De folteraar toont zijn methode en vraagt om verzoening

Half juli verscheen Jeffrey Benzien voor de Commissie voor Waarheid en Verzoening in Zuid-Afrika. Benzien trad in dienst van de Zuid-Afrikaanse politie in 1976. In 1990 ging hij werken voor de moord- en overval-divisie; in 1993 werd hij hoofd van een politiebureau. Ook maakte hij deel uit van de anti-terroristische afdeling van de veiligheidsdienst.

Anders dan de ongeschoolde kinderen die moorden pleegden in opdracht van hun als helden en redders vereerde leiders, had Benzien keuzen die deze kinderen niet hadden. En toch moet ik mij afvragen hoeveel keus hij werkelijk had.

Benzien was alom gekend en gevreesd in de hele Kaap-regio. Hij was bijna kinderlijk-onschuldig trots op zijn professionele kunst om een mens in dertig minuten of minder volledig te breken.

De man werd ervan beschuldigd mensen met handboeien aan hun polsen te hebben opgehangen aan de veiligheidsroosters voor de ramen in de politiebarakken, zodat hun tenen net de vloer aanraakten, en vervolgens hun lichamen te hebben gebruikt als boksballen. Ook zou hij zijn slachtoffers met een stok electrische schokken hebben toegediend in hun anus en oren, en verschrikkelijke pakken slaag hebben uitgedeeld.

Benzien ontkende alles, behalve het gebruik van de electrische stokken bij één slachtoffer en het slaan van mensen. De folteraar Benzien was in het bijzonder bekend om zijn persoonlijke specialiteit, de 'natte-zak methode'. Om iemand een natte-zakbehandeling te geven leg je de geblinddoekte en geboeide verdachte op de vloer, met zijn gezicht naar beneden. Hij is naakt, natuurlijk. Je zit op zijn achterste, duwt je voeten tussen de elleboogholten en het lichaam van de verdachte. Neem een goed nat gemaakte zak - die normaal dient het bewijsmateriaal in te stoppen -, doe hem over het hoofd van de verdachte en draai hem zo strak dicht om diens nek dat er genoeg druk op staat om de luchtafvoer af te snijden. Verminder de druk voordat je de dood van je verdachte veroorzaakt.

Een algemeen bekende vorm van marteling, en erg effectief. Zoals een overlevende het uitdrukt, deze martelmethode is als zeer, zeer langzaam sterven. Benzien: “Het was nooit de bedoeling iemand te laten stikken, maar de mogelijkheid was aanwezig.” Een andere keer vertelde hij de commissie: “Als het er op aan kwam, maakte ik het karwei af. Ik paste de natte-zakmethode goed en met zorg toe. In het nieuwe Zuid-Afrika kan ik hier zitten en u vertellen dat ik werd gebruikt door de veiligheidsdienst van toen.” Later zei hij: “Ik had de reputatie dat ik opleefde als ik terroristen verhoorde... Ik probeerde mijzelf te profileren als een hard, ongevoelig persoon. Als het er op aan kwam het karwei af te maken, was ik de aangewezen persoon om dat te doen. Misschien was ik te patriottisch, te naïef. Of het nu kwam door een verkeerd gevoel voor bravoure, of omdat ik bereid was een stap verder te gaan, de hoofden van de veiligheidsafdeling hielden eraan vast en stonden mij toe dit te doen zonder hun eigen handen met bloed te besmeuren.”

Van een afstand lijkt Benzien op een gewone zakenman. Negenenveertig jaar oud. Fors van oude spieren, niet te dik, nog veel van zijn grijzende haar behouden. Hij draagt een mooi gesneden, driedelig pak, een goedgesteven wit hemd en een rustige das. Voor de gelegenheid is hij naar de kapper geweest.

Van dichtbij ziet Benzien er nerveus uit, hoewel hij zijn zenuwen onder controle heeft wanneer hij zijn vantevoren opgestelde verklaring geeft. Later zal hij glas na glas water legen; zijn handen trillen wanneer hij het glas naar zijn lippen brengt.

De man is ruw geworden. Tijdens de ondervraging bewegen zijn schouders soms met zijn hoofd mee, alsof zijn nekspieren niet langer functioneren. Hij transpireert overdadig en zelfs op zijn oogleden verschijnt zweet. Zijn gezichtshuid ziet er dik en knobbelig uit, zijn neus is stomp. Tijdens de ondervraging ligt er een hagedisachtige verstilling in zijn ogen en over zijn gelaatstrekken - een onbewogenheid die verder gaat dan ongevoeligheid.

De man lijkt zeker deels een koelbloedige folteraar. Waarom was ik me dan toch, zelfs voordat hij voor de eerste keer begon te huilen, zo bewust van zijn intense kwetsbaarheid? Hoe kon het bestaan hier een tragedie te ervaren, die zelfs hij soms leek te voelen, niet alleen om wat hij anderen heeft aangedaan, maar ook om wat hij zichzelf heeft aangedaan? En waarom werd ik mij bewust van hem, zoals ik nog nooit had meegemaakt bij daders naar wie ik luisterde, allereerst als een menselijk wezen dat in deze wereld was gekomen als een zuigeling, hulpeloos, met zijn vuistjes zwaaiend in de lucht wanneer hij het naar zijn zin had, of huilend om melk? Hoe kon het zijn dat ik me hem voorstelde als een klein kind dat eens had leren lopen, waarschijnlijk de hand grijpend van zijn zwarte nanny toen hij zijn eerste stapjes zette?

Ik weet niet hoe dit kan gebeuren; ik weet alleen dát het gebeurde. En ik was niet de enige die zich daarvan bewust was.

Er is moeilijk achter te komen of Benzien plezier had in zijn werk, maar dat hij er destijds trots op was, is wel zeker, net zoals de andere daders. Voor hen allen geldt dat het doel absoluut de middelen heiligde.

Benzien kreeg van zijn superieur luitenant Liebenberg de opdracht om 'onconventionele methoden' te gebruiken om vitale informatie van terroristen los te krijgen over de opslaglaatsen van wapens. Hij vertelde de Waarheidscommissie dat zijn doel was de voormalige regering te beschermen en in het zadel te houden: alles werd gedaan om vertrouwen in de Nationale Partij te bevorderen, om het ANC en de Communistische Partij te verhinderen een politieke machtsbasis te ontwikkelen en, in zijn eigen woorden, “om datgene wat ik zag als een normale democratische levensstijl te handhaven”. Hij had de stilzwijgende goedkeuring van de regering voor de methoden waarmee hij zich van zijn plichten kweet.

Liebenberg heeft ook een beroep gedaan op amnestie, voor 'daden van nalatigheid', voor het laten voortbestaan van martelingen waarvan hij kon hebben geweten dat ze plaatsvonden. Maar gedurende de hoorzittingen werd allengs duidelijk dat Liebenberg beter had kunnen vragen om amnestie voor het begaan van handelingen: hij is waarschijnlijk direct betrokken geweest in martelpraktijken.

Benzien vroeg de Waarheidscommissie om de omstandigheden van die tijd mee in beschouwing te nemen: “Ik was betrokken in een gewettigde activiteit, gebruikmakend van onwettige middelen... Ik was bereid extra ver te gaan voor mijn overtuigingen.... Hoe gruwelijk dat ook moge klinken, ik dacht dat wat ik deed juist was. Achteraf gezien weet ik dat het verkeerd was...”

En in 1989 was hij onderscheiden voor het 'voorkomen en bestrijden van terrorisme'.

Benzien geloofde dat hij met zijn werk levens redde voor terroristische bommen en aanslagen. In antwoord op de vragen van een overlevende, die door hem gemarteld was, antwoordde hij: “Of het nu goed of verkeerd was... de informatie die ik van u kon krijgen had explosieven uit de gemeenschap kunnen houden en zo de gemeenschap in brede zin kunnen beschermen... Misschien heb ik wel voorkomen dat u hier als een moordenaar gebrandmerkt bent.”

Op een andere dag antwoordde hij: “De methode die ik heb toegepast, is iets waarmee ik moet leren leven, en hoezeer ik ook probeer datgene wat ik deed uit te leggen, ik vind het betreurenswaardig en uitzonderlijk moeilijk.” Onder druk gezet gaf Benzien toe dat hij wellicht meer vormen van marteling heeft toegepast dan hij zich kan herinneren: “Ik heb zoveel gruweldaden gepleegd in naam van ondervraging dat ik me niet alle details kan herinneren”.

Benzien vertelde dat zijn deelname aan de terroristen-opsporingseenheid van de veiligheidspolitie een hoge tol had gevraagd van zijn gezin. Als verzachtende omstandigheid voert hij - tegenover de mensen die hij martelde - het idee aan dat hij óók heeft geleden. “Ik ben getrouwd en heb twee kinderen. Wekenlang moesten mijn kinderen onder politiebegeleiding naar school. Ze konden niet spelen met andere kinderen. Ik moest de ramen van mijn huis barricaderen met kasten. Iedere nacht moest er een natte deken in het bad worden gelegd, voor het geval er een aanval zou komen met handgranaten.”

In deze omstandigheden was dit zo'n brutale verklaring dat ze me de adem benam. Maar het was ook van een ongekunstelde en bijna kinderlijke naïviteit. En er kwam nog meer.

Benzien hield een van zijn slachtoffers, Ashley Forbes, een half jaar onder zijn toezicht gevangen. (Forbes werd in 1988 veroordeeld op verdenking van terrorisme en voor 25 jaar naar de gevangenis gestuurd; hij is inmiddels vrijgelaten). In de periode dat Forbes onderworpen was aan de ondervragingen van Benzien, bracht deze hem westerse romans, nam hem mee op tripjes in de Kaap-regio en naar restaurants waar hij Forbes tracteerde op diners met steak en Kentucky Fried Chicken.

Toen Forbes ging zitten, voor de waarheidscommissie, om hém te ondervragen, leek Benzien bijna opgelucht. Hij groette hem met ingehouden genoegen, alsof hij wilde zeggen: 'hier is een man die het voor mij zal opnemen!'.

Het leek alsof Benzien het idee had gekregen dat hij bevriend was geraakt met Forbes en in zekere zin zijn maatje was geworden. Maar Benzien wisselde zijn tractaties en uitjes af met martelingen en sloeg Forbes zo hard dat deze, toen hij een paar maanden gevangen zat, eerder zelfmoord probeerde te plegen dan een volgende ontmoeting onder ogen te moeten zien. Van enkele martelingen, waarvan Forbes hem beschuldigde, gaf hij toe dat hij ze op zijn geweten had. Van andere zei hij dat hij ze zich niet kon herinneren en de rest ontkende hij gladweg.

Forbes ondervroeg Benzien met zachte stem, alsof de haat die erin lag zo overweldigend was dat deze, wanneer hij haar naar buiten liet komen zijn lippen zou verbranden. In aanvulling op de vragen over martelingen die Benzien niet toegaf, opperde hij dat de uitstapjes slechts werden gemaakt om de littekens van de martelingen en de pakken slaag een kans te geven te helen, zodat niemand ze zou zien en ze niet konden worden gerapporteerd door een dokter.

Benzien zag eruit als iemand die zich erg in de steek gelaten voelt: “Maar herinner je je dan niet”, vroeg hij op hulpeloze toon, “dat ik je meenam om je eerste sneeuw te zien?” Waarom vond Forbes hem niet aardig? Waarom waardeerde hij al deze leuke dingen niet - al deze goede dingen die Benzien voor hem had gedaan?

Aan het einde van zijn ondervraging zei Forbes: “Nadat ik probeerde zelfmoord te plegen, ging ik naar het ziekenhuis. Herinner jij je dat je opnieuw de natte-zakmethode op mij probeerde toe te passen, terwijl ik in het ziekenhuis lag?” Benzien stotterde bijna zijn ontkenning en antwoordde meer de Commissie dan Forbes: “Edelachtbare, het schokt me en maakt me verdrietig dat ik had aangenomen dat deze bijeenkomst over waarheid en over verzoening... Ik weet niet wat ik moet denken. Ik ben uitzonderlijk teleurgesteld.”

En dat was hij werkelijk.

Benzien maakte herhaaldelijk zijn verontschuldigingen tegenover zijn slachtoffers en hun familieleden. Hij scheen te geloven dat zijn verontschuldigingen, die gemeend leken, en zijn schaamte, die gaande de hoorzitting alsmaar groter werd, zijn respectabele bijdrage was aan de nationale eenheid en verzoening. Maar was dat voldoende?

Een week na mijn terugkeer uit Zuid-Afrika heb ik een aantal artikelen uit Internet opgehaald over de hoorzitting van Benzien, die gepubliceerd waren na mijn vertrek. De toon van minachting in deze stukken is compleet en wist de mogelijkheid uit dat het in Benziens hoorzitting om iets anders ging dan om een uiteenzetting van koelbloedig en gecalculeerd kwaad.

In een persconferentie opperde een van de overlevenden dat Benzien voor zijn baan was uitgekozen omdat hij alle menselijkheid had verloren.

Iemand die door Benzien is gemarteld, heeft een goede reden dat te geloven. Maar als het waar is, dan is Benzien ook een acteur die in staat is Lawrence Olivier weg te spelen, toen deze zijn beroemde Hamlet op de planken zette, een uitvoering waardoor alle acteurs die sindsdien de rol van Hamlet speelden veroordeeld zijn en gezocht worden. Is Jeffrey Benzien een acteur van dat kaliber? Hem gadeslaand tijdens die hoorzitting is dat moeilijk te geloven.

Volgens Charles Villa-Vicencio, de nationale onderzoeksleider van de Waarheidscommissie, is het verkeerd Benzien een voorbeeld te noemen van onbegrijpelijk kwaad. Als wij denken dat het kwaad buiten onszelf ligt en als we de menselijkheid ontkennen van de pleger van verschrikkelijke daden, dan pretenderen we dat wijzélf niet in staat zijn tot het plegen van slechte daden. Dat is echter een grote vergissing. Zoals Villa-Vicencio zegt, 'we hebben allemaal een kleine dader in ons hart'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden