De filosoof met een rechterarm die zo lam is als een dooie vis

Het voordeel van een lang leven en een twintig jaar jongere vrouw is dat je vrienden opdoet die je lang na je dood nog kunnen redden van de vergetelheid. Dat gebeurt nu met Helmuth Plessner die de dubbelzinnige houding tegenover het lichaam zag als het wezenskenmerk van de mens. Waarom het nudistenkamp niet helpt tegen de vervreemding.

Coen Simon

Bij een van de eerste ontmoetingen die Monika heeft met haar latere man, de filosoof en bioloog Helmuth Plessner, valt haar oog op een schilderij aan de muur van Plessners studeerkamer. Het is van Max Beckman en er staat een man op afgebeeld die in plaats van een rechterarm een dode vis langs zijn lijf houdt. Niet veel later vraagt Plessner haar: 'Weet u waarom ik filosoof ben geworden?' Waarop hij met zijn linkerhand zijn lamme rechterarm op tafel legt: 'Daarom!'

Vandaag is Monika in Freiburg, waar een vierdaags congres wordt gewijd aan Helmuth Plessner (1892-1985) die, samen met Max Scheler (1874-1928), de grondlegger is van de wijsgerige antropologie: de filosofie die zich bezighoudt met de mens. Het congres is georganiseerd door het Helmuth Plessner Gesellschaft dat, volgens zijn vice-voorzitter Lolle Nauta, Plessner moet redden 'uit de dodelijke omarming van de anonimiteit'. Die anonimiteit is te wijten aan een reeks toevalligheden. Eerst stond Plessner in de schaduw van zijn veel bekendere leermeester Max Scheler. Toen kon Plessners hoofdwerk Die Stufen des Organischen und der Mensch (1928) het niet bolwerken tegen Sein und Zeit (1927) van Martin Heidegger. En de gedeeltelijk joodse afkomst van Plessner zorgde ervoor dat hij geen vaste voet aan de grond kreeg in de academische wereld van nazi-Duitsland. Van 1926 tot 1933 was hij hoogleraar in Keulen. Daarna doceerde hij aan de universiteit van Groningen, vanaf 1946 als hoogleraar. In 1951 keerde hij terug naar Duitsland waar hij hoogleraar werd aan de universiteit van Göttingen.

Maar naast alle pech had Plessner het geluk van een lang leven en een twintig jaar jongere vrouw. Daardoor lopen er nu nog steeds vrienden en collega's van hem rond die hem aan de vergetelheid kunnen onttrekken.

Een van hen is Jan Gulmans die de tweeënzeventigjarige Plessner zag bij diens aanvaarding van een eredoctoraat van de Groningse universiteit. ,,Van de uitreikingen van eredoctoraten in de herfst van 1964 aan Simon Vestdijk, koningin Juliana en Helmuth Plessner is me alleen het optreden van Plessner bijgebleven. Niet alleen de levenloos naast zich hangende rechterhand intrigeerde, maar vooral zijn kritiek op het populaire existentialisme en marxisme troffen mij.''

Afgelopen weekeinde organiseerde Gulmans samen met de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden de conferentie 'De actualiteit van de wijsgerige antropologie van Helmuth Plessner'. Daar behandelde de Amsterdamse filosoof Maarten Coolen het volgens Plessner opvallendste wezenskenmerk van de mens. De mens is een wezen dat niet alleen een lichaam heeft, maar ook een lichaam is.

Dat we dit vandaag de dag nogal eens over het hoofd zien blijkt paradoxaal genoeg uit de overmatige belangstelling voor het lichaam, vertelt Coolen. ,,Het is niet langer voldoende om ons op feestelijke gelegenheden te verfraaien en in mooie kleren te steken. Een voortdurende controle over de eigen fysieke verschijning is het ideaal van deze tijd. We gaan naar een fitnesscentrum om ons lichaam van de juiste vorm te voorzien door middel van uitgekiende trainingsprogramma's.'' Lichamelijke prestaties en technische ingrepen maken ons lichaam ,,tot voorwerp dat bekeken kan worden, door de 'eigenaar' zelf, of door anderen. Het kan ingezet worden in arbeidsprocessen, of gebruikt worden om er plezier aan te beleven.''

De afstand die we kunnen hebben tot ons lichaam is kenmerkend voor de mens, want alleen het menselijk wezen kan zijn lichamelijkheid bewust gebruiken om iets te bereiken. Maar tegelijk toont de hedendaagse lichaamsbenadering een misvatting over het wezen van de mens, namelijk dat er een 'ik' zou bestaan dat buiten het lichaam om zijn eigen identiteit kan construeren. Plessner opponeert met deze zienswijze tegen de scheiding van lichaam en geest die sinds Descartes het westerse denken doorkruist.

In feite is er niets buiten ons lichaam, zegt Plessner, maar omdat we niet als dieren of planten samenvallen met onze omgeving en we altijd een kunstmatige, oftewel culturele omweg nodig hebben om onze behoeften te bevredigen, ontstaat er deze ambigue ervaring van ons lichaam. We zíjn lichaam, maar tegelijk kunnen we schijnbaar uit dit centrum stappen om het lichaam te gebruiken.

Deze antropologische voorwaarde die het mogelijk maakt dat we het leven 'vreemd' kunnen vinden, noemt Plessner de excentrische positie van de mens. ,,Deze excentriciteit is niet zomaar een eigenschap van de mens die hij in de loop der tijd heeft ontwikkeld'', benadrukt Petran Kockelkoren, wijsgerig antropoloog aan de Universiteit Twente. Met een meeslepend verhaal liet hij in Leusden zien dat ook de zogenaamde 'nobele wilden' al niet samenvielen met hun milieu, met de seizoenen en 'de natuur'. De meer dan 15000 jaar oude wandschilderingen in de Franse grotten van Lascaux wijzen daar bijvoorbeeld op. Vaak wordt gedacht dat de grotbewoners dieren afbeeldden om zich te vereenzelvigen met hun ziel, en hen zodoende te lokken als prooi.

Maar de interpretatie van de Franse filosoof Georges Bataille, een tijdgenoot van Plessner, is overtuigender. Bataille zegt dat de grotbewoners met hun afbeeldingen van wezens die half mens, half dier zijn, blijk gaven van een besef van het verschil tussen mens en dier, waarmee ze in het reine wilden komen. De grotschilderingen zouden een worsteling zijn met de excentrische positie van de mens. Door zich op deze kunstmatige manier met de dieren te vereenzelvigen, probeerde de grotbewoner terug te komen binnen de orde van de natuur.

,,Die excentriciteit schud je niet van je af door naakt in een nudistenkamp te gaan lopen, uit de beek te drinken en onder een waterval te douchen'', zegt Kockelkoren. ,,Zulke neigingen zeggen meer over de hedendaagse stedelijke cultuur en de schaamte en angst voor de techniek, dan over de 'primitieve mens'. De angst voor de techniek werd pas echt intens met de milieucrisis. Men dacht: zie je wel, nu hebben we ons niet alleen vervreemd van de natuur, we maken haar ook nog kapot. Maar in de opvatting van Plessner is dat een onjuiste manier om tegen techniek aan te kijken. Techniek is niet de oorzaak, maar een exponent van vervreemding. Vervreemd waren we al vanaf het moment dat we op onze achterste benen gingen lopen.''

Daarmee komt Kockelkoren op het actuele en heikele thema van de biotechnologie: ,,Omdat mensen in principe nooit rechtstreeks toegang hebben tot de natuur, en altijd aanpassingen moeten doen om 'één' te worden met ons milieu, kan biotechnologisch ingrijpen nooit op voorhand worden afgewezen. Dat is de actualiteit van Plessner.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden