De felle aanklacht van Dries van Agt

Na een Israëlische luchtaanval op het huis van een Hamas-leider in Gaza, begin dit jaar, wordt een gewonde Palestijnse jongen weggedragen. (FOTO REUTERS)

Als premier stond hij pal achter Israël. Pas toen Dries van Agt na zijn politieke en diplomatieke carrière op bedevaart ging naar Israël, zag hij hoe vreselijk de Palestijnen werden behandeld. Sindsdien zet hij zich vol overgave in voor de Palestijnse zaak.

Kom bij Dries van Agt niet aan met het verwijt dat hij in het conflict tussen Israël en de Palestijnen het evenwicht uit het oog verloren heeft, want dan wordt hij boos: „In de publieke opinie overheerst de gedachte dat waar er twee vechten, er twee schuld hebben, en ook evenveel schuld. Dat idee, een dom gezegde, heeft nog altijd de meeste invloed op besluiten in kabinet en debatten in de Tweede Kamer.”

„Tegen dat evenwicht moet ik te wapen. Daarvan moet de voosheid, de onwaarachtigheid worden aangetoond. Dat de Palestijnen rotdingen hebben gedaan, en nog steeds doen – en daaronder een aantal heel ernstige – dat weten we al lang, dat is al tientallen jaren belicht en overbelicht. Het is mijn plicht om, zonder die Palestijnse wandaden weg te poetsen, de schijnwerper te zetten op het Israëlische wangedrag.”

„Ik citeer in mijn boek allerlei rapporten die zijn uitgebracht over de recente Gaza-oorlog, rapporten van belangrijke, met grote autoriteit beklede onderzoekers van de Verenigde Naties, van Amnesty International, van toppers als volkenrechtdeskundige Paul de Waart. Zij laten van het gedrag van Israël geen spaan heel.”

„Richard Falk, die hoogleraar publiek recht geweest is aan een van de beste universiteiten ter wereld – Princeton in de VS – en VN-rapporteur voor de bezette Palestijnse gebieden, zegt dat hij zich als Amerikaanse Jood beschaamd voelt te moeten toegeven dat Israël zich schuldig maakt aan genocidale praktijken.”

„Hoe kan ik dan in godsnaam evenwichtig zijn? Hebben de Palestijnen zich ooit schuldig gemaakt aan genocidale praktijken? Vertel me waar en wanneer. Het geweld van Israël in de Gazastrook was disproportioneel. Belangrijker nog, Falk zegt dat de aanval op Gaza zelfs onrechtmatig was. Daarmee valt het hele verhaal van onder anderen Jan Peter Balkenende weg dat Israël niet meer heeft gedaan dan zich tegen de raketregen van Hamas verdedigen. Israël was de agressor.”

In zijn boek ’Een schreeuw om recht, de tragedie van het Palestijnse volk’ dat vandaag verschijnt, citeert Van Agt, oud-premier en eerste CDA-leider, Avi Shlaim, hoogleraar in Oxford, die naar aanleiding van de inval in Gaza schreef dat Israël ’een schurkenstaat’ is geworden ’met een uiterst gewetenloos stel leiders’.

Op de vraag of hij die mening deelt, zegt Van Agt: „Ik zou deze woorden zelf niet gebruiken. Ik heb het citaat opgenomen om aan te tonen dat er heel wat verstandige, redelijke, menslievende en oordeelkundige Israëliërs zijn. Die waarde heeft het.”

Bladzijde na bladzijde hekelt Van Agt het optreden van Israël jegens de Palestijnen; bovendien neemt hij Nederlandse politici op de korrel die dat land nog steeds onverkort steunen, ook mensen uit zijn eigen CDA: „Het verdriet mij bijzonder dat mijn partij zo kritiekloos pro-Israël is.” Vooral partijgenoot Maxime Verhagen, minister van buitenlandse zaken, moet het ontgelden. „Maxime, mijn cher ami, gaat nogal selectief te werk. Hij gaat naar zorgvuldig uitgekozen plaatsen en conferenties die niet veel meer zijn dan elkaar in het vooroordeel verstevigende clubjes van: samsam tegen het Arabische tuig. Maxime is nooit in Gaza geweest. Hij had er de hel kunnen zien, want Gaza, dat is de hel.’’

Maar toen Van Agt in de jaren zeventig en tachtig premier was, stond hij ook pal achter Israël en had hij amper oog voor de noden van de Palestijnen. „Ik had er geen notie van wat daar aan het gebeuren was, echt niet. Beetje dom, hè, kun je op z’n Maxima’s zeggen, maar ge kunt die diskwalificatie uitsmeren over alle kabinetten uit die tijd, van Den Uyl, Biesheuvel, noem maar op. In het Catshuis werd niet over het Midden-Oosten gesproken, men wist er weinig van. Ja, we hadden het over de gevolgen van de oliecrisissen, de autoloze zondagen en zo, maar niet over de oorzaken. We wisten wel dat Israël zich niet aan VN-resoluties hield en weigerde zich uit de bezette gebieden terug te trekken, en we vonden dat ook niet helemaal volgens het boekje, maar het was ook wel begrijpelijk, want het land, niet meer dan een smalle strook, werd hevig bedreigd, meenden wij, door zijn buren. En het zou ooit wel goed komen, dachten we in onze naïviteit.”

Langzamerhand druppelde bij Van Agt informatie binnen dat op de handelwijze van Israël wel meer viel aan te merken, bijvoorbeeld over de bloedbaden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila, niet door het Israëlische leger gepleegd, maar wel onder de ogen van. De schellen vielen pas echt van de ogen toen de CDA’er na beëindiging van zijn politieke en diplomatieke leven eind jaren negentig met zijn vrouw Eugenie op bedevaart naar Israël ging.

„Het was m’n eerste kennismaking met het land, ik was er nog nooit geweest. De indrukken overdonderden me. Ik zag hoe ook oudere Palestijnen werden behandeld bij de checkpoints van het leger door vlegels van soldaten met hun grote blaffers op hun schouder, vreselijk. Terwijl onze bus met al die christenen uit Europa natuurlijk rap werd doorgelaten, want dat was goed voor het imago. En we hoorden verhalen van Palestijnse studenten die te lijden hadden onder de bezetting, ik vond het al met al verschrikkelijk. Die reis was voor mij een psychische doorbraak. Ik nam de indrukken mee naar huis, ging er over lezen, en doe dat tot de dag van vandaag.”

Van Agt zegt dat hij drie motieven heeft om zich voor de Palestijnen in te zetten: „Ik ben christelijk opgevoed en beschouw mijzelf nog steeds als christen. Als christenjongen zie ik zo mateloos veel onheil in het Heilige Land dat ik daarmee niet leven kan. Dit motief zou al voldoende moeten zijn om in het geweer te komen. Maar bovendien ben ik met hart en ziel en tot in al mijn vezels jurist en dus is het voor mij een dagelijkse kwelling – niet minder dan dat – dat daarginds het internationale recht wordt beschadigd, geschoffeerd, geschonden, zo ernstig en zo vaak dat het niet om aan te zien is.”

Bij het derde motief staat de politicus in ruste wat langer stil: „Ik ben Europeaan, in volle overtuiging. De geschiedenis houdt ons voor dat Europa in de opperst denkbare mate schuldig staat aan het ontstaan van de Palestijnse tragedie. Dat begint al bij de Balfour-verklaring van Groot-Brittannië aan het eind van de Eerste Wereldoorlog die steun toezegde voor de vestiging van een Joods nationaal tehuis in Palestina. Iedereen wist natuurlijk: een tehuis met de bedoeling te worden tot een staat. Bij het opstellen van die verklaring is niet één Palestijn geraadpleegd.”

Na afloop van de Tweede Wereldoorlog ging de internationale gemeenschap (lees: Europa en de Verenigde Staten) akkoord met de stichting van de staat Israël, deels uit schuldgevoel over de Holocaust. Van Agt: „De Holocaust mag niet alleen Duitsland worden verweten. Van een aantal bezette landen is het duidelijk geworden, ook Nederland, dat ze ernstig tekort geschoten zijn in het benutten van de mogelijkheden die er moeten zijn geweest ter bescherming van de Joden. Europa is een beslissende factor geweest in het ontstaan van de staat Israël. Dat is op een brute wijze gebeurd, ten koste van de Palestijnen, die zijn van hun land verjaagd. Honderden Palestijnse dorpen zijn vernietigd. Wij zijn daarvoor medeverantwoordelijk.”

Misschien is er nog wel een vierde motief om zich druk te maken, zegt Van Agt even later in het interview: „Israël doet dagelijks zijn best om bij Europa te zijn, het wil een soort buitenlid van de Europese Unie worden. Wij zijn lid van de westerse beschaving, dat is de boodschap die het land uitzendt. Maar als die westerse beschaving zich vervolgens zo gruwelijk misdraagt, dan heb ik meer reden om boos te worden dan wanneer de Congolezen dat doen, of de Chinezen jegens Tibet.”

Van Agt is niet de enige prominente CDA’er van katholieke huize die zulke scherpe kritiek heeft op Israël. Ook de oud-EU-commissarissen Frans Andriessen en Hans van den Broek (tevens gewezen minister van buitenlandse zaken) wassen het land regelmatig de oren. Uit protestantse hoek is de toon veel milder. Zelf heeft Van Agt daar wel een verklaring voor: „Voor onze reformatorische broeders en zusters is de Bijbel veel meer in tel geweest in de jaren van hun opvoeding en vorming. De mensen van de kerk waarin ik ben geboren zijn vaak gehoond en gesmaad, en niet zonder reden, wegens onvoldoende kennis van de Heilige Schrift, vooral van het Oude Testament. In dat Oude Testament zijn de noties van het beloofde land en het verbond tussen God en zíjn volk, met uitsluiting van andere volken, zo preponderant dat op die bodem allicht de gedachte kan ontstaan dat wat we hier zien gebeuren in onze dagen de verwezenlijking is van de belofte van duizenden jaren her. Nou zult u zeggen: en Maxime Verhagen dan, die is toch ook rooms-katholiek? Dat raadsel, hoop ik maar, zal ooit bij ons beider verscheiden van deze planeet worden opgelost, maar ik ben er niet zeker van.”

De vraag is of Van Agt met zijn felle toon niet de mensen van zich vervreemdt die de Palestijnse zaak een goed hart toedragen, maar die niet anti-Israël zijn. „De verwijten die ik maak zijn stuk voor stuk feitelijk onderbouwd en bewezen. U vraagt mij nu of het verstandig is die feiten te noemen. Eigenlijk een rare vraag, niet? Ík polariseer niet, ík bouw die muur niet die van de Westbank een verbrokkeld gebied maakt waardoor een Palestijnse staat feitelijk onmogelijk is geworden. Als je die muur ziet, dan schreeuw je het toch uit?”

„Er zijn al beterweters en nurksen geweest die het nodig hebben gevonden het boek af te kraken nog voordat zij het gelezen hadden. Wat duidt dit aan? Het is het zoveelste blijk van het verschijnsel dat de boodschap die ik breng, en ik niet alleen, in zijn argumentatie en feitelijke ondersteuning zo onweerlegbaar is dat alleen maar soelaas kan worden gevonden in het besmeuren van de boodschapper.

Ook de komende dagen zal ik wel weer in alle talen worden uitgekreten als een antisemiet. In mijn leven heb ik veel eelt op zijn ziel gekregen, maar voor deze beschuldiging niet. Het grieft mij, ik vind het ontzettend. Het komt telkens terug, en nu in verhevigde mate, reken maar. Ik ben geen antisemiet, ik heb gerechtvaardigde en beargumenteerde kritiek op de staat Israël.”

(Trouw)Beeld REUTERS
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden