De felbegeerde ontvijandingsverklaring

Tienduizenden Duitsers hadden een ontvijandingsverklaring. Die was nodig was om na de Tweede Wereldoorlog in Nederland te blijven wonen. Wie het papiertje niet op zak had, kon het land worden uitgezet. Het Nederlands Beheersinstituut hield zich daarmee bezig. Een vergeten hoofdstuk uit de rauwe naoorlogse jaren.

Kurt Friedrich Irrgang - roepnaam Frits - was in Duitsland geboren, maar woonde al sinds de jaren dertig in Den Haag. Hij werkte als kelner in het beroemde Haagse hotel Des Indes. Ook al woonde hij al jaren in Nederland en was hij bovendien met een Nederlandse getrouwd, aan zijn Duitse nationaliteit zat hij vast. Toen de oorlog uitbrak, werd hij opgeroepen door de Wehrmacht: hij moest gaan vechten. Aan de Duitse dienstplicht viel niet te ontkomen. Wie weigerde, kreeg de kogel.

Irrgang vertrok naar het oostfront. Zijn vrouw Mies, net bevallen van een tweeling, bleef achter in Den Haag. Heel af en toe mocht Irrgang even naar huis. Totdat hij door de Russen krijgsgevangen werd genomen. Pas in 1948 keerde hij - broodmager door de ontberingen aan het oostfront en in de Russische krijgsgevangenkampen - terug in Den Haag. De tweeling is intussen acht jaar oud.

Maar om weer in Nederland te kunnen wonen had Irrgang, net als alle andere Duitsers in het land, een zogenoemde ontvijandingsverklaring nodig. De Nederlandse overheid zag iedere Duitser - ook de vrouwen en kinderen die via het paspoort van hun man of vader Rijksduitser waren geworden - als vijandelijk onderdaan.

Mies Irrgang was door haar huwelijk met Frits Duitse geworden. Haar Duitse paspoort toonde zijn nut in de oorlogsjaren: ze kon er mee voorkomen dat er Duitse soldaten ongevraagd over de vloer kwamen. Dat kwam goed uit, want de woning diende niet alleen als distributiepunt voor verzetskranten, maar er zaten ook onderduikers verborgen.

Direct na de oorlog, in mei 1945, schreven de buren van het gezin een verklaring waarin stond dat er tijdens de oorlogsjaren onderduikers verborgen zaten. Dat was een essentieel document voor de vrouw, omdat Duitsers in Nederland zo kort na de oorlog nogal eens het slachtoffer van vergeldingsacties waren.

Toen Frits in 1948 terug in Den Haag was, vroeg het gezin een officiele ontvijandingsverklaring aan.

De ontvijandingsverklaringen vormen een klein, maar vrijwel vergeten hoofdstuk uit de naoorlogse jaren.

Het felbegeerde papiertje werd uitgegeven door het Nederlands Beheersinstituut (NBI). Dat werd in augustus 1945 opgericht als onderdeel van de Raad van Rechtsherstel. Het instituut was van 1945 tot 1965 belast met 'het opsporen, beheren en eventueel liquideren van landverraderlijke vermogens, vijandelijke vermogens en de vermogens van tijdens de oorlog verdwenen personen'. Wie geen ontvijandingsverklaring had, kon het land worden uitgezet, bezittingen konden worden afgenomen.

Historicus Melchior Bogaarts onderzocht het Nederlandse kabinetsbeleid ten aanzien van de Duitse ingezetenen (hij schreef er een boek over: 'Weg met de Moffen'). "Het is een weinig onderzochte episode in het naoorlogse Nederland. Die omgang met Duitsers paste in de tijdsgeest. Nederland lag plat en probeerde te overleven. Daarbij ging het er niet altijd zachtzinnig aan toe."

Dat was niet alleen uit rancune, zegt Bogaarts, maar ook uit economisch oogpunt. "We zaten na de oorlog met een enorme schade. Nederland was plots één van de armste landen van Europa. Daarom hebben we vrij willekeurig Duitsers over de grens gezet en hun bezittingen geconfisqueerd. Dat bezit vormde onderdeel van de herstelbetalingen van Duitsland."

Een berucht voorbeeld is dat van Graaf Von Bernstorff. De adellijke Duitser was eigenaar van Schiermonnikoog en onder de eilanders een geziene figuur. Hij verloor zijn eiland uiteindelijk aan de Nederlandse staat, hoewel er veel Nederlandse steunbetuigingen voor Von Bernstorff bij het Nederlandse Beheersinstituut waren binnengekomen.

"Of je in de oorlog 'goed' of 'slecht' was geweest, deed er eigenlijk niet toe", zegt Wouter Veraart, hoogleraar Encyclopedie en Rechtsfilosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. "Zelfs Otto Frank heeft nog in spanning gezeten. Er bestond een vermoeden dat Opteka, zijn jamfabriek, handel dreef met de nazi's. Maar uiteindelijk was er geen reden om hem een ontvijandingsverklaring te onthouden."

In het beginjaren was er niet altijd sprake van gestructureerd beleid. "Bij de deportaties ging veel mis", zegt historicus Bogaarts. "Duitsers werden de grens overgezet en hun bezittingen simpelweg geconfisqueerd. Duitse Joden werden soms in afwachting van hun onderzoek in een kamp met NSB'ers geplaatst."

Volgens Bogaarts kwam er uit de Nederlandse bevolking steeds meer verzet tegen de deportaties van de Duitsers uit Nederland. Vooral in Limburg klonken protesten: "Daar werkten Duitsers al lange tijd in de mijnbouw, Nederlanders hadden weinig zin in dat werk. Bovendien trouwden veel arbeiders uit het katholieke Duitse Rheinland met katholieke Nederlandse meisjes. De katholieke kerk heeft toen het voortouw genomen in protesten tegen de deportaties."

Hoeveel Duitsers er na de Tweede Wereldoorlog in Nederland waren, is niet precies bekend. Volgens de cijfers van historicus Loe de Jong waren er in 1940 52.000 Rijksduitsers in Nederland. Aan het einde van 1945 was dat getal teruggelopen naar 25.000.

Meer dan de helft daarvan zou volgens de Jong een ontvijandingsverklaring hebben ontvangen. Volgens een verslag der Handelingen van de Staten-Generaal zijn er tot april 1950 13.896 ontvijandingsverklaringen aangevraagd. Er werden er 10.873 toegewezen.

De archieven van het Nederlands Beheersinstituut bevatten dus meer dan tienduizend dossiers met daarop de stempel 'ontvijand' of 'niet-ontvijand'.

Maar voor de geschiedenis van de Duitse ingezetenen - zoals die van Frits Irrgang - is nooit veel belangstelling geweest. En dat terwijl deze dossiers volgens Veraart een schat aan informatie kunnen opleveren. "Over ontvijanding zou je een mooi boek kunnen schrijven. Er ligt ook nog veel materiaal dat niet is onderzocht in het Nationaal Archief. Het Nederlands Beheerinstituut zou een prachtig onderwerp zijn voor een promotie."

In 1951 kwam er een einde aan de onteigeningen. In dat jaar sloot Nederland een vredesregeling met Duitsland. Uiteindelijk - blijkt uit een berekening uit 1962 - hebben de onteigeningen de Nederlandse staat zo'n miljard euro opgeleverd. Een flinke som geld, die vooral afkomstig was van Duitse deelnames in de Nederlandse nijverheid en de financiële sector.

Bij Frits Irrgang viel op 18 mei 1949 de ontvijandingsverklaring op de deurmat. Terug in Nederland pakte Irrgang de draad snel weer op. Hij ging weer werken bij hotel Des Indes waar hij uiteindelijk opklom tot maitre d'hotel en sommelier.

In 1956 verwierf het gezin Irrgang het Nederlandse staatsburgerschap. Irrgang zorgde ervoor dat zijn twee zoons konden studeren. Eén kleinzoon schopte het zelfs tot parlementslid: SP-Kamerlid Ewout Irrgang. Van 'staatsvijand' tot parlementslid in twee generaties.

"Ik zag mijn vader pas voor het eerst bewust toen ik acht jaar oud was. Ik weet het nog precies. Mijn tweelingbroer en ik kwamen op een zaterdag thuis na een dag op de jeugdvereniging. Daar zat een man in een stoel. Ik zei 'dag meneer'. Het bleek mijn vader te zijn. Tot die tijd had ik nooit bewust een vader gehad.

Hij was een vreemde voor me, maar je went er snel aan. In zijn eerste week in Nederland kocht hij met zijn weinige centen chocolade voor ons. Als kind ben je daar natuurlijk blij mee en hij zag wel in dat het hielp bij de acceptatie.

Mijn moeder heeft waarschijnlijk niet lang getwijfeld of ze onderduikers in huis zou nemen. Het was een goede, vaderlandslievende vrouw. Ze had haar Duitse paspoort, omdat ze was getrouwd met een Duitser. Ze sprak haar steenkolen-Duits en had een geheim plekje. In een kledingkast zat een luik dat toegang ga tot de nok van het dak. De onderduikers werden daar verborgen. Je deed zoiets gewoon.

In de laatste fase van de oorlog was er geen elektriciteit meer. Daar maakte mijn moeder handig gebruik van. Als de Duitsers een razzia hielden, zetten ze eerst stroom op het huizenblok. Dat gaf meer licht om in hoeken en gaten te kijken. Wij hadden permanent de stofzuiger in het stopcontact. Ging die loeien dan betekende dat alarm. Uit de hele straat vluchtten er mannen naar ons huis en kropen door de kast de geheime zolder op. Het is gelukkig altijd goed gegaan.

Zoon Frits Irrgang (71): Ik zei 'dag meneer'
Ik denk dat het kamp in Rusland mijn vader zwaar aangegrepen heeft. Hij heeft er nooit over willen praten. Soms hoorde je toevallig een klein stukje van een verhaal. Zo vertelde hij dat een collega hem ooit zijn jas en schoenen had beloofd bij overlijden. Zo gingen die dingen. Een groot deel van de mensen overleefde de kampen niet. Ik had graag meer willen weten, dat had me meer inzicht gegeven. Mijn vader herinner ik me als een hoffelijke en gastvrije man. Niet vaak boos. Wel erg gesloten."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden