vluchten van het hof ... de jacht wordt geopend op Donnino te paard, achtervolgd door twee ruiters met zwaarden in de aanslag ... ze halen hem in ... met klievend zwaard wordt hij onthoofd, het is met hem gedaan ... maar nee, hij staat op, neemt zijn hoofd onder de arm en waadt door de Stirone naar de overkant en legt zich te ruste ... een getrouwe heeft kans gezien ook het paard aan de overkant te krijgen ... als herboren zullen zij hun gang kunnen gaan ... als zij allang uit het beeld zijn gereden, vindt er als coda nog een wonder plaats, de zwaar bewaakte brug stort zonder enige aanleiding in, de mens mag niet vertrouwen op zijn eigen kracht. Je kunt, als je wilt, de projektor af en toe stilzetten om een plaatje van dichtbij te zien. Mijn voorkeur gaat dan uit naar de beul, gekleed in misschien de allermooiste maliekolder die ik ooit heb gezien. Klasse!

Ik maak mij los van de voorstelling en loop naar een andere fries, die op de zuidelijke toren begint en zonder haperen de hoek omgaat, langs de zuidzij: een ridder die in het openbaar een vrouw verleidt, een wandelende jager met paard, waarop een jachthond zit, een viertal pelgrims op weg en ik denk, zo moet het zijn.

De mooiste wonderen langs de Francigena moeten nog komen, de afslag is nu heel dichtbij. Ik weet dat er een kerkje ligt, waar haast niemand komt. Er is maar één ding dat je gezien moet hebben, zover ben ik nog niet, maar ik zou het onvoorstelbaar vinden, als dat niet met pelgrims heeft te maken. Allons, suivont les mages, ach laat ons uw paden betreden, volgens een Oud-Utrechtsch Kerstgezang.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden